Alles wat adem heeft, love den HEERE!
Vers 1 Hallelujah! Looft God in Zijn heiligdom; looft Hem in het uitspansel Zijner sterkte!1 Looft God Dit woord staat hier en in de volgende verzen in het getal van velen: Looft gijlieden.2 in Zijn heiligdom; Dat is, in zijn heilige plaats, te weten, in den hemel; anderen verstaan door het heiligdom den tempel, gelijk Ps. 20:3, of den tabernakel; niet alleen den aardsen tempel of tabernakel, maar veel meer den tempel hierboven in den hemel. Anders: vanwege zijne heiligheid.3 in het uitspansel Hebr. in zijne uitspanning der sterkte; dat is, in zijn sterk uitspansel; dat is, omdat Hij zijne kracht, of sterkte; ziende op hetgeen geschreven staat Gen. 1:6. Zie ook Ps. 19.Vers 2 Looft Hem vanwege Zijn mogendheden; looft Hem naar de menigvuldigheid Zijner grootheid!4 Zijn mogendheden; Dat is, zijn krachtige en geweldige daden, gelijk Ps. 145:4.5 naar de menigvuldigheid Of, naar de veelheid zijner heerlijkheid; dat is, vanwege zijne grote en menigvuldige macht en heerlijkheid.Vers 3 Looft Hem met geklank der bazuin; looft Hem met de luit en met de harp!Vers 4 Looft Hem met de trommel en fluit; looft Hem met snarenspel en orgel!6 fluit; Gelijk Ps. 149:3.7 orgel! Het Hebr. woord wordt zelden gevonden en derhalve wordt het verscheidenlijk overgezet. Het betekent een lieflijk instrument door Jubal uitgevonden, Gen. 4:21. Zie Job 21:12, en Job 30:31.Vers 5 Looft Hem met hel klinkende cimbalen; looft Hem met cimbalen van vreugdegeluid!8 hel klinkende Of, lieflijk klinkende. Hebr. hoorcimbalen; dat is, die lieflijk zijn om aan te horen; deze muziekinstrumenten waren van metaal, als schellen of bellen.Vers 6 Alles, wat adem heeft, love den Heere! Hallelujah!9 Alles, wat Hebr. alle adem. Zie de aantekening bij Gen. 7:22. Deze woorden verklaart de apostel Johannes breder aldus: En alle schepsel, dat in de hemel is en op de aarde en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles wat in dezelve is, hoorde ik zeggen: Hem, die op den troon zit, en het Lam zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid; Openb. 5:13.