Advertentie

Lukas 22

71 verzen · 73 kanttekeningen · Statenvertaling

Tot Jezus' dood besloten 

Vers 1 En het feest der ongehevelde broden, genaamd pascha, was nabij.1 feest der ongehevelde broden, Van dit feest zie Exod. 12:14, enz., en Exod. 23:14, enz.2 nabij. Namelijk na twee dagen, Matth. 26:2.Vers 2 En de overpriesters en de Schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem ombrengen zouden; want zij vreesden het volk.

Het verraad van Judas 

Vers 3 En de satan voer in Judas, die toegenaamd was Iskariot, zijnde uit het getal der twaalven.3 voer in Judas, Niet lichamelijk, maar door zijn sterker ingeven en aansporen. Zie Joh. 13:2,27.Vers 4 En hij ging heen en sprak met de overpriesters en de hoofdmannen, hoe hij Hem hun zou overleveren.4 de hoofdmannen, Dat is, de overste des krijgsvolks, dat den tempel van buiten bewaarde. Zie Luk. 22:52; Hand. 4:1, en Hand. 5:24,26.Vers 5 En zij waren verblijd, en zijn het eens geworden, dat zij hem geld geven zouden.5 geld geven zouden. Namelijk dertig zilverlingen, Matth. 26:15. Versta, als hij Hem hun zou overgeleverd hebben.Vers 6 En hij beloofde het, en zocht gelegenheid, om Hem hun over te leveren, zonder oproer.6 gelegenheid, Of, bekwamen tijd.7 zonder oproer. Of, zonder schare; dat is in het afwezen van de schare, die Hem gemeenlijk volgde.

Het laatste Paasfeest 

Vers 7 En de dag der ongehevelde broden kwam, op denwelken het pascha moest geslacht worden.8 moest geslacht worden. Namelijk naar de wet, op den veertienden dag van de eerste maand, Exod. 12:6,18, welken dag Christus onderhouden heeft, maar de Joden hebben het uitgesteld tot op den volgenden dag, om de reden aangetekend Matth. 26:20.Vers 8 En Hij zond Petrus en Johannes uit, zeggende: Gaat heen, en bereidt ons het pascha, opdat wij het eten mogen.Vers 9 En zij zeiden tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij het bereiden?Vers 10 En Hij zeide tot hen: Ziet, als gij in de stad zult gekomen zijn, zo zal u een mens ontmoeten, dragende een kruik waters; volgt hem in het huis, daar hij ingaat.9 stad zult gekomen zijn, Namelijk Jeruzalem, waar het pascha alleen moest geslacht en gegeten worden. Zie Deut. 16:5,6,7.10 een kruik waters; Of, een aarden vat.Vers 11 En gij zult zeggen tot den huisvader van dat huis: De Meester zegt u: Waar is de eetzaal, daar Ik het pascha met Mijn discipelen eten zal?11 huisvader van dat huis: Grieks heer des huizes.12 zegt u: Dat is, laat u zeggen.13 eetzaal, Grieks uitspanning.Vers 12 En hij zal u een grote toegeruste opperzaal wijzen, bereidt het aldaar.14 toegeruste opperzaal wijzen, Of, gespreid; dat is, met tafels toebereid, en met beddekens, waarop zij eertijds plachten liggende te eten.Vers 13 En zij, heengaande, vonden het, gelijk Hij hun gezegd had, en bereidden het pascha.

