Huwelijk van Izak
Vers 1 Abraham nu was oud en wel bedaagd; en de Heere had Abraham in alles gezegend.1 oud Zie boven Gen. 18:11. Abraham was in dezen tijd omtrent 140 jaren oud; want hij was honderd jaren oud toen Izak geboren werd, boven, Gen. 21:5; en Izak was 40 jaren oud, toen hij Rebekka trouwde; onder Gen. 25:20.2 wel Hebr. gaande in dagen; Zie deze manier van spreken boven, Gen. 18:11.3 gezegend. Zie bov. Gen. 12:2.Vers 2 Zo sprak Abraham tot zijn knecht, den oudste van zijn huis, regerende over alles, wat hij had: Leg toch uw hand onder mijn heup,4 den Hebr. den ouden. Versta den verzorger en opperknecht zijns huisgezins, genoemd Eliëzer van Damaskus. Zie boven, Gen. 15:2.5 Leg Een manier van doen, gebruikelijk in het eedzweren, dat de huisheer van zijn huisvolk vorderde, tot een teken van onderwerping en trouw. Zie ook onder Gen. 47:29. Anders heeft men ook in het zweren de handen opgeheven; boven, Gen. 14:22; Openb. 10:5.Vers 3 Opdat ik u doe zweren bij den Heere, den God des hemels, en den God der aarde, dat gij voor mijn zoon geen vrouw nemen zult van de dochteren der Kanaänieten, in het midden van welke ik woon;6 der Kanaänieten, Hebr. des Kanaänieters. Zie van dezen boven Gen. 10:15,16, enz.; van dezen wilde Abraham voor zijn zoon een vrouw hebben, omdat zij gans afgodisch, grote zondaren en buiten het verbond Gods waren. Verg. onder Gen. 28:1,2; Exod. 34:16; Deut. 7:3; Joz. 23:12; Ezra 9:1,2,3; Neh. 13:23,25, enz.; 2 Cor. 6:14,15. Van dit recht der ouders in de huwelijken der kinderen in het algemeen, zie boven Gen. 6:2 en Gen. 21:21.Vers 4 Maar dat gij naar mijn land, en naar mijn maagschap trekken, en voor mijn zoon Izak een vrouw nemen zult.7 mijn land Abrahams vaderland was Ur der Chaldeën, zijnde een gedeelte des gehelen lands, gelegen tussen de rivieren Eufraat en Tigris, waarin Mesopotamië, alwaar Nahor woonde, mede begrepen was.8 mijne maagschap Van wie hij tijding ontvangen had, boven Gen. 22:20. Deze waren wel door de bijwoning der afgodische ingezetenen ook met afgoderij besmet, gelijk blijkt ond. Gen. 31:19,30,32,35, en Joz. 24:2, maar niet zo gruwelijk vervallen in afgoderij en andere grove zonden, gelijk de verworpen Kanaänieten. Zie Deut. 12:30,31.Vers 5 En die knecht zeide tot hem: Misschien zal die vrouw mij niet willen volgen in dit land; zal ik dan uw zoon moeten wederbrengen in het land, waar gij uitgetogen zijt?9 En die Hier en in het vervolg blijkt de zonderlinge voorzichtigheid en godvruchtigheid van dezen dienstknecht, die vóór het zweren de mening van zijn heer volkomenlijk begeert te verstaan.10 vrouw Versta een jonge dochter, die Izaks vrouw zou worden.11 volgen Hebr. achter mij gaan. Alzo ond. Gen. 24:8.12 moeten Hebr. wederbrengende wederbrengen. Dit wordt gezegd niet ten aanzien van Izak, die daar nimmer geweest was, maar ten aanzien van Abraham, in wiens lenden Izak in dien tijd besloten was.Vers 6 En Abraham zeide tot hem: Wacht u, dat gij mijn zoon niet weder daarheen brengt!13 Wacht u, Eensdeels, omdat God hem en zijn toekomstig zaad in dit land Kanaän, met belofte van dat te erven, uit Chaldeën geroepen had; anderdeels om het perijkel van afgoderij, waartoe Izak had mogen verleid worden. Hebr. wordt bewaard, of behoed voor u,Vers 7 De Heere, de God des hemels, Die mij uit mijns vaders huis en uit het land mijner maagschap genomen heeft, en Die tot mij gesproken heeft, en Die mij gezworen heeft, zeggende: Aan uw zaad zal Ik dit land