Sterk in den HEERE
Vers 1 Een psalm van David. De Heere is mijn Licht en mijn Heil, voor wien zou ik vrezen? De Heere is mijns levens kracht, voor wien zou ik vervaard zijn?1 licht Dat is, de auteur van mijn voorspoed, van mijn troost, van mijne vreugde en van mijne behoudenis. Zie van zulke betekenis van het woord licht, Job 18:5,6, gelijk integendeel allerlei tegenspoed door duisternis wordt betekend. Zie Gen. 15:12.2 levens Die mij door zijn goddelijke kracht of sterkte in het leven houdt en bewaart. Verg. boven, Ps. 21:5, en Deut. 30:20.Vers 2 Als de bozen, mijn tegenpartijen, en mijn vijanden tegen mij, tot mij naderden, om mijn vlees te eten, stieten zij zelven aan, en vielen.3 tegen mij, Dit bijvoegsel: tegen mij, dient om de uiterste vijandelijkheid zijner vijanden uit te drukken; gelijk het daarentegen een anderen nadruk heeft, waar David zegt, 2 Sam. 22:2, God is mij, of voor mij, mijn bevrijder.4 naderden Om mij te bestrijden.5 vlees Als wrede wilde beesten mij te verscheuren en verslinden. Verg. Deut. 31:17.Vers 3 Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vrezen; ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zo vertrouw ik hierop.6 hierop: Op hetgeen hij Ps. 27:1 gezegd heeft.Vers 4 Een ding heb ik van den Heere begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel.7 ding Of, ene [begeerte] heb ik begeerd. Verg. Richt. 8:24; 1 Sam. 2:20, inzonderheid 1 Kon. 2:20. David schijnt dit gedicht te hebben in zijne ballingschap, wanneer hij wel in vele zwarigheden stak, maar van gene zo verdrukt en gekweld werd dan dat hij den reinen godsdienst en goddelijk waartekenen der zaligmakende genade met Gods volk niet mocht gebruiken; waarom hij ook dit voornamelijk en gestadiglijk in zijne gebeden te dien tijde God heeft voorgehouden.8 zoeken: Dat is, zonder ophouden daarom bidden en daarnaar trachten.9 liefelijkheid De lieflijke godsdienst, waardoor de Messias met al zijne weldaden wordt afgebeeld en dagelijks geloofd en geprezen.10 onderzoeken Des Heeren heilige genadewerken en wil uit zijn Woord. Verg. 1 Petr. 1:10,11,12.11 tempel. Of, paleis; versta den tabernakel of tent der samenkomst. De tempel eigenlijk alzo genoemd, is eerst naderhand van Salomo gebouwd, hoewel David voorhad dien te bouwen, eer Gods wil door Nathan verstond.Vers 5 Want Hij versteekt mij in Zijn hut, ten dage des kwaads; Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent; Hij verhoogt mij op een rotssteen.12 hut Als een herder zijn schaap, zo pleegt de Heere mij te bergen.13 kwaads; Dat is, in tijd van ongeval en beroerte.14 tent; Gelijk men ten tijde van nood iemand bergt in verborgen plaatsen der tent; verg. Ps. 31:21.15 rotssteen. Waar ik veilig en bewaard ben. Zie 2 Sam. 22:3.Vers 6 Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen den Heere.16 geklanks Te weten, die brandoffers en dankoffers, bij welke met de twee zilveren trompetten geblazen werd, naar de wet; Num. 10:10.Vers 7 Hoor, Heere! mijn stem, als ik roep; en wees mij genadig, en antwoord mij.17 stem Anders, [als] ik roep met mijne stem, enz.18 antwoord Dat is, bewijs de verhoring met dadelijke hulp.Vers 8 Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o Heere!19 tot U: Of, van U, uwenthalve, U aangaande, zegt mijn hart, enz. Alsof hij zeide: Ik hoor U in mijn hart tot mij spreken, of, mijn hart houdt mij voor deze uwe woorden: Zoek mijn aangezicht. Zie nu, Heere, ik zoek het, doende wat Gij ons