Liturgie

Wij behoren naar den dood te verlangen. Wij moeten uit dit lichaam verhuizen, eer wij bij den Heere komen

Dit is nummer 12 van de Ziekentroost.

Dit nu zekerlijk wetende, dat wij door Christus met God verzoend zijn, zo behoren wij (volgens Gods Woord) een volkomen begeerte te hebben om ontslagen te zijn van dit sterfelijk lichaam, waardoor wij moeten komen tot de heerlijke erfenis van alle kinderen Gods, welke ons in de hemelen bereid is. Ditzelfde heeft ook Paulus, dat door God uitverkoren vat, begeerd, waar hij zegt: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods en der zonde? Voorts zegt hij nog: Want wij weten dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, dat eeuwig in de hemelsen is. En wij verlangen daarmede overkleed te worden. En wij hebben altijd goeden moed, en weten dat wij, inwonende in het lichaam, uitwonen van den Heere. Daarom hebben wij meer behagen om uit het lichaam uit te wonen en bij den Heere in te wonen. Nog zegt Paulus: Want wij weten dat het ganse schepsel met ons zucht; en niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams. En dewijl wij gasten en vreemdelingen zijn op de aarde, wie zou niet te huis in zijn vaderland begeren te wezen? Want wij wandelen hier door het geloof en niet door aanschouwen; want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; wij zullen Hem zien gelijk Hij is. Wie zou niet verlangen naar deze aanschouwing, dewijl wij zien dat de heilige mannen Gods daarnaar verlangd hebben? Gelijk wij in den psalm aldus lezen: Gelijk een hert dat gejaagd is, schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God. Mijn ziel dorst naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen? Mijn tranen zijn mij tot spijze dag en nacht, omdat zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God? Deze onuitsprekelijk heerlijke aanschouwing van God is zo groot (gelijk de profeet getuigt), dat geen oog heeft gezien, en geen oor heeft gehoord, en in geens mensen hart is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien die Hem liefhebben. Wederom zegt David: Want één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid. Hoe lieflijk zijn Uw woningen, o HEERE der heirscharen! Welgelukzalig zijn zij die in Uw huis wonen; zij prijzen U gestadiglijk. En wij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten. Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht. Dit is de heerlijke woning waar Christus bij Johannes van zegt: In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zou Ik het u gezegd hebben. Ik ga heen om u plaats te bereiden; en Ik kom weder, en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt waar Ik ben. Te weten, in dat nieuwe Jeruzalem, dat geen zon of maan behoeft; want de heerlijkheid Gods verlicht haar, en het Lam is haar Kaars. Daar zal God alle tranen van onze ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; die de laatste vijand is, welken de Heere aan Zijn voeten onderwerpen zal. Daar heeft God een heerlijke bruiloft bereid, waar wij met Abraham, Izak en Jakob zullen aanzitten aan de tafel des Heeren. En zalig zijn zij die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft des Lams.

Ga naar ziekentroost 13: Waar wij heengaan, als wij vanhier verscheiden
of ziekentroost 11: Christus bidt voor ons


Toon nummering: naast | in tekst | niet
Deze pagina afdrukken