Johannes de Doper onthoofd
Vers 1 Te dierzelfder tijd hoorde Herodes, de viervorst, het gerucht van Jezus;1 Herodes Deze was een zoon van Herodes den Grote, en was toegenaamd Antipas.2 viervorst Grieks, Tetrarches; dat is een vorst over een vierde deel van een rijk. Want na den dood van Herodes den Grote is zijn rijk door de keizer Augustus verdeeld onder zijn zonen; waarvan bijna de helft, namelijk Judea, Samaria en Idumea, had Archelaüs de oudste zoon; een vierde part, namelijk Galilea en het land over de Jordaan deze Herodes; en het laatste vierde part, namelijk Iturea en Trachonitis had Filippus de jongste zoon. Zie Matth. 2:22; Luk. 3:1,19, en bij Josef. Antiq. lib. 17, cap. 13. Deze tetrarchen worden ook koningen genaamd, omdat zij als koningen regeerden. Zie hier Matth. 14:9; Mark. 6:14; Hand. 25:24.Vers 2 En zeide tot zijn knechten: Deze is Johannes de Doper; hij is opgewekt van de doden, en daarom werken die krachten in Hem.Vers 3 Want Herodes had Johannes gevangen genomen, en hem gebonden, en in den kerker gezet, om Herodias' wil, de huisvrouw van Filippus, zijn broeder.3 Herodes Deze geschiedenis wordt hier bij gelegenheid verhaald, hoewel zij tevoren geschied is. Zie Matth. 4:12.4 Herodias, Deze Herodias was de huisvrouw van Filippus, den broeder van Herodes, door wien zij verleid zijde, haren man verlaten heeft, en bij diens leven Herodes tot zijne vrouw genomen was. Zie Josef. Antiq. lib. 18, cap. 7,9.Vers 4 Want Johannes zeide tot hem: Het is u niet geoorloofd haar te hebben.5 te hebben. Namelijk ter vrouw.Vers 5 En willende hem doden, vreesde hij het volk, omdat zij hem hielden voor een profeet.Vers 6 Maar als de dag der geboorte van Herodes gehouden werd, danste de dochter van Herodias in het midden van hen, en zij behaagde aan Herodes.6 geboorte gehouden werd, Van zulk vieren der geboortedagen heeft men nog een voorbeeld Gen. 40:20.Vers 7 Waarom hij haar met ede beloofde te geven, wat zij ook zou eisen.Vers 8 En zij, te voren onderricht zijnde van haar moeder, zeide: Geef mij hier in een schotel het hoofd van Johannes den Doper.7 tevoren onderricht zijnde Of, opgemaakt en aangestuwd zijnde; nadat zij daarover hare moeder raad gevraagd had; Mark. 6:24.Vers 9 En de koning werd bedroefd; doch om de eden, en degenen, die met hem aanzaten, gebood hij, dat het haar zou gegeven worden;8 bedroefd; Niet zozeer om Johannes' wil, als om den ondanks des volks, dat hij vreesde.9 de eden en degenen, Namelijk die hij deze lichtvaardige danseres onbehoorlijk gedaan had, Matth. 14:7.Vers 10 En zond heen, en onthoofdde Johannes in den kerker.10 zond heen Namelijk een trawant of scherprechter, gelijk te zien is Mark. 6:27.Vers 11 En zijn hoofd werd gebracht in een schotel, en het dochtertje gegeven; en zij droeg het tot haar moeder.Vers 12 En zijn discipelen kwamen, en namen het lichaam weg, en begroeven hetzelve; en gingen en boodschapten het Jezus.
