Advertentie

Psalm 114

8 verzen · 16 kanttekeningen · Statenvertaling · Berijming 1773

Het wonder van de uittocht

Vers 1 Toen Israël uit Egypte toog, het huis Jakobs van een volk, dat een vreemde taal had;1 Israël uit Egypte toog, Dat is, het volk Israël, de Israëlieten.2 het huis Jakobs Dat is, het geslacht, de nakomelingen.3 een vreemde taal had; Of, onbekende, zeldzame spraak; verstaande daarbij de taal der Egyptenaars. Het woord dat hier in den Hebr. tekst staat, wordt nergens anders dan hier gevonden. De apostel noemt 1 Cor. 14:11 een barbaar, die een vreemde, onbekende spraak gebruikt.Vers 2 Zo werd Juda tot Zijn heiligdom, Israël Zijn volkomene heerschappij.4 Juda Versta onder Juda al het volk van Israël.5 tot Zijn heiligdom, Te weten, tot des Heeren heiligdom; dat is de Heere heiligde zich het volk Israël toe om zijn bijzonder volk te wezen, waar Hij de Heere en Koning over was. Zie Exod. 6:6, en Exod. 19:6.6 Israël Zijn Dat is, het volk Israël.7 volkomene heerschappij. Hebr. zijne heerschappijen. God was tevoren wel Heere over Israël, als over zijn eigen volk; maar in het uitvoeren van hetzelve uit Egypte heeft Hij het allerklaarlijkst doen blijken, en Hij heeft dat volk daardoor vaster aan Hem verbonden. Zie Exod. 6:6, en Exod. 20:2.Vers 3 De zee zag het, en vlood; de Jordaan keerde achterwaarts.8 zee zag het, Versta hier de Rode zee, door welke de Israëlieten droogvoets getogen zijn; Exod. 14:21; Ps. 77:17, en Ps. 78:13.9 de Jordaan keerde Zie Joz. 3:16.Vers 4 De bergen sprongen als rammen, de heuvelen als lammeren.10 bergen sprongen Versta hier, de bergen Sinaï, Horeb en andere in de woestijn, die gesidderd en gebeefd en zich bewogen hebben, vanwege de tegenwoordigheid, van God, als Hij zijne wet gaf; Exod. 19:18; Ps. 68:9; Hab. 3:6,10.11 als lammeren. Hebr. gelijk zonen der schapen, of geiten, dat zijn lammeren. Zie ook Ps. 29:6.Vers 5 Wat was u, gij zee! dat gij vloodt? gij Jordaan! dat gij achterwaarts keerdet?9 Jordaan! Zie Joz. 3:16.Vers 6 Gij bergen, dat gij opsprongt als rammen? gij heuvelen! als lammeren?10 Gij bergen, Versta hier, de bergen Sinaï, Horeb en andere in de woestijn, die gesidderd en gebeefd en zich bewogen hebben, vanwege de tegenwoordigheid, van God, als Hij zijne wet gaf; Exod. 19:18; Ps. 68:9; Hab. 3:6,10.11 als lammeren? Hebr. gelijk zonen der schapen, of geiten, dat zijn lammeren. Zie ook Ps. 29:6.Vers 7 Beef, gij aarde! voor het aangezicht des Heeren, voor het aangezicht van den God Jakobs;12 Beef, gij aarde! Hij wil zeggen: Gelijk gij ditmaal voor Hem hebt gebeefd, alzo zult gij ook voortaan voor Hem beven, want men is Hem vreze schuldig; Mal. 1:6.Vers 8 Die den rotssteen veranderde in een watervloed, den keisteen in een waterfontein.13 Die den rotssteen Dat is, die uit den rotssteen een watervloed heeft doen vloeien. Zie Exod. 17:6; Num. 20:11.

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.