geven! Die Zelf zal Zijn Engel voor uw aangezicht zenden, dat gij voor mijn zoon van daar een vrouw neemt.Vers 8 Maar indien de vrouw u niet volgen wil, zo zult gij rein zijn van dezen mijn eed; alleenlijk breng mijn zoon daar niet weder heen.14 rein zijn Dat is, ontslagen en vrij of onschuldig zijn van den eed, dien ik u opleg.Vers 9 Toen legde de knecht zijn hand onder de heup van Abraham, zijn heer, en hij zwoer hem over deze zaak.Vers 10 En die knecht nam tien kemelen van zijns heren kemelen, en toog heen; en al het goed zijns heren was in zijn hand; en hij maakte zich op, en toog heen naar Mesopotamië, naar de stad van Nahor.15 al het Dat is, allerlei nodig en kostbaar goed nam hij met goedvinden van zijn heer mede, zo tot de reis, als tot verering, daar het in deze zaak dienstig zou wezen. Zie Gen. 24:54.16 Mesopotamië, Hebr. Syrië der twee rivieren; zo genoemd, omdat het gelegen was tussen twee rivieren, Tigris aan het oosten, en Eufraat aan het westen. Zie dezen naam ook Deut. 23:4; Richt. 3:8.17 stad van Dat is, waar Nahor woonde; zie boven Gen. 23:10. Versta de stad Haran, gelijk afgenomen wordt uit Gen. 28:10, en Gen. 29:4.Vers 11 En hij deed de kemelen nederknielen buiten de stad, bij een waterput, des avondtijds, ten tijde, als de putsters uitkwamen.18 deed de Om te rusten, of te pleisteren, zoals de gewoonte is van beesten wanneer zij vermoeid zijn.Vers 12 En hij zeide: Heere! God van mijn heer Abraham! doe haar mij toch heden ontmoeten, en doe weldadigheid bij Abraham, mijn heer.19 doe [haar] Te weten, de jonge dochter, of ook, mijn begeerte20 mij toch Hebr. voor mijn aangezicht.Vers 13 Zie, ik sta bij de waterfontein, en de dochteren der mannen dezer stad zijn uitgaande om water te putten;Vers 14 Zo geschiede, dat die jonge dochter, tot welke ik zal zeggen: Neig toch uw kruik, dat ik drinke; en zij zal zeggen: Drink, en ik zal ook uw kemelen drenken; diezelve zij, die Gij Uw knecht Izak toegewezen hebt, en dat ik daaraan bekenne, dat Gij weldadigheid bij mijn heer gedaan hebt.21 Zo Dit teken begeert hij niet uit mistrouwen of vermetelheid, maar uit een bijzonder vertrouwen, dat God in hem wrocht, die door zijn beleid dit alles zo geschikt had, gelijk de uitkomst zulks heeft bewezen, zoals in het volgende blijkt; zie dergelijke exempelen Richt. 6:17, Sam. 14:9,1022 toegewezen Anders, toegeschikt, of voorbereid.Vers 15 En het geschiedde, eer hij geëindigd had te spreken, ziet, zo kwam Rebekka uit, welke aan Bethuël geboren was, de zoon van Milka, de huisvrouw van Nahor, de broeder van Abraham; en zij had haar kruik op haar schouder.Vers 16 En die jonge dochter was zeer schoon van aangezicht, een maagd, en geen man had haar bekend; en zij ging af naar de fontein, en vulde haar kruik, en ging op.23 schoon Hebr. goed; zie boven, Gen. 6:2.24 geen man Zie deze manier van spreken boven, Gen. 19:8.Vers 17 Toen liep die knecht haar tegemoet, en hij zeide: Laat mij toch een weinig waters uit uw kruik drinken.Vers 18 En zij zeide: Drink, mijn heer! en zij haastte zich en liet haar kruik neder op haar hand, en gaf hem te drinken.Vers 19 Als zij nu voleindigd had van hem drinken te geven, zeide zij: Ik zal ook voor uw kemelen putten, totdat zij voleindigd hebben te drinken.Vers 20 En zij haastte zich, en goot haar kruik uit in de drinkbak, en liep weder naar den put om te putten, en zij putte voor al zijn kemelen.Vers 21 En de man ontzette zich over haar, stilzwijgende, om te merken, of