Advertentie

1 Kronieken 7

40 verzen · 37 kanttekeningen · Statenvertaling

Vers 1 De kinderen van Issaschar waren Thola en Pua, Jasib en Simron; vier.1 Jasib Hij wordt Job genoemd, Gen. 46:13.Vers 2 De kinderen van Thola nu waren Uzzi, en Refaja, en Jeriël, en Jachmai, en Jibsam, en Samuël; hoofden van de huizen hunner vaderen, van Thola, kloeke helden in hun geslachten; hun getal was in de dagen van David twee en twintig duizend en zeshonderd.2 in de dagen van David Te weten, als David het volk door Joab deed tellen, 2 Sam. 24:1. Anderen verstaan dit van de ordening, die ten tijde van David over het ganse krijgsheir der Israëlieten gemaakt is geweest, 1 Kron. 27:1.Vers 3 En de kinderen van Uzzi waren Jizrahja; en de kinderen van Jizrahja waren Michaël, en Obadja, en Joël, en Jisia; deze vijf waren al te zamen hoofden.Vers 4 En met hen naar hun geslachten, naar hun vaderlijke huizen, waren de hopen des krijgsheirs zes en dertig duizend; want zij hadden vele vrouwen en kinderen.3 hadden Hebreeuws, zij vermenigvuldigden de vrouwen en de kinderen.Vers 5 En hun broeders, in alle huisgezinnen van Issaschar, kloeke helden, waren zeven en tachtig duizend, al dezelve in geslachtsregisters gesteld zijnde.Vers 6 De kinderen van Benjamin waren Bela, en Becher, en Jediael; drie.Vers 7 En de kinderen van Bela waren Ezbon, en Uzzi, en Uzziël, en Jerimoth, en Iri; vijf hoofden in de huizen der vaderen, kloeke helden; die, in geslachtsregisters gesteld zijnde, waren twee en twintig duizend en vier en dertig.Vers 8 De kinderen van Becher nu waren Zemira, en Joas, en Eliëzer, en Eljoënai, en Omri, en Jeremoth, en Abija, en Anathoth, en Alemeth; deze allen waren kinderen van Becher.Vers 9 Dezen nu in geslachtsregisters gesteld zijnde, naar hun geslachten, hoofden der huizen hunner vaderen, kloeke helden, waren twintig duizend en tweehonderd.Vers 10 De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeüs en Benjamin, en Ehud, en Chenaäna, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.Vers 11 Alle dezen waren kinderen van Jediael, tot hoofden der vaderen, kloeke helden, zeventien duizend en tweehonderd, uitgaande in het heir ten strijde.4 der vaderen Dat is, der vaderlijke geslachten.Vers 12 Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher.5 Suppim Zij worden Muppim en Huppim genoemd, Gen. 46:21. Ook Sefufam en Hufam, Num. 26:39.6 Huppim Anders, kinderen der stad; [dat is die in de stad woonden] maar Husim in een ander land, hetwelk zo te verstaan is dat de twee eersten in een stad geboren zijn, maar de twee anderen ergens in een ander land. Hebreeuws, kinderen Ahers, of een zoon eens anderen [persoons, te weten Dan, Gen. 46:23, of lands]. Hoe hij bij de kinderen Benjamins hier komt geteld te worden, is onzeker.7 waren kinderen Eigenlijk, neven, want Bilha was de moeder van Nafthali, dien zij Jakob gebaard heeft, Gen. 30:7,8.Vers 13 De kinderen van Nafthali waren Jahziël, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.8 Bilha. Rachels maagd, Gen. 30:3,4.Vers 14 De kinderen van Manasse waren Asriël, welken de vrouw van Gilead baarde; doch zijn bijwijf, de Syrische, baarde Machir, den vader van Gilead.9 kinderen van Manasse Dat is, de nakomelingen van Manasse, want Asriël was eigenlijk de zoon van Gilead, den zoon van Manasse; Num. 26:29,30.10 Machir, Machir was de eerstgeboren zoon van Manasse, Joz. 17:1. Aangaande het woord vader, zie boven, 1 Kron. 2:21.Vers 15 Machir nu nam tot een vrouw de zuster van Huppim en Suppim, en haar naam was Maächa; en de naam des tweeden was Zelafead. Zelafead nu had dochters.11 dochters Te weten, dochters alleen, geen zonen, Num. 27:1.Vers 16 En Maächa, de huisvrouw van Machir, baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Peres, en de naams zijns broeders was Seres, en zijn zonen waren Ulam en Rekem.Vers 17 De kinderen van Ulam nu waren Bedan; deze zijn de kinderen van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse.12 kinderen van Ulam Hier staat kinderen, maar daar wordt maar één kind genoemd, alzo ook boven, 1 Kron. 2:31,34.13 Bedan Zie de aantekening 1 Sam. 12:11.Vers 18 Belangende nu zijn zuster Molecheth, zij baarde Ishod, en Abiëzer, en Mahela.14 zijn zuster Molecheth, Te weten, van Gilead.Vers 19 De