Advertentie

Psalm 140

13 verzen · 27 kanttekeningen · Statenvertaling · Berijming 1773

Gebed om bescherming tegen goddeloze mensen

Vers 1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester. (140:2) Red mij, Heere! van den kwaden mens; behoed mij voor den man alles gewelds;1 voor den opperzangmeester. Zie Ps. 4:1.2 van den kwaden Enigen verstaan hier door den kwaden mens Doëg, anderen Saul. Anderen stellen hier: de kwade mensen; te weten, die David vijandelijk vervolgden, gelijk Ps. 140:3.3 den man alles Hebr. den man der gewelden. Zie 2 Sam. 22:49.Vers 2 (140:3) Die veel kwaads in het hart denken, allen dag samenkomen om te oorlogen.4 Die veel De zin is: Die mij zoeken te onderdrukken, niet alleen met geweld, maar ook door listen en praktijken.5 kwaads in Hebr. kwaden.Vers 3 (140:4) Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.6 scherpen hun De natuurkundigen schrijven dat de slangen hare tongen scherpen als zij iemand menen te steken. Verg. Ps. 58:5.7 heet addervergift Versta hier, zodanige adders, die haar vergif ver uitschieten kunnen.Vers 4 (140:5) Bewaar mij, Heere! van de handen des goddelozen; behoed mij van den man alles gewelds; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.8 van den man Zie boven Ps. 140:2.9 mijn voeten Of, mijne treden, of gangen; te weten, opdat ik zou vallen.Vers 5 (140:6) De hovaardigen hebben mij een strik verborgen, en koorden; zij hebben een net uitgespreid aan de zijde des wegs; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela.10 aan de zijde Hebr. aan de hand van het spoor; dat is, van het pad; namelijk, hetwelk zij weten dat ik pleeg te gaan.Vers 6 (140:7) Ik heb tot den Heere gezegd: Gij zijt mijn God; neem ter ore, o Heere! de stem mijner smekingen.Vers 7 (140:8) Heere, Heere, Sterkte mijns heils! Gij hebt mijn hoofd bedekt ten dage der wapening.11 Sterkte mijns Dat is, mijn sterk heil, mijn sterkte verlosser, die de macht heeft mij te helpen en te verlossen.12 Gij hebt mijn Dat is, Gij hebt mij bewaard voor alle gevaren en zwarigheden, mijn hoofd als met een stormhoed of schild bedekkende.13 wapening. Dat is, des gevechts, of des strijds.Vers 8 (140:9) Geef, Heere! de begeerten des goddelozen niet; bevorder zijn kwaad voornemen niet; zij zouden zich verheffen. Sela.14 Geef, HEERE! Dat is, geeft den goddeloze niet hetgeen hij begeert; te weten, dien goddeloze, die mij zoekt om te brengen.15 zij zouden zich Dat is, zij zouden niet dan te trotser en moedwilliger worden, indien zij het al naar hunnen wens hadden. Verg. Deut. 32:27.Vers 9 (140:10) Aangaande het hoofd dergenen, die mij omringen, de overlast hunner lippen overdekke hen.16 het hoofd Versta hier, een bozen man, die de voornaamste geweest is onder Davids vijanden, hetzij Saul of een ander. Anders: den hoofden; dat is, de voornaamsten en oversten onder de vijanden, in het getal van velen, gelijk Ps. 140:11; of den hoop. Verg. Job 1:17. Anders: het vergif. Zie boven Ps. 140:4.17 de overlast Te weten, de overlast, of de moeite die het voorzeide hoofd, met degenen die mij omringen, mij met hun kwade tongen aandoen.Vers 10 (140:11) Vurige kolen moeten op hen geschud worden; Hij doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen, dat zij niet weder opstaan.18 Vurige kolen Dat is, het vuur van den hemel, gelijk op Sodom en Gomorra, tot hun uitroeiing.19 Hij doe hen Te weten, God.20 vuur, Te weten, in het helse vuur.21 in diepe Dat is, in zware pijnen en ellenden.Vers 11 (140:12) Een man van kwade tong zal op de aarde niet bevestigd worden; een boos man des gewelds, dien zal men jagen, totdat hij geheel verdreven is.22 Een man van Dat is, een kwaadspreker of snapper, die zijne tong tot zijn wil heeft, die gebruikende en misbruikende naar zijn welgevallen. Alzo staat er Zie de aantekening bij Job 11:2, een man der lippen. bij Exod. 4:10, een man der woorden; bij Job 22:8, een man der wapenen.23 een boos man Anders: een man des gewelds is boos.24 zal men jagen, Dat is, hij zal eindelijk door zijn eigen boosheid en kwade daden in het verdriet vallen, gelijk een wild dat gejaagd wordt, nadat hij hier en daar gelopen heeft, eindelijk ten verderve komt.25 totdat hij Hebr. tot nederstotingen, of verdrijvingen.Vers 12 (140:13) Ik weet, dat de Heere de rechtzaak des ellendigen, en het recht der nooddruftigen zal uitvoeren.26 zal uitvoeren. Hebr. zal doen; te weten, hen verlossende uit de handen hunner tegenpartijders. Zie 1 Kon. 8:45.Vers 13 (140:14) Gewisselijk, de rechtvaardigen zullen Uw Naam loven; de oprechten zullen voor Uw aangezicht blijven.27 zullen voor Dat is, Gij zult hen altoos met uwe genade, hulp en bescherming bijstand doen.

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.