De doop van Johannes
Vers 1 En het geschiedde in een van die dagen, als Hij in den tempel het volk leerde, en het Evangelie verkondigde, dat de overpriesters, en Schriftgeleerden, met de ouderlingen daarover kwamen,1 het Evangelie verkondigde, Grieks Evangeliseerde.Vers 2 En spraken tot Hem zeggende: Zeg ons, door wat macht Gij deze dingen doet; of wie Hij is, Die U deze macht heeft gegeven?2 door wat Grieks in hoedanige.3 macht Gij Dat is, autoriteit.4 deze dingen doet; Namelijk die in het voorgaande hoofdstuk verhaald worden.Vers 3 En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, en zegt Mij:5 een woord vragen, Dat is een ding, of zaak. Hebreeuws.Vers 4 De doop van Johannes, was die uit den Hemel, of uit de mensen?6 De doop van Johannes, Zie hiervan de aantekeningen Matth. 21:25.7 uit den Hemel, of uit de mensen? Dat is, van God, gelijk Luk. 15:18.Vers 5 En zij overleiden onder zich, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den Hemel; zo zal Hij zeggen: Waarom hebt gij dan hem niet geloofd?8 onder zich, Of, bij zichzelven.Vers 6 En indien wij zeggen: Uit de mensen; zo zal ons al het volk stenigen; want zij houden voor zeker, dat Johannes een profeet was.Vers 7 En zij antwoordden, dat zij niet wisten, vanwaar die was.9 die was. Namelijk de doop van Johannes.Vers 8 En Jezus zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik deze dingen doe.10 door wat macht Grieks in.
Gelijkenis van de wijngaardeniers
Vers 9 En Hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Een zeker mens plantte een wijngaard, en hij verhuurde dien aan landlieden, en trok een langen tijd buiten 's lands.11 deze gelijkenis te zeggen: Van deze gelijkenis, zie de verklaring Matth. 21:33.12 een langen tijd buiten 's lands. Grieks genoegzamen, of tamelijke tijden.Vers 10 En als het de tijd was, zond hij tot de landlieden een dienstknecht, opdat zij hem van de vrucht des wijngaards geven zouden; maar de landlieden sloegen denzelven, en zonden hem ledig heen.13 de tijd was, Namelijk dat de vruchten rijp zijnde, ingezameld worden. Zie Matth. 21:34.Vers 11 En wederom zond hij nog een anderen dienstknecht; maar ook dien geslagen en smadelijk behandeld hebbende, zonden zij hem ledig heen.14 wederom zond hij nog een anderen dienstknecht; Grieks en hij deed daartoe, en zond. Hebreeuws. Gelijk ook in Luk. 20:12.Vers 12 En wederom zond hij nog een derden; maar zij verwondden ook dezen, en wierpen hem uit.Vers 13 En de heer des wijngaards zeide: Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefden zoon zenden; mogelijk dezen ziende, zullen zij hem ontzien.15 Wat zal ik doen? Dit zijn woorden, uitdrukkende niet enige twijfeling, maar naar menselijke wijze van spreken, een grote genegenheid om hen terecht te brengen, gelijk Hos. 6:4.Vers 14 Maar als de landlieden hem zagen, overleiden zij onder elkander, en zeiden: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, opdat de erfenis onze worde.Vers 15 En als zij hem buiten den wijngaard uitgeworpen hadden, doodden zij hem. Wat zal dan de heer des wijngaards hun doen?Vers 16 Hij zal komen en deze landlieden verderven, en zal den wijngaard aan anderen geven. En als zij dat hoorden, zeiden zij: Dat zij verre!16 anderen geven. Namelijk den heidenen; Matth. 21:43.17 Dat zij verre! Namelijk dat wij den Zoon zouden doden, en dat ons zulks zou overkomen, als gij hier zegt.Vers 17 Maar Hij zag hen aan, en zeide: Wat is dan dit, hetwelk geschreven staat: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is tot een hoofd des hoeks geworden?18 De steen, Zie de aantekeningen Matth. 21:42.Vers 18 Een iegelijk, die op dien steen valt, zal verpletterd worden, en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen.19 op dien steen valt, Dat is, die zich aan Hem stoten en Hem ongehoorzaam zijn; 1 Petr. 2:7,8.20 op wien hij valt, Namelijk door de zwaarte zijns oordeels en zijner straf; Ps. 2:9.
De cijnspenning
Vers 19 En de overpriesteren en de Schriftgeleerden zochten te dierzelver ure de handen aan Hem te slaan; maar zij vreesden het volk; want zij verstonden, dat Hij deze gelijkenis tegen hen gesproken had.Vers 20 En zij namen Hem waar, en zonden verspieders uit, die zichzelven veinsden rechtvaardig te zijn; opdat zij Hem in Zijn rede vangen mochten, om Hem aan de heerschappij en de macht des stadhouders over te leveren.21 verspieders uit, Of, laagleggers.22 rechtvaardig te zijn; Dat is, als die oprecht met Hem wilden handelen, en niet gaarne iets zouden doen of lijden, dat onrecht ware, of tegen Gods bevel.23 vangen mochten, Dat is, behalen, of achterhalen, of zijne rede berispen.Vers 21 En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wij weten, dat Gij recht spreekt en leert, en den persoon niet aanneemt, maar den weg Gods leert in der waarheid.24 den persoon niet aanneemt, Grieks aangezicht. Zie der verklaring Matth. 22:16.Vers 22 Is het ons geoorloofd den keizer schatting te geven, of niet?25 ons geoorloofd Namelijk die wij Joden en Gods volk zijn, aan een heidensen keizer. Van deze schatting, zie Matth. 17:24.Vers 23 En Hij, hun arglistigheid bemerkende, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij?Vers 24 Toont Mij een penning; wiens beeld en opschrift heeft hij? En zij, antwoordende, zeiden: Des keizers.26 penning; Grieks denarius; waarvan zie Matth. 22:19.Vers 25 En Hij zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is.Vers 26 En zij konden Hem in Zijn woord niet vatten voor het volk; en zich verwonderende over Zijn antwoord, zwegen zij stil.27 vatten voor het volk; Of, behalen, achterhalen. Of, zijn woord berispen.