gebiedt, zo verberg dan uw aangezicht toch niet, enz., gelijk volgt.20 Zoek Zie Ps. 24:6, en de aantekening.Vers 9 Verberg Uw aangezicht niet voor mij, keer Uw knecht niet af in toorn; Gij zijt mijn Hulp geweest, begeef mij niet, en verlaat mij niet, o God mijns heils!21 geweest Te weten, altoos, tevoren. Verg. boven, Ps. 10:14.Vers 10 Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar de Heere zal mij aannemen.22 vader Hij wil zeggen dat hij eenzaam en als weeskind [gelijk hij elders dikwijls spreekt] ontbloot is van de hulp dergenen, die het naaste en wel meest daartoe verplicht waren, maar hem niet konden, wilden of durfden helpen. Verg. Ps. 69:9. Anders, ofschoon mijn vader en mijne moeder mij verlieten, zo zal toch, enz.; van zijne ouders en broeders leest men wel 1 Sam. 22:1,3, dat zij tot hem zijn gekomen in de spelonk Adullam, maar dat zij hem zouden hebben verlaten, wordt nergens in de Schrift vermeld; tenware men het alzo verstond, dat zij hem geen hulp hadden konden doen, maar hij veel meer voor hen moest zorgen, dat zij in een verzekerde plaats mochten gebracht worden, gelijk 1 Sam. 22:verhaald wordt; of dat zij te dezen tijde mochten gestorven zijn.23 aannemen. Hebr. verzamelen. Zie boven, Ps. 26:9.Vers 11 Heere! leer mij Uw weg, en leid mij in het rechte pad, om mijner verspieders wil.24 in het Hebr. in het pad der richtigheid, of effenheid. Verg. Ps. 26:12, opdat zij mij niet betrappen, die op mij loeren om in mijn wandel iets te vinden, waarom zij mij zouden mogen lasteren, of ook mij ergens bloot te vinden en met behendigheid te achterhalen en te overvallen.Vers 12 Geef mij niet over in de begeerte mijner tegenpartijders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, mitsgaders die wrevel uitblaast.25 begeerte Hebr. ziel; welk woord somtijds genomen wordt voor willen, begeerten, lust, voornemen. Zie Gen. 23:8; idem Ps. 41:3, en Ps. 78:18; Pred. 6:7,9; Jer. 15:1; Ezech. 16:27.26 zijn Waarvan Doëg een was; 1 Sam. 22:9,10. Zie ook Ps. 35:11.27 uitblaast. Versta, een ieder van hen, of een die de voornaamste is. Uitblaast; dat is, die niet snorkt dan van enkel geweld. Verg. deze manier van spreken met Hand. 9:1, en Ps. 10:5.Vers 13 Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des Heeren zou zien in het land der levenden, ik ware vergaan.28 Zo Dat is, een onvolmaakte en afgebroken rede van den profeet, voortkomende uit overdenking van al de schrikkelijke gevaren en zwarigheden, die hem waren overkomen, zijnde zodanig dat hij menigmaal had moeten bezwijken, indien hem zijn geloof op Gods belofte niet had ondersteund, ja zo gesterkt dat hij nog anderen kon leren de goede uitkomst met onverdrietelijk geduld en vertrouwen te verwachten, gelijk hij in het volgende, hier en Ps. 31:24 doet.29 goede Dat is, verlossing, mitsgaders het beloofde koninkrijk, met Gods zegen.30 zien Dat is, met vreugde genieten; gelijk boven Ps. 4:7.31 land Dat is, hier op aarde dat nog beleven en genieten. Alzo wordt door het land der levenden elders ook verstaan dit tegenwoordig wezen en leven op aarde. Zie Job 28:13; Ps. 52:7, en Ps. 116:9; Jer. 11:19.Vers 14 Wacht op den Heere, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den Heere.32 Hij zal Omdat gij hiertoe veel te zwak zijt en zulks bij uzelven dikwijls gevoelt, zo hebt goeden moed, de Heere zal u met krachten voorzien, dat gij hem met geduld en bestendigheid zult verwachten. Anders, uw hart versterke zich.