Het Heilig Avondmaal 

Vers 14 En als de ure gekomen was, zat Hij aan, en de twaalf apostelen met Hem.15 ure gekomen was, Namelijk op welken het paaslam gegeten moest worden, op den veertienden dag der eerste maand, na zonsondergang. Zie Exod. 12:6; Deut. 16:6.Vers 15 En Hij zeide tot hen: Ik heb grotelijks begeerd, dit pascha met u te eten, eer dat Ik lijde;16 grotelijks begeerd, Grieks met begeerte begeerd. Een Hebreeuwse manier van spreken.Vers 16 Want Ik zeg u, dat Ik niet meer daarvan eten zal, totdat het vervuld zal zijn in het Koninkrijk Gods.17 het vervuld zal zijn Namelijk hetgeen door het pascha was afgebeeld, na welken tijd wij met Christus het geestelijke pascha houden; 1 Cor. 5:7.Vers 17 En als Hij een drinkbeker genomen had, en gedankt had, zeide Hij: Neemt dezen, en deelt hem onder ulieden.18 een drinkbeker genomen had, Deze eerste drinkbeker schijnt van Christus gegeven te zijn tot een besluit van het pascha, naar der Joden gewoonte, waarop de instelling des Avondmaals terstond is gevolgd, in welke na het uitdelen des broods ook de beker uitgedeeld is. Zie Luk. 22:19,20, en 1 Cor. 11:25.Vers 18 Want Ik zeg u, dat Ik niet drinken zal van de vrucht des wijnstoks, totdat het Koninkrijk Gods zal gekomen zijn.Vers 19 En Hij nam brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het, en gaf het hun, zeggende: Dat is Mijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.19 Dat is Mijn lichaam, De verklaring hiervan zie Matth. 26:26.20 gegeven wordt; Of, overgegeven; namelijk in den dood.Vers 20 Desgelijks ook den drinkbeker na het avondmaal, zeggende: Deze drinkbeker is het nieuwe testament in Mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt.21 avondmaal, Of, avondeten.22 Deze drinkbeker Dat is, deze wijn in den drinkbeker.23 is het nieuwe Alzo voegt Paulus dit woordje is daarbij; 1 Cor. 11:25.24 testament in Mijn bloed, Dat is, een teken en zegel des Nieuwen Testaments of Verbonds, hetwelk bevestigd is door het bloedvergieten van Jezus Christus; Hebr. 9:15,16,17.25 wordt. Dat is zal worden; namelijk aan het kruis.Vers 21 Doch ziet, de hand desgenen, die Mij verraadt, is met Mij aan de tafel.Vers 22 En de Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk besloten is; doch wee dien mens, door welken Hij verraden wordt!26 besloten is; Grieks bepaald; namelijk door den raad en de voorzienigheid Gods; Hand. 2:23, en Hand. 4:28.27 verraden wordt! Of overgeleverd.Vers 23 En zij begonnen onder elkander te vragen, wie van hen het toch mocht zijn, die dat doen zou.

De ware eer 

Vers 24 En er werd ook twisting onder hen, wie van hen scheen de meeste te zijn.28 twisting onder hen, Of strijd; welke schijnt ontstaan te zijn overmits Christus, Luk. 22:18, had gesproken van het oprichten Zijns koninkrijks.29 scheen de meeste. Of, geacht zou worden te zijn.Vers 25 En Hij zeide tot hen: De koningen der volken heersen over hen; en die macht over hen hebben, worden weldadige heren genaamd.30 der volken Of der heidenen.31 heersen over hen; Dat is, hebben en gebruiken wereldse macht, welke hier den kerkdienaars verboden wordt; 1 Petr. 5:3.32 weldadige heren genaamd. Of, gelijk men nu spreekt, genadige heren; dat is, hun worden grote titels toegeschreven.Vers 26 Doch gij niet alzo; maar de meeste onder u, die zij gelijk de minste, en die voorganger is, als een die dient.33 de meeste onder u, Dat is, die onder u meest wil geacht zijn. Zie Matth. 20:26.34 minste, Grieks de jonger; dat is de jongste, of laatste, of minst geachte. Want de jonge lieden hebben, vanwege hunne jonkheid, gemeenlijk minder aanzien dan de ouden.35 voorganger is, Dat is heer, of meester.Vers 27 Want wie is meerder, die aanzit, of die dient? Is het niet die aanzit? Maar Ik ben in het midden van u, als een die dient.36 aanzit, Namelijk ter tafel.Vers 28 En gij zijt degenen, die met Mij steeds gebleven zijt in Mijn verzoekingen.Vers 29 En Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijkerwijs Mijn Vader dat Mij verordineerd heeft;37 verordineer u het Koninkrijk, Dat is, bestel, bezet, of bespreek gelijk als bij testament; Hebr. 9:17.Vers 30 Opdat gij eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn Koninkrijk, en zit op tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls.38 eet en drinkt Dat is, gemeenschap hebt aan mijne vreugde en heerlijkheid, gelijk gij hier hebt aan mijn lijden en verachting; Rom. 8:17; 2 Tim. 2:11,12.39 oordelende Zie hiervan Matth. 19:28.