de Heere zijn weg voorspoedig gemaakt had, of niet.25 ontzette Te weten, door grote blijdschap en verwondering, ziende dat het teken, hetwelk hij van de Heere verzocht had, zo haastelijk hem voor ogen kwam.26 stilzwijgende, Bedenkende bij zichzelven hoe wonderlijk de genadige voorzienigheid Gods zich hier vertoonde, en willende voortaan wel waarnemen of het volgende met dit begin geheel overeenkomen zou.Vers 22 En het geschiedde, als de kemelen voleindigd hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, welker gewicht was tien sikkelen gouds.27 voorhoofdsiersel Het Hebr. woord betekent hier voorhoofdsiersel, gelijk blijkt onder Gen. 24:47, Jes. 3:21; Ezech. 16:12. Somtijds betekent het ook een oorring of oorsiersel, onder, Gen. 35:4, en Exod. 32:2,3.28 een halve Het Hebr. woord wordt verklaard een halven sikkel; Exod. 38:26.29 sikkel, en Omtrent den zilveren sikkel, zie boven, Gen. 20:16. De gouden en de zilveren sikkels hadden beiden een gewicht, de algemene wegende 160 gastkorrels, of een half lood; de heilige nog eens zoveel, namelijk 320 korrels, of een geheel lood. Een lood goud was tienmaal zoveel als een lood zilvers. Een lood zilvers deed een halven rijksdaalder, en bijgevolg een lood gouds vijf rijksdaalders, of twaalf en een halven gulden.30 armringen Die men nu gewoonlijk noemt braceletten.31 aan haar Versta hierbij, hij gaf die, of legde die aan haar handen, gelijk het woord nemen, in dit vs. Gen. 24:22 gesteld, dikwijls gebruikt wordt, hebbende niet alleen zijn eigen betekenis, maar ook een andere daaronder begrijpende; zie boven, Gen. 12:15.Vers 23 Want hij had gezegd: Wiens dochter zijt gij? geef het mij toch te kennen; is er ook ten huize uws vaders plaats voor ons, om te vernachten?32 Want hij Verg. ond. Gen. 24:47.Vers 24 En zij had tot hem gezegd: Ik ben de dochter van Bethuël, den zoon van Milka, die zij Nahor gebaard heeft.33 den zoon Dit wordt hier bijgevoegd, opdat de knecht van Abraham zou weten en verstaan, dat zij echt en recht geboren was, uit de wettelijke en principale vrouw, en niet uit het bijwijf Reüma; zie bov., Gen. 22:23,24.Vers 25 Voorts had zij tot hem gezegd: Ook is er stro en veel voeders bij ons, ook plaats om te vernachten.Vers 26 Toen neigde die man zijn hoofd, en aanbad den Heere;34 neigde Het Hebr. woord betekent eigenlijk met het hoofd nederwaarts bukken.35 aanbad Het Hebr. woord betekent het nederbukken en krommen des gehelen lichaams; hetwelk hierin zich sluit een religieuzen en godsdienstigen eerbied tot God; verenigd met aanbidding; zie ook boven Gen. 22:5; idem, Ps. 66:4; Neh. 9:3, enz.Vers 27 En hij zeide: Geloofd zij de Heere, de God van mijn heer Abraham, Die Zijn weldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijn heer; aangaande mij, de Heere heeft mij op dezen weg geleid, ten huize van mijns heren broederen.36 Geloofd Zie boven Gen. 14:20.37 waarheid De getrouwheid in het houden zijner beloften. Alzo ond. Gen. 32:10; Ps. 143:1; Jes. 38:18,19.38 van mijn Hebr. van met, of van bij mijnen heer; versta te bewijzen, of te oefenen.39 aangaande Hebr. ik, dat is, wat mij aangaat; alzo wordt het genomen boven Gen. 9:9, en Gen. 17:4; 1 Kron. 28:2; Ps. 35:13, en Ps. 41:13, en elders.40 broederen. Dat is, magen, bloedvrienden. Zie boven, Gen. 13:8, en onder Gen. 24:48; Mark. 3:31,32.Vers 28 En die jonge dochter liep, en gaf ten huize harer moeder te kennen, gelijk deze zaken waren.Vers 29 En Rebekka had een broeder, wiens naam