Advertentie

Exodus 20

26 verzen · 34 kanttekeningen · Statenvertaling

De wet der tien geboden

Vers 1 Toen sprak God al deze woorden, zeggende:1 sprak God Te weten, nadat Mozes en Aäron op den berg geklommen waren. Zie boven, Exod. 19:24.2 deze woorden, Dat is, deze navolgende tien geboden.Vers 2 Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.3 uit het diensthuis, Hebreeuws, uit het huis der dienstknechten.Vers 3 Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.4 geen andere goden Anders, geen anderen God.Vers 4 Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.5 Gij zult u geen gesneden beeld, Hiertegen strijdt niet dat, op Gods bevel, Mozes de cherubim, Exod. 25:18, en de koperen slang, Num. 21:8, enz. gemaakt heeft, dewijl zulks niet geschied is om dezelve enige godsdienstige eer te bewijzen.6 boven in den hemel is, Gelijk zon, maan, sterren, vogels, Deut. 4:19. Versta ook hieronder de engelen, Col. 2:18.7 op de aarde is, Gelijk mensen, viervoetige, of kruipende gedierten; Deut. 4:16,17; Jes. 44:13; Ezech. 23:14.8 in de wateren onder de aarde is. Gelijk vissen, slangen, draken, krokodillen, schildpadden. Zie Deut. 4:18, en Jes. 41:29.Vers 5 Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de Heere uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten;9 hen dienen; Te weten, noch de afgoden zelf, noch ook Mij door dezelven, gelijk Exod. 32:4,6, door het gouden kalf, en daarna de tien stammen door de twee gouden kalven, 1 Kon. 12:28.10 een ijverig God, God wordt genoemd een man zijns volks, Jer. 2:2; Hos. 2:19; afgoderij wordt hoerdom genoemd, Deut. 31:16; Richt. 2:17; Jer. 3:9,20; hierom wordt Gods toorn over deze zonde genoemd jaloezie.11 de kinderen, Dat is, nakomelingen; te weten, zodanigen, die de voetstappen van hun vaders navolgende, ook de zonde der afgoderij begaan.12 aan het derde, en aan het vierde Hebreeuws, aan de derde en aan de vierde.13 lid dergenen, Of, geslacht.Vers 6 En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden.Vers 7 Gij zult den naam des Heeren uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de Heere zal niet onschuldig houden, die Zijn naam ijdellijk gebruikt.14 ijdellijk gebruiken; Hebreeuws, tot ijdelheid opnemen. Zie Ps. 15:3, en Ps. 16:4, en Ps. 50:16.15 onschuldig houden, Of, zuiver.Vers 8 Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt.16 dat gij dien heiligt. Dat is, zondert hem af van uw gemeen werk, of dagelijksen arbeid, behorende tot dit tijdelijke leven, en besteedt denzelven om God te dienen met heilige werken, die de eer Gods, en het eeuwige en geestelijke leven aangaan.Vers 9 Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen;Vers 10 Maar de zevende dag is de sabbat des Heeren uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is;17 vee, Als, os, ezel, paard, kemel, olifant, enz.Vers 11 Want in zes dagen heeft de Heere den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de Heere den sabbatdag, en heiligde denzelven.18 heiligde denzelven. Zie Gen. 2:3.Vers 12 Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de Heere uw God geeft.19 opdat uw dagen verlengd worden in het land, Anders, opdat zij uw dagen verlengen; zij, te weten vader en moeder, door hun gebed, of zegen, welke veel bij God vermogen, gelijk ook ter contrarie hun vloek.Vers 13 Gij zult niet doodslaan.Vers 14 Gij zult niet echtbreken.Vers 15 Gij zult niet stelen.Vers 16 Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.20 spreken Anders, antwoorden.21 naaste. Door het woord naasten moet men hier verstaan alle mensen, gelijk Gen. 11:3; Esth. 1:19; Spreuk. 18:17. Zie Luk. 10:29,36, ja zelfs uw vijand.Vers 17 Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is.22 uws naasten huis; Vergelijk Deut. 5:21.Vers 18 En al het volk zag de donderen, en de bliksemen, en het geluid der bazuin, en den rokenden berg; toen het volk zulks zag, weken zij af, en stonden van verre;23 bliksemen, Hebreeuws, eigenlijk lampen; dat is, bliksem.24 weken zij af, Te weten, van den berg.Vers 19 En zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven!Vers 20 En Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen, opdat Hij u verzocht, en opdat Zijn vreze voor uw aangezicht zou zijn, dat gij niet zondigdet.25 opdat Hij u verzocht, Te weten, of gij zijn geboden zult gehoorzamen, gelijk gij, Exod. 19:8, beloofd hebt. Zie Gen. 22:1.Vers 21 En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid, alwaar God was.Vers 22 Toen zeide de Heere tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: Gij hebt gezien, dat Ik met ulieden van den hemel gesproken heb.26 dat Ik met ulieden van den hemel gesproken heb. Te weten, op den berg Sinaï. Zie Deut. 4:36; Neh. 9:13.Vers 23 Gij zult nevens Mij niet maken zilveren goden, en gouden goden zult gij u niet maken.Vers 24 Maakt Mij een altaar van aarde, en offert daarop uw brandofferen, en uw dankofferen, uw schapen, en uw runderen; aan alle plaats, waar Ik Mijns Naams gedachtenis stichten zal, zal Ik tot u komen, en zal u zegenen.27 brandofferen, Zie Gen. 8:20.28 dankofferen, Zie Lev. 3:1.29 waar Ik Mijns Naams gedachtenis stichten zal, Hebreeuws, waar ik mijns naams zal doen gedenken.30 zal Ik tot u komen, Te weten, om u mijn gunst en liefde te betonen.Vers 25 Maar indien gij Mij een stenen altaar zult maken, zo zult gij dit niet bouwen van gehouwen steen; zo gij uw houwijzer daarover verheft, zo zult gij het ontheiligen.31 een stenen altaar zult maken, Naderhand was het altaar van sittimhout, Exod. 27:1, en daarna van koper, 1 Kon. 8:64.Vers 26 Gij zult ook niet met trappen tot Mijn altaar opklimmen, opdat uw schaamte voor hetzelve niet ontdekt worde.32 met trappen tot Mijn altaar opklimmen, Nochtans was dit altaar drie ellen hoog, Exod. 27:1, en Salomo's altaar was tien ellen hoog, 2 Kron. 4:1, daaraan waren geen trappen om op te klimmen, maar de aarde was alzo opgehoogd, dat de priester allengskens als op een heuvel opwaarts klom, om tot voor het altaar te komen, en door een ieder gezien te worden.33 opdat uw schaamte Naderhand heeft God verordineerd dat de priesters linnen onderbroeken dragen zouden, Exod. 28:42,43.34 voor hetzelve niet ontdekt worde. Te weten, voor het altaar.

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.