Petrus gewaarschuwd 

Vers 31 En de Heere zeide: Simon, Simon, ziet, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe;40 zeer begeerd Of, geëist, of zeer gezocht.41 ziften als de tarwe; Dat is, herwaarts en derwaarts werpen of schudden, gelijk het koren als het gewand of gezift wordt, zonder u enige rust te laten met de ene verzoeking op de andere; 1 Petr. 5:8.Vers 32 Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude; en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders.42 ophoude; Of, aflate; dat is, ten enenmale verga, of uitgeblust worde, door de verzoeking des Satans, die u zal bejegenen. Alzo bidt Hij ook voor alle gelovigen; Joh. 17:20; Rom. 8:34.Vers 33 En hij zeide tot Hem: Heere, ik ben bereid, met U ook in de gevangenis en in den dood te gaan.Vers 34 Maar Hij zeide: Ik zeg u, Petrus, de haan zal heden niet kraaien, eer gij driemaal zult verloochend hebben, dat gij Mij kent.43 de haan zal heden niet kraaien, Zie hiervan Mark. 14:30.

De twee zwaarden 

Vers 35 En Hij zeide tot hen: Als Ik u uitzond, zonder buidel, en male, en schoenen, heeft u ook iets ontbroken? En zij zeiden: Niets.Vers 36 Hij zeide dan tot hen: Maar nu, wie een buidel heeft, die neme hem, desgelijks ook een male; en die geen heeft, die verkope zijn kleed, en kope een zwaard.44 Maar nu, Dat is, van nu af en hierna, als ik u andermaal zal uitzenden, zullen u zulke zwarigheden bejegenen, dat gij u moet bereiden om veel gebrek te lijden, en vele gevaren uit te staan, in het bedienen van uw ambt.45 geen heeft, Namelijk zwaard. Of, die geen buidel, of male heeft, die verkope, enz. Met welke gelijkenis Christus de apostelen vermaant, gelijk in een geweldigen overval en nood van vijanden een iegelijk bezig is om zich met zwaarden en andere wapens te voorzien, om den vijand tegen te staan; dat zij ook alzo in deze zware aanstaande tijden van vervolging zich moeten voorzien met geestelijke wapenen, om daardoor sterken wederstand te doen. Zie 2 Cor. 10:4; Ef. 6:12; 1 Tim. 1:18. Hetwelk de apostelen toen niet verstonden dan van de uiterlijke wapenen, gelijk blijkt uit Luk. 22:37.Vers 37 Want Ik zeg u, dat nog dit, hetwelk geschreven is, in Mij moet volbracht worden, namelijk: En Hij is met de misdadigen gerekend. Want ook die dingen, die van Mij geschreven zijn, hebben een einde.46 de misdadigen gerekend. Grieks de ongerechtigen.47 hebben een einde. Dat is, gaan naar het einde om haast vervuld te worden.Vers 38 En zij zeiden: Heere! zie hier twee zwaarden. En Hij zeide tot hen: Het is genoeg.48 Het is genoeg. Namelijk hiervan gezegd; de zaak zelve zal het haast tonen van welke zwaarden Ik spreek; Joh. 18:36.