was Laban; en Laban liep tot dien man naar buiten tot de fontein.Vers 30 En het geschiedde, als hij dat voorhoofdsiersel gezien had, en de armringen aan de handen zijner zuster; en als hij gehoord had de woorden zijner zuster Rebekka, zeggende: Alzo heeft die man tot mij gesproken, zo kwam hij tot dien man, en ziet, hij stond bij de kemelen, bij de fontein.Vers 31 En hij zeide: Kom in, gij, gezegende des Heeren! waarom zoudt gij buiten staan? want ik heb het huis bereid, en de plaats voor de kemelen.41 gij gezegende Een voortreffelijke titel, dien de Israëlieten aan Gods voortreffelijke vrienden plachten te geven, beduidende dat God hun welgedaan had, en nog met zijn genade en weldadigheid hun steeds nabij was; zie onder, Gen. 26:29; Ruth 3:10; Ps. 115:15.42 bereid, Of, gezuiverd, gereinigd, uitgeruimd, en alles wat in den weg was, weggedaan. Alzo wordt het Hebreeuwse woord genomen Lev. 14:36.Vers 32 Toen kwam die man naar het huis toe, en men ontgordde de kemelen, en men gaf den kemelen stro en voeder; en water om zijn voeten te wassen, en de voeten der mannen, die bij hem waren.43 om zijn Zie boven, Gen. 18:4, en de aantek.Vers 33 Daarna werd hem te eten voorgezet; maar hij zeide: Ik zal niet eten, totdat ik mijn woorden gesproken heb. En hij zeide: Spreek!44 werd hem Hebr. voor zijn aangezicht werd gezet om te eten.45 hij zeide: Te weten Laban.Vers 34 Toen zeide hij: Ik ben een knecht van Abraham;46 knecht; Zie boven, Gen. 24:2.Vers 35 En de Heere heeft mijn heer zeer gezegend, zodat hij groot geworden is; en Hij heeft hem gegeven schapen, en runderen, en zilver, en goud, en knechten, en maagden, en kemelen, en ezelen.47 groot Dat is, rijk en machtig; alzo onder Gen. 26:13; 2 Kon. 4:8.Vers 36 En Sara, de huisvrouw van mijn heer, heeft mijn heer een zoon gebaard, nadat zij oud geworden was; en hij heeft hem gegeven alles, wat hij heeft.48 nadat zij Hebr. na haar ouderdom; dat is, door een bovennatuurlijke werking des Heeren, waaruit een ongewone zegening, volgens zijn beloftenis, te verwachten is.49 hij heeft Dat is, hij heeft hem erfgenaam van alles gemaakt.Vers 37 En mijn heer heeft mij doen zweren, zeggende: Gij zult voor mijn zoon geen vrouw nemen van de dochteren der Kanaänieten, in welker land ik wone;50 Gij zult voor mijn zoon geen vrouw nemen Zie boven, Gen. 24:3.Vers 38 Maar gij zult trekken naar het huis mijns vaders, en naar mijn geslacht, en zult voor mijn zoon een vrouw nemen!51 Maar gij Anders, zult gij niet trekken? of , zo gij niet trekt, enz; waarop dan verstaan moet worden: wee u of, zo doe u God dit of dat. Zie bov. Gen. 14:22,23, en Gen. 21:23.Vers 39 Toen zeide ik tot mijn heer: Misschien zal mij de vrouw niet volgen.Vers 40 En hij zeide tot mij: De Heere, voor Wiens aangezicht ik gewandeld heb, zal Zijn Engel met u zenden, en Hij zal uw weg voorspoedig maken, dat gij voor mijn zoon een vrouw neemt, uit mijn geslacht en uit mijns vaders huis.52 ik gewandeld Zie boven Gen. 17:1.Vers 41 Dan zult gij van mijn eed rein zijn, wanneer gij tot mijn geslacht zult gegaan zijn; en indien zij haar u niet geven, zo zult gij rein zijn van mijn eed.53 eed rein Anders, vloek, of eed van den vloek; dat is, van de straf die ieder, valselijk zwerende, op zich haalt.Vers 42 En ik kwam heden aan de fontein; en ik zeide: O, Heere! God van mijn heer Abraham! zo Gij nu mijn weg voorspoedig maken zult, op welke ik ga;Vers 43 Zie, ik sta bij de waterfontein; zo geschiede, dat de maagd, die