De sadduceeërs en de opstanding
Vers 27 En tot Hem kwamen sommigen der Sadduceën, welke tegensprekende zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem,28 Sadduceën, Van de leer der Sadduceën, zie breder Hand. 23:8.29 tegensprekende zeggen, Grieks tegenspreken; namelijk de rechte leer van deze zaak.Vers 28 Zeggende: Meester! Mozes heeft ons geschreven: Zo iemands broeder sterft, die een vrouw heeft, en hij sterft zonder kinderen, dat zijn broeder de vrouw nemen zal, en zijn broeder zaad verwekken.30 geschreven: Dat is, in zijne schriften bevolen, Deut. 25:5.31 zaad verwekken. Dat is, een zoon bij haar gewinnen, die des eersten broeders naam zou dragen en zijn erfgenaam zijn.Vers 29 Er waren nu zeven broeders; en de eerste nam een vrouw, en hij stierf zonder kinderen.Vers 30 En de tweede nam die vrouw, en ook deze stierf zonder kinderen.Vers 31 En de derde nam dezelve vrouw; en desgelijks ook de zeven, en hebben geen kinderen nagelaten, en zijn gestorven.32 de zeven, Dat is, de andere vier tot zeven toe.Vers 32 En ten laatste na allen stierf ook de vrouw.Vers 33 In de opstanding dan, wiens vrouw van dezen zal zij zijn? Want die zeven hebben dezelve tot een vrouw gehad.Vers 34 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: De kinderen dezer eeuw trouwen, en worden ten huwelijk uitgegeven;33 dezer eeuw trouwen, Door dezen worden verstaan, niet de wereldse mensen, gelijk Luk. 16:8, maar degenen, die in deze wereld leven; want het huwelijk is eerlijk onder allen, Hebr. 13:4.Vers 35 Maar die waardig zullen geacht zijn die eeuw te verwerven en de opstanding uit de doden, zullen noch trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven worden;34 geacht zijn Namelijk van God uit genade, 2 Thess. 1:5,11, alzo wordt dit woord ook genomen in Luk. 21:36.35 die eeuw te verwerven Dat is, het eeuwige leven en de opstanding ter heerlijkheid in de toekomende eeuw. Want de goddelozen zullen ook opstaan, maar ter verdoemenis, Joh. 5:29.Vers 36 Want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn den engelen gelijk; en zij zijn kinderen Gods, dewijl zij kinderen der opstanding zijn.36 zijn kinderen Gods, Namelijk geopenbaard in heerlijkheid, dewijl zij der zalige opstanding deelachtig zijn. Zie 1 Joh. 3:2.Vers 37 En dat de doden opgewekt zullen worden, heeft ook Mozes aangewezen bij het doornenbos, als hij den Heere noemt den God Abrahams, en den God Izaks, en den God Jakobs.37 Mozes Christus bewijst de opstanding der doden uit de schriften van Mozes, omdat de Sadduceën dezelve daartegen hadden voorgebracht.38 aangewezen bij het doornenbos, Of, te kennen gegeven, getoond; namelijk in de beschrijving van de verschijning des Heeren in het doornenbos.39 als hij den Heere noemt den God Abrahams, Van de kracht van deze besluitrede zie Matth. 22:32.Vers 38 God nu is niet een God der doden, maar der levenden; want zij leven Hem allen.40 zij leven Hem allen. Namelijk niet alleen naar de ziel, die onsterflijk is, maar ook naar het lichaam, omdat hetzelve weder opgewekt zal worden, en bij God alle toekomende dingen reeds als tegenwoordig zijn; Rom. 4:17.Vers 39 En sommigen der Schriftgeleerden, antwoordende, zeiden: Meester! Gij hebt wel gezegd.Vers 40 En zij durfden Hem niet meer iets vragen.41 zij durfden Hem niet meer iets vragen. Namelijk de schriftgeleerden. Zie Mark. 12:34.
Christus, zoon van David
Vers 41 En Hij zeide tot hen: Hoe zeggen zij, dat de Christus Davids Zoon is?Vers 42 En David zelf zegt in het boek der psalmen: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand,Vers 43 Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.Vers 44 David dan noemt Hem zijn Heere; en hoe is Hij zijn Zoon?42 hoe is Hij zijn Zoon? Dat is, indien Hij alleen een zoon Davids, dat is een bloot mens uit David is, hoe noemt hem dan David, die een souverein koning was, en geen heer boven zich erkende dan God alleen, zijnen Heere. Waarop zij niet konden antwoorden, omdat zij den Messias niet hielden waarachtig God te zijn.
Waarschuwing tegen de schriftgeleerden
Vers 45 En daar al het volk het hoorde, zeide Hij tot Zijn discipelen:Vers 46 Wacht u van de Schriftgeleerden, die daar willen wandelen in lange klederen, en beminnen de groetingen op de markten, en de voorgestoelten in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden;43 lange klederen, Grieks Stolais. Zie Mark. 12:38.44 maaltijden; Grieks avondmalen.Vers 47 Die der weduwen huizen opeten, en onder een schijn lange gebeden doen; dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen.45 huizen opeten, Dat is, de middelen, waardoor zij hare huisgezinnen zouden onderhouden.46 zwaarder Grieks overvloediger.47 oordeel ontvangen. Dat is, straf in het oordeel.