Jezus in Gethsémané 

Vers 39 En uitgaande, vertrok Hij, gelijk Hij gewoon was, naar den Olijfberg; en Hem volgden ook Zijn discipelen.49 gelijk Hij gewoon was, Grieks naar gewoonheid.Vers 40 En als Hij aan die plaats gekomen was, zeide Hij tot hen: Bidt, dat gij niet in verzoeking komt.Vers 41 En Hij scheidde Zich van hen af, omtrent een steenworp; en knielde neder en bad,50 Hij scheidde Zich van hen af, Grieks Hij werd van hen afgerukt.Vers 42 Zeggende: Vader, of Gij wildet dezen drinkbeker van Mij wegnemen, doch niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede.51 of Gij wildet dezen drinkbeker van Mij wegnemen, Anders, zo Gij wilt, neem dezen drinkbeker van mij weg. Van dit gebed van Christus zie Matth. 26:39.Vers 43 En van Hem werd gezien een engel uit den hemel, die Hem versterkte.Vers 44 En in zwaren strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. En zijn zweet werd gelijk grote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen.52 zwaren strijd zijnde, Of, groten angst, benauwdheid; en wordt eigenlijk gezegd van de bangheid, die iemand heeft eer de strijd aangaat, welke hier in Christus geweest is, niet zozeer vanwege den aanstaanden lichamelijken dood, maar vanwege den last des toorns Gods tegen de zonden der mensen, die Hij droeg, Gal. 3:13; Hebr. 5:7,8,9.53 grote droppelen bloeds, Het Griekse woord betekent eigenlijk droppelen van geronnen bloed; maar wordt ook genomen voor grote dikke droppelen.Vers 45 En als Hij van het gebed opgestaan was, kwam Hij tot Zijn discipelen, en vond hen slapende van droefheid.Vers 46 En Hij zeide tot hen: Wat slaapt gij? Staat op en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.

Gevangenneming van Jezus 

Vers 47 En als Hij nog sprak, ziet daar een schare; en een van de twaalven, die genaamd was Judas, ging hun voor, en kwam bij Jezus, om Hem te kussen.54 om Hem te kussen. Namelijk volgens het teken, dat Hij hun tevoren gegeven had, Matth. 26:48.Vers 48 En Jezus zeide tot hem: Judas, verraadt gij den Zoon des mensen met een kus?Vers 49 En die bij Hem waren, ziende, wat er geschieden zou, zeiden tot Hem: Heere, zullen wij met het zwaard slaan?Vers 50 En een uit hen sloeg den dienstknecht des hogepriesters, en hieuw hem zijn rechteroor af.55 een uit hen sloeg Namelijk Petrus.56 den dienstknecht des hogepriesters, Genaamd Malchus, Joh. 18:10.Vers 51 En Jezus, antwoordende, zeide: Laat hen tot hiertoe geworden; en raakte zijn oor aan, en heelde hem.Vers 52 En Jezus zeide tot de overpriesters, en de hoofdmannen des tempels, en ouderlingen, die tegen Hem gekomen waren: Zijt gij uitgegaan met zwaarden en stokken als tegen een moordenaar?57 tot de overpriesters, Namelijk tot enigen uit dezelve, van de anderen gezonden om dit werk te beleiden, Matth. 26:47.58 stokken Grieks houten.59 moordenaar? Of, straatschender.Vers 53 Als Ik dagelijks met u was in den tempel, zo hebt gij de handen tegen Mij niet uitgestoken; maar dit is uw ure, en de macht der duisternis.60 de macht der duisternis. Dat is de macht, die den duivel, die een vorst der duisternis genaamd wordt, Ef. 6:12, en zijnen werktuigen van God over mij gegeven is, Col. 1:13.