De wonderbare spijziging
Vers 13 En als Jezus dit hoorde, vertrok Hij van daar te scheep, naar een woeste plaats alleen; en de scharen, dat horende, zijn Hem te voet gevolgd uit de steden.11 vertrok hij vandaar Niet alleen om het gevaar te ontgaan, alzo zijne ure nog niet gekomen was, maar ook omdat zijne discipelen rust nodig hadden; Mark. 6:30,31.12 alleen; Of, uit den weg, aan de ene zijde.13 te voet gevolgd Want Christus was niet gevaren naar de ander zijde van de zee, maar over een inham, blijvende aan dezelfde zijde, waar zij Hem te voet konden volgen.Vers 14 En Jezus uitgaande, zag een grote schare, en werd innerlijk met ontferming over hen bewogen, en genas hun kranken.14 grote schare, Dat is, dat er veel volk was.Vers 15 En als het nu avond werd, kwamen Zijn discipelen tot Hem, zeggende: Deze plaats is woest, en de tijd is nu voorbijgegaan; laat de scharen van U, opdat zij heengaan in de vlekken en zichzelven spijze kopen.15 de tijd is nu voorbijgegaan; Grieks, de ure; namelijk van eten, of voedsel te nemen, of des daags, om het volk niet langer op te houden.Vers 16 Maar Jezus zeide tot hen: Het is hun niet van node heen te gaan, geeft gij hun te eten.Vers 17 Doch zij zeiden tot Hem: Wij hebben hier niet, dan vijf broden en twee vissen.Vers 18 En Hij zeide: Brengt Mij dezelve hier.Vers 19 En Hij beval de scharen neder te zitten op het gras, en nam de vijf broden en de twee vissen, en opwaarts ziende naar den hemel, zegende dezelve; en als Hij ze gebroken had, gaf Hij de broden den discipelen, en de discipelen aan de scharen.16 zegende Hij Het Grieks, woord betekent somtijds wel dankzeggen, maar moet hier voor zegenen, dat met dankzegging gevoegd is, genomen worden, gelijk te zien is Luk. 9:16, welke zegening geschied is door een bijzonder gebed, dat deze broden tot verzadiging van allen mochten gedijen; 1 Tim. 4:4,5.Vers 20 En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, het overschot der brokken, twaalf volle korven.17 zij namen op Namelijk de discipelen van Christus, gelijk blijkt uit Joh. 6:12.Vers 21 Die nu gegeten hadden, waren omtrent vijf duizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen.
Jezus wandelt op de zee
Vers 22 En terstond dwong Jezus Zijn discipelen in het schip te gaan, en voor Hem af te varen naar de andere zijde, terwijl Hij de scharen van Zich zou laten.18 dwong Jezus Namelijk met ernstige woorden, daar zij van Hem niet gaarne wilden scheiden.Vers 23 En als Hij nu de scharen van Zich gelaten had, klom Hij op den berg alleen, om te bidden. En als het nu avond was geworden, zo was Hij daar alleen.19 alleen, Zie het voorgaande Matth. 14:13.Vers 24 En het schip was nu midden in de zee, zijnde in nood van de baren; want de wind was hun tegen.20 zijnde in nood van de baren Grieks, gepijnigd; dat is, zeer geslingerd of geslagen van de baren.Vers 25 Maar ter vierde wake des nachts kwam Jezus af tot hen, wandelende op de zee.21 wake des nachts, De nacht werd toen afgedeeld in vier waken, elk van drie uren, waarvan de vierde met den dag eindigde: waarom dezelve ook de morgenwake genoemd wordt; Exod. 14:24; 1 Sam. 11:11. Zie Luk. 12:38.Vers 26 En de discipelen, ziende Hem op de zee wandelen, werden ontroerd, zeggende: Het is een spooksel! En zij schreeuwden van vreze.22 spooksel; Dat is, een geest, verschijnende in lichamelijke gedaante.Vers 27 Maar terstond sprak hen Jezus aan, zeggende: Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet.23 Ik ben het, Namelijk in der waarheid, en het is geen schijnsel of spook.Vers 28 En Petrus antwoordde Hem, en zeide: Heere! indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen op het water.Vers 29 En Hij zeide: Kom. En Petrus klom neder van het schip, en wandelde op het water, om tot Jezus te komen.Vers 30 Maar ziende den sterken wind, werd hij bevreesd, en als hij begon neder te zinken, riep hij, zeggende: Heere, behoud mij!Vers 31 En Jezus, terstond de hand uitstekende, greep hem aan, en zeide tot hem: Gij kleingelovige! waarom hebt gij gewankeld?24 gewankeld? Of, getwijfeld.Vers 32 En als zij in het schip geklommen waren, stilde de wind.Vers 33 Die nu in het schip waren, kwamen en aanbaden Hem, zeggende: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon!Vers 34 En overgevaren zijnde, kwamen zij in het land Gennesaret.Vers 35 En als de mannen van die plaats Hem werden kennende, zonden zij in dat gehele omliggende land, en brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren;Vers 36 En baden Hem, dat zij alleenlijk den zoom Zijns kleeds zouden mogen aanraken; en zovelen als Hem aanraakten, werden gezond.25 zoom zijns kleed Namelijk tot een teken dat zij van Hem wilden geholpen wezen, niet dat zij den zoom zulk ene kracht toeschreven. Zie dergelijke Matth. 9:21.26 hem aanraakten Of, dien, namelijk den zoom.