Vers 1 Het geschiedde nu ten tijde van de wederkomst des jaars, ten tijde als de koningen uittrokken, zo voerde Joab de heirkracht, en hij verdierf het land der kinderen Ammons; en hij kwam, en belegerde Rabba; maar David bleef te Jeruzalem. En Joab sloeg Rabba, en verwoestte ze.1 geschiedde Zie de nadere verklaring van verscheidene duistere plaatsen van 1 Kron. 20, 2 Sam. 11:1, enz., en 2 Sam. 12:26, enz.2 uittrokken, Te weten, te veld, met hun heirlegers.3 Rabba; De hoofdstad der Ammonieten. Zie 2 Sam. 12:26,29.4 verwoestte ze. Dat is, hij vernielde de stad en wierp haar te gronde.Vers 2 En David nam de kroon huns konings van zijn hoofd, en hij bevond haar in gewicht een talent gouds, en daar was edelgesteente aan; en zij werd op Davids hoofd gezet, en hij voerde zeer veel roofs uit de stad.5 En David Zie 2 Sam. 12:27, enz.6 en hij voerde Hebreeuws, en den roof der stad voerde hij uit, gans veel, of die zeer veel was.Vers 3 Hij voerde ook al het volk uit, dat daarin was, en hij zaagde ze met de zaag, en met ijzeren dorswagens, en met bijlen; en alzo deed David aan al de steden der kinderen Ammons. Toen keerde David wederom met al het volk naar Jeruzalem.7 en met bijlen; Anders, ja met zagen.Vers 4 En het geschiedde daarna, als de krijg met de Filistijnen te Gezer opstond, toen sloeg Sibchai, de Husathiet, Sippai, die van de kinderen van Rafa was; en zij werden ten ondergebracht.8 Gezer Zie 2 Sam. 5:25, en 2 Sam. 21:18.9 Sippai, Hij wordt Saf genoemd, 2 Sam. 21:18.10 Rafa was; Zie Deut. 2:11.11 zij werden Te weten, de Filistijnen.Vers 5 Daarna was er nog een krijg tegen de Filistijnen, en Elhanan, de zoon van Jaïr, versloeg Lachmi, den broeder van Goliath, den Gethiet, wiens spieshout was als een weversboom.12 Jaïr, Hij wordt Jaäre Oregim genoemd, 2 Sam. 21:19.Vers 6 Daarna was er nog een krijg te Gath; en daar was een zeer lang man, en zijn vingeren waren zes en zes, vier en twintig, en hij was ook van Rafa geboren;13 een zeer lang man, Hebreeuws, een man van mate; dat is, waar veel aan te meten was, dat is, een zeer groot of lang man, gelijk Num. 13:31; 2 Sam. 21:20.14 zijn vingeren Dat is, hij had aan iedere hand zes vingers en aan iederen voet zes tenen, makende tezamen vier en twintig, zo vingers als tenen.Vers 7 En hij hoonde Israël, maar Jonathan, de zoon van Simea, den broeder van David, versloeg hem.15 hij hoonde Israël, Zie 1 Sam. 17:10.16 Simea, Anders, Samma, 1 Sam. 16:9.Vers 8 Dezen waren van Rafa geboren te Gath; en zij vielen door de hand van David, en door de hand zijner knechten.17 zij vielen Zie 2 Sam. 21:22.
Advertentie
1 Kronieken 20