Verloochening van Petrus 

Vers 54 En zij grepen Hem en leidden Hem weg, en brachten Hem in het huis des hogepriesters. En Petrus volgde van verre.61 het huis des hogepriesters. Namelijk eerst tot Annas, en daarna tot Kajafas, Joh. 18:13,24.Vers 55 En als zij vuur ontstoken hadden in het midden van de zaal, en zij te zamen nederzaten, zat Petrus in het midden van hen.Vers 56 En een zekere dienstmaagd, ziende hem bij het vuur zitten, en haar ogen op hem houdende, zeide: Ook deze was met Hem.62 het vuur zitten, Grieks licht; dat is vuur. Zie Luk. 22:55, en Mark. 14:54.Vers 57 Maar hij verloochende Hem, zeggende: Vrouw, ik ken Hem niet.Vers 58 En kort daarna een ander, hem ziende, zeide: Ook gij zijt van die. Maar Petrus zeide: Mens, ik ben niet.63 die. Namelijk discipelen van Jezus.Vers 59 En als het omtrent een uur geleden was, bevestigde dat een ander, zeggende: In der waarheid, ook deze was met Hem; want hij is ook een Galileër.64 een Galileër. Alzo het blijkt uit zijne spraak, Matth. 26:73.Vers 60 Maar Petrus zeide: Mens, ik weet niet, wat gij zegt. En terstond, als hij nog sprak, kraaide de haan.65 kraaide de haan. Namelijk voor de tweede reis, tegen den dageraad. Zie Mark. 14:72.Vers 61 En de Heere, Zich omkerende, zag Petrus aan; en Petrus werd indachtig het woord des Heeren, hoe Hij hem gezegd had: Eer de haan zal gekraaid hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen.66 zal gekraaid hebben, Dat is, zal zijn kraaien geëindigd hebben.Vers 62 En Petrus, naar buiten gaande, weende bitterlijk.

Jezus voor het Sanhedrin 

Vers 63 En de mannen, die Jezus hielden, bespotten Hem, en sloegen Hem.Vers 64 En als zij Hem overdekt hadden, sloegen zij Hem op het aangezicht, en vraagden Hem, zeggende: Profeteer, wie het is, die U geslagen heeft?Vers 65 En vele andere dingen zeiden zij tegen Hem, lasterende.67 zeiden zij tegen Hem, Dat is, lasterlijk van Hem en tot Hem sprekende.Vers 66 En als het dag geworden was, vergaderden de ouderlingen des volks, en de overpriesters en Schriftgeleerden, en brachten Hem in hun raad,68 vergaderden Namelijk voor de tweede reis, om Hem nader te ondervragen en aan Pilatus over te leveren. Van de eerste vergadering zie Matth. 26:57.69 de ouderlingen des volks, Grieks het ouderlingschap.70 raad, Grieks Synedrion, waarvan zie Matth. 5:22.Vers 67 Zeggende: Zijt Gij de Christus, zeg het ons. En Hij zeide tot hen: Indien Ik het u zeg, gij zult het niet geloven;71 Zijt Gij de Christus, Of, zo gij de Christus zijt, zeg het ons.Vers 68 En indien Ik ook vraag, gij zult Mij niet antwoorden, of loslaten;Vers 69 Van nu aan zal de Zoon des mensen gezeten zijn aan de rechter hand der kracht Gods.72 Van nu aan Namelijk nadat Hij, gedood zijnde, wederom zal opstaan van de doden en ten hemel varen.Vers 70 En zij zeiden allen: Zijt Gij dan de Zoon Gods? En Hij zeide tot hen: Gij zegt, dat Ik het ben.73 Gij zegt, dat Ik het ben. Of, gijlieden zegt het, want Ik ben het. Zie van deze manier van spreken Matth. 26:25.Vers 71 En zij zeiden: Wat hebben wij nog getuigenis van node? Want wij zelven hebben het uit Zijn mond gehoord.

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.