uitkomen zal om te putten, en tot welke ik zeggen zal: Geef mij toch een weinig waters te drinken uit uw kruik;Vers 44 En zij tot mij zal zeggen: Drink gij ook, en ik zal ook uw kemelen putten; dat deze die vrouw zij, die de Heere aan den zoon van mijn heer heeft toegewezen.Vers 45 Eer ik geëindigd had te spreken in mijn hart, ziet, zo kwam Rebekka uit, en had haar kruik op haar schouder, en zij kwam af tot de fontein en putte; en ik zeide tot haar: Geef mij toch te drinken!Vers 46 Zo haastte zij zich en liet haar kruik van zich neder, en zeide: Drink gij, en ik zal ook uw kemelen drenken; en ik dronk, en zij drenkte ook de kemelen.Vers 47 Toen vraagde ik haar, en zeide: Wiens dochter zijt gij? En zij zeide: De dochter van Bethuël, den zoon van Nahor, welken Milka hem gebaard heeft. Zo leide ik het voorhoofdsiersel op haar aangezicht, en de armringen aan haar handen;54 op haar Of, op haar neus, zodat het van het voorhoofd nederwaarts hing op den neus.Vers 48 En ik neigde mijn hoofd, en aanbad den Heere; en ik loofde den Heere, den God van mijn heer Abraham, Die mij op den rechten weg geleid had, om de dochter des broeders van mijn heer voor zijn zoon te nemen.55 op den Hebr. den weg der waarheid; dat is, den waren of den rechten weg.56 broeders Dat is, bloedverwant, want Bethuël was de zoon van Nahor, Abrahams broeders. Zie bov. Gen. 24:27.Vers 49 Nu dan, zo gijlieden weldadigheid en trouw aan mijn heer doen zult, geeft het mij te kennen; en zo niet, geeft het mij ook te kennen, opdat ik mij ter rechter hand of ter linkerhand wende.57 trouw Hebr. waarheid.58 doen zult, Hebr. zo gij zijt doende.59 opdat ik Dat is, opdat ik mij elders op den enen of op den anderen weg begeven mag, om mijns heren last uit te voeren.60 wende. Of, omzie ter rechter-, of ter linkerhand.Vers 50 Toen antwoordde Laban, en Bethuël, en zeiden: Van den Heere is deze zaak voortgekomen; wij kunnen kwaad noch goed tot u spreken.61 Laban De zoon wordt hier vóór den vader gesteld, omdat hij, zoals men houdt, van den vader last had het woord te voeren, en het huisbestuur meest bij hem stond, zijnde zijn vader niet alleen dedaasd, maar ook misschien ziekelijk.62 Van den Hier blijkt dat bij deze lieden nog enige kennis en vreze van den waren God geweest is; zie hier Gen. 24:50 en Gen. 24:51.63 kwaad Dat is, wij kunnen er niets in tegenspreken; verg. onder, Gen. 31:24,25,29; en 2 Sam. 13:22.Vers 51 Zie, Rebekka is voor uw aangezicht; neem haar en trek henen; zij zij de vrouw van den zoon uws heren, gelijk de Heere gesproken heeft!64 neem haar Zie boven, Gen. 24:3.Vers 52 En het geschiedde, als Abrahams knecht hun woorden hoorde, zo boog hij zich ter aarde voor den Heere.Vers 53 En de knecht langde voort zilveren kleinoden, en gouden kleinoden, en klederen, en hij gaf die aan Rebekka; hij gaf ook aan haar broeder en haar moeder kostelijkheden.65 kleinoden Hebr. vaten van zilver, en vaten van goud, dat is, zilverwerk en goudwerk.66 kostelijkheden. Het Hebr. woord beduidt alles wat uitgelezen en kostelijk is, en in het bijzonder uitgelezen en kostelijke vruchten des lands. Zie Deut. 33:13,14,15; en 2 Kron. 21:3, en 2 Kron. 32:23; Ezra 1:6.Vers 54 Toen aten en dronken zij, hij en de mannen, die bij hem waren; en zij vernachtten, en zij stonden des morgens op, en hij zeide: Laat mij trekken tot mijn heer!Vers 55 Toen zeide haar broeder, en haar moeder: Laat de jonge dochter enige dagen, of tien, bij ons blijven; daarna zult gij