Goddeloosheid der mensen
Vers 1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet.1 opperzangmeester. Zie Ps. 4:1.2 De Verg. den 53ste Ps. Ps. 53:3 dwaas Zie 1 Sam. 25:25.4 zegt in Dat is, denkt bij zichzelven; gelijk boven Ps. 10:6; hoewel hij zich uiterlijk somtijds anders voordoet. Verg. Job 21:14.5 verderven Of, zij hebben [zichzelven of hunnen weg] verdorven. Verg. Gen. 6:12; Exod. 32:7; Deut. 31:29.6 zij maken Of, zij maken zichzelven gruwelijk [met] hun handel.Vers 2 De Heere heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht.7 nedergezien Menselijkerwijze van den alwetenden God gesproken; verg. Gen. 1:5.8 zocht: Zie 2 Kron. 15:2.Vers 3 Zij zijn allen afgeweken, te zamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet een.9 Zij zijn Zie Rom. 3:12, enz. en verg. boven Ps. 5:10.10 stinkende Of, beschimmeld, verrot, vervuild, gelijk garstige en stinkende spijs, of een vuil stinkend aas. Verg. Spreuk. 13:5.Vers 4 Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen den Heere niet aan.11 Hebben Anders, weten dan alle werkers der ongerechtigheid niet, die mijn volk opeten, [alsof] zij brood aten, [dat] zij den Heere niet aanroepen? of, [gelijk sommigen] hebben, enz. die mijn volk opeten? zij eten brood [en] roepen den Heere niet aan.12 volk opeten Dat is, onbeschroomd, met onrecht en geweld van lijf en goed beroven, Verg. Exod. 22:25; Micha 3:3, en Ps. 79:7.13 Zij roepen Alsof zij zeide: Daar schort het deze booswichten, dat zij met den Heere niet willen te doen hebben; daarom is hunne straf zeker en gereed, gelijk volgt.Vers 5 Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard; want God is bij het geslacht des rechtvaardigen.14 Aldaar Dat is, alsdan. Zie Zef. 1:14, en onder Ps. 36:13, enz. als God zal tonen en zij in hunne conscientiën zullen gevoelen dat Hij het met de menigte of gemeente der vromen houdt en dezer goddelozen tegenpartij is; dan zullen zij met groten schrik bevangen worden, hoewel zij niets minder dachten dan zulks. Dat is een profetie van de toekomende, dat de profeet zo zeker stelt alsof het bereids geschied was. Verg. Ps. 36:13 en Ps. 53:6.15 bij het Of, onder, of met het rechtvaardig geslacht. Verg. Ps. 12:8.Vers 6 Gijlieden beschaamt den raad des ellendigen, omdat de Heere zijn Toevlucht is.16 beschaamt Dat is, gij zoekt hem te beschamen, spottende daarmede dat enz., maar gij zult het gewaar worden, wil hij zeggen.Vers 7 Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwame! Als de Heere de gevangenen Zijns volks zal doen wederkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israël zal verblijd zijn.17 Och Anders, wie zal geven uit Zion de verlossing Israëls? ene manier van wensen bij de Hebreën gebruikelijk. Zie Deut. 5:29. De zin is: Och dat de Heere uit Zion, waar Hij woont bij de ark des verbonds, zijn volk verlossen mocht! Anders zou het ook een vraag kunnen zijn, waarop het antwoord volgt. Verg. verder Rom. 11:26.18 gevangenen Hebr. gevangenis. Zie Num. 31:12. Dat is, de vromen, die onder der bozen tirannie als gevangen zijn. Zie verder Deut. 30:3; Luk. 4:19, en Ef. 4:8.19 Jakob Jakobs nakomelingen, de Israëlieten; versta de vromen, die de voetstappen van hun voorvaders navolgen.