Advertentie

1 Kronieken 13

14 verzen · 21 kanttekeningen · Statenvertaling

Vers 1 En David hield raad met de oversten der duizenden en der honderden, en met alle vorsten.1 David Te weten, nadat hij Jeruzalem had ingenomen en meester geworden was van den burg Zion, op welken hij de ark des Heeren wilde laten brengen.Vers 2 En David zeide tot de ganse gemeente van Israël: Indien het ulieden goeddunkt, en van den Heere, onzen God, te zijn, laat ons ons uitbreiden, laat ons zenden aan onze overige broeders, in alle landen van Israël, en de priesters en Levieten, die met hen zijn in de steden, met haar voorsteden, opdat zij tot ons vergaderd worden.2 Indien Hebreeuws, zo het aan, of bij ulieden goed [is].3 ons ons uitbreiden, Hebreeuws, laat ons uitbarsten, of uitbreken, en laat ons zenden; dat is, wijd en zijd aan alle plaatsen in Israël uitzenden. Het is een verbloemde manier van spreken, genomen van de overvloeiende wateren.4 met haar voorsteden, Hebreeuws, harer voorsteden.Vers 3 En laat ons de ark onzes Gods tot ons wederhalen, want wij hebben ze in de dagen van Saul niet gezocht.5 wij hebben Dat is, wij hebben niet veel daarop gepast, noch grote achting op dezelve gegeven; want dewijl de ark te Kiriath-Jearim was, en de tabernakel met het altaar, waar men de offeranden op offerde, te Gibeon stond, zo maakten velen onder de Israëlieten geen groot werk van de ark, maar zij deden hun godsdienst in den tabernakel, die zonder ark was.Vers 4 Toen zeide de ganse gemeente, dat men alzo doen zou; want die zaak was recht in de ogen des gansen volks.6 die zaak Dat is, deze voorstelling des konings beviel het ganse volk wel, en het vond zulks al goed.Vers 5 David dan vergaderde gans Israël van het Egyptische Sichor af, tot daar men komt te Hamath, om de ark Gods te brengen van Kirjath-jearim.7 Sichor af, Zie van deze rivier Joz. 13:3,5. Dit was de uiterste grens des lands Kanaän tegen het zuiden, gelijk Hamath de uiterste grens was tegen het noorden. Zodat hier de gehele lengte des lands Kanaäns te kennen wordt gegeven.8 de ark Gods Deze historie wordt eerst beschreven 2 Sam. 6:2, enz.9 Kirjath-jearim. Daar was zij gebracht toen zij uit der Filistijnen land kwam, 1 Sam. 6:21, en 1 Sam. 7:1.Vers 6 Toen toog David op met het ganse Israël naar Baäla, dat is, Kirjath-jearim, hetwelk in Juda is, dat hij van daar ophaalde de ark Gods, des Heeren, Die tussen de cherubim woont, waar de Naam wordt aangeroepen.10 Baäla, Baäla en Kiriath-Jearim was een en dezelfde stad, Joz. 15:9,60.11 cherubim Zie de aantekening 1 Sam. 4:4.Vers 7 En zij voerden de ark Gods op een nieuwen wagen uit het huis van Abinadab. Uza nu en Ahio leidden den wagen.12 zij voerden Dit was tegen het uitgedrukte bevel Gods, Num. 4:15, waar de Heere beveelt dat de priesters de ark op hun schouders dragen zullen. Zie onder, 1 Kron. 15:2,13.Vers 8 En David en gans Israël speelden voor het aangezicht Gods met alle macht, zo met liederen, als met harpen, en met luiten, en met trommelen, en met cimbalen, en met trompetten.13 Gods Die zijn tegenwoordigheid boven de ark openbaarde. Alzo 1 Kron. 13:10. Zie 2 Sam. 6:2.Vers 9 Toen zij aan den dorsvloer van Chidon gekomen waren, zo strekte Uza zijn hand uit, om de ark te houden, want de runderen struikelden.14 Chidon Anders, Nachon, 2 Sam. 6:6.15 struikelden. Zie 2 Sam. 6:6.Vers 10 Toen ontstak de toorn des Heeren over Uza, en Hij sloeg hem, omdat hij zijn hand had uitgestrekt aan de ark; en hij stierf aldaar voor het aangezicht Gods.16 ontstak Niemand mocht de ark met de hand aanroeren, dan alleen de priesters, Num. 4:15, van welk geslacht Uza niet was, hoewel hij een Leviet was.Vers 11 En David ontstak, dat de Heere een scheur gescheurd had aan Uza; daarom noemde hij diezelve plaats Perez-uza, tot op dezen dag.17 ontstak, Zie 2 Sam. 6:8.18 hij diezelve plaats Te weten, David, gelijk 2 Sam. 5:20.19 Perez-uza, Dat is, scheur, of reet van Uzoe.20 tot op dezen dag. De reden zou aldus vol zijn: Welke zo heet tot op dezen dag.Vers 12 En David vreesde den Heere te dien dage, zeggende: Hoe zal ik de ark Gods tot mij brengen?Vers 13 Daarom liet David de ark niet tot zich brengen in de stad Davids, maar deed ze afwijken in het huis van Obed-edom, den Gethiet.21 Obed-edom, Deze Obed-Edom is een Leviet geweest.Vers 14 Alzo bleef de ark Gods bij het huisgezin van Obed-edom, in zijn huis, drie maanden; en de Heere zegende het huis van Obed-edom, en alles, wat hij had.

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.