gaan.67 enige Zie boven, Gen. 4:3. Sommigen verstaan door dagen of tien, een vol jaar [hetwelk een jaar der dagen genoemd wordt] of tien maanden. Het woord of wordt ook wel eens verstaan als: immers.68 zult gij Anders, zal zij.Vers 56 Maar hij zeide tot hen: Houdt mij niet op, dewijl de Heere mijn weg voorspoedig gemaakt heeft! laat mij trekken, dat ik tot mijn heer ga.Vers 57 Toen zeiden zij: Laat ons de jonge dochter roepen, en haar mond vragen.69 Laat ons Dat is, laat ons horen wat zij van dit haastig vertrek zal zeggen; want zij heeft toegestaan het huwelijk, om den wil van haar ouders en vrienden, en tot een teken daarvan de geschenken ontvangen.Vers 58 En zij riepen Rebekka, en zeiden tot haar: Zult gij met dezen man trekken? En zij antwoordde: Ik zal trekken.Vers 59 Toen lieten zij Rebekka, hun zuster, en haar voedster trekken, mitsgaders Abrahams knecht en zijn mannen.70 hun Versta, hun bloedverwante; want niet alleen Laban haar broeder, maar ook de andere bloedvrienden hebben afscheid van haar genomen, en alzo in het volgende vs.71 haar voedster Genaamd Debora: onder, Gen. 35:8.Vers 60 En zij zegenden Rebekka, en zeiden tot haar: O, onze zuster! wordt gij tot duizenden millioenen, en uw zaad bezitte de poort zijner haters!72 zij zegenden Zie bov. Gen. 14:19.73 wordt Zij wensen haar dat zij mag worden een moeder van ontelbare mensen; verg. Dan. 7:10.74 millioenen, Dat is tienduizenden.75 uw zaad Zie bov., Gen. 22:17.Vers 61 En Rebekka maakte zich op met haar jonge dochteren, en zij reden op kemelen, en volgden den man; en die knecht nam Rebekka, en toog heen.76 jonge Die de vrienden haar tot gezelschap en dienst medegaven.77 die knecht Te weten, Abrahams knecht.Vers 62 Izak nu kwam, van daar men komt tot den put Lachai-roi; en hij woonde in het zuiderland.78 den put Zie omtrent dezen put boven, Gen. 16:14, en Gen. 25:11.79 in het In het zuiden van het land Kanaän, omtrent Berseba en Gerar.Vers 63 En Izak was uitgegaan om te bidden in het veld, tegen het naken van den avond; en hij hief zijn ogen op en zag toe, en ziet, de kemelen kwamen!80 te bidden Of, om te denken, om te peinzen, dat is, om zijn zinnen met godzalige gedachten en aanbiddingen voor den Heere te oefenen.81 tegen Hebr. tegen, of met het aanzien van den avond, Alzo ook Exod. 14:27, tegen, of met het aanzien van den morgenstond, dat is, tegen het naken, enz.Vers 64 Rebekka hief ook haar ogen op, en zij zag Izak; en zij viel van den kemel af.82 zij viel Dat is, zij is haastig afgeklommen, uit ontsteltenis en bedenking of die persoon Izak mocht zijn; tegelijk den knecht daarnaar vragende. Anderen menen dat zij niet afgeklommen is, voordat zij van den knecht verstaan had, dat het Izak was; en in dien zin wordt het volgende vers door sommigen overgezet; want zij had gezegd tot den knecht, enz.Vers 65 En zij zeide tot den knecht: Wie is die man, die ons in het veld tegemoet wandelt? En de knecht zeide: Dat is mijn heer! Toen nam zij den sluier, en bedekte zich.83 bedekte Tot een teken van schaamte en onderwerping.Vers 66 En de knecht vertelde aan Izak al de zaken, die hij gedaan had.Vers 67 En Izak bracht haar in de tent van zijn moeder Sara; en hij nam Rebekka, en zij werd hem ter vrouw, en hij had haar lief. Alzo werd Izak getroost na zijner moeders dood.84 in de Zie bov. Gen. 18:10, en Gen. 23:2.85 na zijner Die nu drie jaren dood was. De langdurigheid van dezen rouw was een teken van zijn liefde jegens zijn moeder.