Genezing van een verlamde
Vers 1 En in het schip gegaan zijnde, voer Hij over en kwam in Zijn stad. En ziet, zij brachten tot Hem een geraakte, op een bed liggende.1 Zijn stad. Namelijk Kapernaüm, waar Hij zijn woonplaats genomen had. Zie Matth. 4:13; Mark. 2:1.2 geraakte, Of lamme; gelijk Matth. 4:24.Vers 2 En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon! wees welgemoed; uw zonden zijn u vergeven.3 hun geloof ziende, Namelijk van de geraakte, als ook van degenen, die hem brachten.4 wees welgemoed, Of, vertrouw.Vers 3 En ziet, sommigen der Schriftgeleerden zeiden in zichzelven: Deze lastert God.5 lastert God. Namelijk God, zichzelven toeschrijvende hetgeen God alleen toekomt. Het Griekse woord betekent eigenlijk iemands goeden naam kwetsen, schenden of beschadigen. Zie Jes. 43:25 en Jes. 44:22.Vers 4 En Jezus, ziende hun gedachten, zeide: Waarom overdenkt gij kwaad in uw harten?6 ziende hun gedachten, Dat is, bekennende de overlegging huns gemoeds.Vers 5 Want wat is lichter te zeggen: De zonden zijn u vergeven? of te zeggen: Sta op en wandel?7 lichter, Want dezen beiden zijn even zwaar, en eigen werken van God.Vers 6 Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde, de zonden te vergeven (toen zeide Hij tot den geraakte): Sta op, neem uw bed op, en ga heen naar uw huis.8 Zoon des mensen Zo noemt Christus zichzelf omdat Hij, de Zoon van God zijnde, ook waarachtig mens is, uit den mensen en onder dien titel beloofd was, Dan. 7:13, alsook omdat Hij in een nederige staat was onder de mensen; Ezech. 1:26; Fil. 2:7,8.9 macht heeft op de aarde Namelijk omdat Hij in één persoon ook waarachtig God is; Hand. 20:28.Vers 7 En hij opgestaan zijnde, ging heen naar zijn huis.10 ging heen naar zijn huis. Namelijk zijn bed op zich genomen hebbende; gelijk Mark. 2:12, en Luk. 5:25 te zien is.Vers 8 De scharen nu dat ziende, hebben zich verwonderd, en God verheerlijkt, die zodanige macht den mensen gegeven had.
Matthéüs geroepen tot apostel
Vers 9 En Jezus, van daar voortgaande, zag een mens in het tolhuis zitten, genaamd Mattheüs; en zeide tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem.11 in het tolhuis zitten, Namelijk om de tol te ontvangen; want hij was een tollenaar; Matth. 10:3.12 Mattheüs; En was ook genaamd Levi. Zie Mark. 2:14, en Luk. 5:27; en is dezelfde, die dit Evangelie geschreven heeft.Vers 10 En het geschiedde, als Hij in het huis van Mattheüs aanzat, ziet, vele tollenaars en zondaars kwamen en zaten mede aan, met Jezus en Zijn discipelen.13 aanzat, Van de manier van aanzitten aan te tafel, zie Joh. 13:23.14 zondaars kwamen Dat is, metgezellen der tollenaars, die van de Joden voor grote zondaren gehouden werden, of in openbare zonden leefden.Vers 11 En de Farizeën, dat ziende, zeiden tot Zijn discipelen: Waarom eet uw Meester met de tollenaren en de zondaren?Vers 12 Maar Jezus, zulks horende, zeide tot hen: Die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn.15 gezond zijn, Grieks, sterk, kloek.16 ziek zijn. Grieks, die kwalijk tepas, of kwalijk gesteld zijn.Vers 13 Doch gaat heen en leert, wat het zij: Ik wil barmhartigheid, en niet offerande; want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.17 niet offerande; Dat is, Ik wil; dat is, Ik heb meer welgevallen aan de werken der barmhartigheid, waaronder ook de vlijt om iemand te bekeren voornamelijk begrepen wordt, dan aan offerande.18 rechtvaardigen, Omdat er zodanigen niet zijn, hoewel de Farizeën zich lieten voorstaan, dat zij zodanig waren; Luk. 18:9.
Het vasten
Vers 14 Toen kwamen de discipelen van Johannes tot Hem, zeggende: Waarom vasten wij en de Farizeën veel, en Uw discipelen vasten niet?Vers 15 En Jezus zeide tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen treuren, zolang de Bruidegom bij hen is? Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vasten.19 bruiloftskinderen treuren Grieks, de zonen; dat is, kinderen der bruiloftskamer, die men noemt speelgenoten. Zie Richt. 14:11; deze worden genaamd vrienden des bruidegoms; Joh. 3:29.Vers 16 Ook zet niemand een lap ongevold laken op een oud kleed; want deszelfs aangezette lap scheurt af van het kleed, en er wordt een ergere scheur.20 een lap Christus wil met deze gelijkenissen te kennen geven dat zijn discipelen nog al teder en zwak waren.21 ongevold laken Of, onbereid, nieuw, ongesleten; gelijk Luk. 5:36.22 aangezette lap Grieks, vervulsel.23 scheurt af van het kleed, Of, scheurt iets af, gelijk Mark. 2:21; namelijk het nieuwe van het oude, dat is, scheurt den aangezetten lap af.Vers 17 Noch doet men nieuwen wijn in oude leder zakken; anders zo bersten de leder zakken, en de wijn wordt uitgestort, en de leder zakken verderven, maar men doet nieuwen wijn in nieuwe leder zakken, en beide te zamen worden behouden.24 zo bersten de leder-zakken, Of, scheuren.