kinderen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aniam.15 Semida Versta hierbij, ook Semida, uit 1 Kron. 7:19. Zie Num. 26:32.Vers 20 En de kinderen van Efraïm waren Suthelah; en zijn zoon was Bered; en zijn zoon Tahath; en zijn zoon Elada; en zijn zoon Tahath;Vers 21 En zijn zoon was Zabad; en zijn zoon Suthelah, en Ezer, en Elad. En de mannen van Gath, die in het land geboren waren, doodden hen, omdat zij afgekomen waren om hun vee te nemen.16 mannen van Gath, Dezen waren Filistijnen, en hetgeen hier geschreven staat, is geschied als de kinderen Israëls nog in Egypte woonden, want Efraïm, die te dien tijde nog leefde, [gelijk te zien is 1 Kron. 7:22] is in Egypte gestorven. Zie Hand. 7:15,16.17 omdat zij afgekomen waren Anders, als zij, te weten, de Gethieten.Vers 22 Daarom droeg Efraïm, hun vader, vele dagen leed; en zijn broeders kwamen om hem te troosten.18 Daarom Te weten, omdat zijn kinderen gedood waren.19 broeders Dat is, zijn bloedvrienden, of maagschap, want Efraïm had maar één broeder, te weten Manasse.Vers 23 Daarna ging hij in tot zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Beria, omdat zij in ellende was in zijn huis.20 hij in tot zijn huisvrouw Te weten, opdat hij wederom kinderen mocht krijgen in de plaats der gedoden.21 Beria Of, Bria, dat is, in het kwaad, of in het ongeluk, of in jammer.22 zij in ellende was Te weten, omdat de Filistijnen van Gath hun zonen hadden doodgeslagen.Vers 24 Zijn dochter nu was Seëra, die bouwde het lage en het hoge Beth-horon, en Uzzen-seëra.23 Zijn dochter Te weten, Beria's.Vers 25 En Refah was zijn zoon, en Resef; en zijn zoon was Telah; en zijn zoon Tahan;24 zijn zoon, en Resef; Te weten, Beria's zoon.25 zijn zoon Te weten, Refahs zoon.Vers 26 Zijn zoon was Ladan; zijn zoon Ammihud; zijn zoon Elisama;26 Elisama Hij was de overste of vorst van den stam Efraïms, als de Israëlieten in de woestijn door Mozes gemonsterd werden, in het begin des tweeden jaars nadat zij uit Egypte getogen waren. Zie Num. 1:1,10.Vers 27 Zijn zoon was Non; zijn zoon Jozua.27 Zijn zoon was Non Anders, Nun, Num. 13:16.Vers 28 En hun bezitting en hun woning was Beth-el, en haar onderhorige plaatsen; en tegen het oosten Naäran, en tegen het westen Gezer en haar onderhorige plaatsen; en Sichem en haar onderhorige plaatsen, tot Gaza toe, en haar onderhorige plaatsen.28 hun bezitting Te weten, der Efraïmieten.29 onderhorige Hebreeuws, dochteren; en zo in het volgende.30 Naäran Anders, Naära, Joz. 16:7.31 Gaza Hebreeuws, Hazzah.Vers 29 En aan de zijden der kinderen van Manasse was Beth-sean en haar onderhorige plaatsen, Thaänach en haar onderhorige plaatsen, Megiddo en haar onderhorige plaatsen, Dor en haar onderhorige plaatsen. In deze hebben de kinderen van Jozef, den zoon van Israël, gewoond.32 zijden Hebreeuws, handen. Hij wil zeggen dat Beth-Sean, enz. aan de landpalen der kinderen van Manasse lag. Zie Joz. 17:11.Vers 30 De kinderen van Aser waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Beria, en Sera, hunlieder zuster.Vers 31 De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiël; hij is de vader van Birzavith.Vers 32 En Heber gewon Jaflet, en Somer, en Hotham, en Sua, hunlieder zuster.Vers 33 De kinderen van Jaflet nu waren Pasach, en Bimhal, en Asvath; dit waren de kinderen van Jaflet.Vers 34 En de zonen van Semer waren Ahi en Rohega, Jehubba en Aram.33 Semer Hij wordt Somer genoemd, 1 Kron. 7:32.Vers 35 En de kinderen van zijn broeder Helem waren Zofah, en Jimna, en Seles, en Amal.34 Helem Versta hierbij, en Helem, uit 1 Kron. 7:35.Vers 36 De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra,Vers 37 Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beëra.Vers 38 De kinderen van Jether nu waren Jefunne, en Pispa, en Ara.35 Jether Hij wordt 1 Kron. 7:36 Itran genoemd.36 Ulla Versta hierbij, ook Ulla, uit 1 Kron. 7:39.Vers 39 En de kinderen van Ulla waren Arah, en Hanniël, en Rizja.Vers 40 Deze allen waren kinderen van Aser, hoofden der vaderlijke huizen, uitgelezene kloeke helden, hoofden der vorsten; en zij werden in geslachtsregisters geteld ten heire in den krijg; hun getal was zes en twintig duizend mannen.37 uitgelezene Anders, pure kloeke mannen.

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.