Het dochtertje van Jaïrus opgewekt. Een vrouw genezen
Vers 18 Als Hij deze dingen tot hen sprak, ziet, een overste kwam en aanbad Hem, zeggende: Mijn dochter is nu terstond gestorven, doch kom en leg Uw hand op haar, en zij zal leven.25 overste kwam Namelijk der synagoge, genaamd Jaïrus. Zie Mark. 5:22; Luk. 8:41.26 leven. Dat is, weder levend worden.Vers 19 En Jezus opgestaan zijnde, volgde hem, en Zijn discipelen.Vers 20 (En ziet, een vrouw die twaalf jaren het bloedvloeien gehad had, komende tot Hem van achteren, raakte den zoom Zijns kleeds aan;27 van achteren, Omdat zij haar ziekte niet durfde openbaren.Vers 21 Want zij zeide in zichzelven: Indien ik alleenlijk Zijn kleed aanraak, zo zal ik gezond worden.28 Zijn kleed aanraak, Zij schreef deze kracht der gezondmaking aan het kleed niet toe, maar aan Jezus Christus zelf, die daar tegenwoordig was, gelijk blijkt uit het volgende Matth9:22, en uit Mark. 5:30, en Luk. 8:46. Zie dergelijke Matth. 14:36.29 gezond worden. Grieks, verlost, of behouden.Vers 22 En Jezus, Zich omkerende, en haar ziende, zeide: Wees welgemoed, dochter! uw geloof heeft u behouden. En de vrouw werd gezond van dezelve ure af.)Vers 23 En als Jezus in het huis des oversten kwam, en zag de pijpers en de woelende schare,30 de pijpers en de woelende schare. Die met treurig fluiten de lieden tot wenen en klagen over de doden zochten te verwekken; welk gebruik de Joden van de heidenen ontleend hadden.Vers 24 Zeide Hij tot hen: Vertrekt; want het dochtertje is niet dood, maar slaapt. En zij belachten Hem.31 niet dood, maar slaapt. Namelijk om dood te blijven alzo Christus voorhad haar te verwekken. Anders wordt de dood gezegd geen dood maar een slaap te zijn, vanwege de algemene opstanding; Joh. 11:11.Vers 25 Als nu de schare uitgedreven was, ging Hij in, en greep haar hand; en het dochtertje stond op.32 stond op. Grieks, werd opgewekt; namelijk van den dood.Vers 26 En dit gerucht ging uit door dat gehele land.
Twee blinden genezen
Vers 27 En als Jezus van daar voortging, zijn Hem twee blinden gevolgd, roepende en zeggende: Gij Zone Davids, ontferm U onzer!33 Zone Davids, ontferm u onzer! De Messias was voor een zoon van David bekend, omdat Hij uit het geslacht Davids zou voorkomen, volgens de belofte aan David gedaan. Zie Matth. 1:1.Vers 28 En als Hij in huis gekomen was, kwamen de blinden tot Hem. En Jezus zeide tot hen: Gelooft gij, dat Ik dat doen kan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere!Vers 29 Toen raakte Hij hun ogen aan, zeggende: U geschiede naar uw geloof.Vers 30 En hun ogen zijn geopend geworden. En Jezus heeft hun zeer gestrengelijk verboden, zeggende: Ziet, dat niemand het wete.34 zeer gestrengelijk verboden Grieks, gedreigd met ernstige beweging des gemoeds.Vers 31 Maar zij, uitgegaan zijnde, hebben Hem ruchtbaar gemaakt door dat gehele land.
Een stomme genezen
Vers 32 Als dezen nu uitgingen, ziet, zo brachten zij tot Hem een mens, die stom en van den duivel bezeten was.35 stom en van den duivel bezeten was. Wien de duivel, waarvan hij bezeten was, de spraak benomen had.Vers 33 En als de duivel uitgeworpen was, sprak de stomme. En de scharen verwonderden zich, zeggende: Er is nooit desgelijks in Israël gezien!36 desgelijks in Israël gezien. Grieks, alzo.Vers 34 Maar de Farizeën zeiden: Hij werpt de duivelen uit door den overste der duivelen.37 overste der duivelen. Deze wordt Matth. 10:25 en Matth. 12:27 Beëlzebul genaamd. Want ook onder de onreine geesten is er een, die over de anderen heerschappij heeft. Zie Matth. 25:41.Vers 35 En Jezus omging al de steden en vlekken, lerende in hun synagogen, en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk.38 alle ziekte en alle kwale onder het volk Dat is, allerlei. Zie Matth. 4:23.Vers 36 En Hij, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen, die geen herder hebben.39 innerlijk met ontferming bewogen over hen, Grieks, werd in zijne ingewanden beroerd.40 vermoeid en verstrooid waren, Grieks, los en ontbonden.Vers 37 Toen zeide Hij tot Zijn discipelen: De oogst is wel groot; maar de arbeiders zijn weinige;41 groot, Grieks, veel.Vers 38 Bidt dan den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote.42 uitstote. Grieks, uitwerpe, dat is uitzende, hun door de kracht zijns Geestes gewillig en bekwaam gemaakt hebbende.