Dood van Absalom
Vers 1 En David monsterde het volk, dat met hem was; en hij stelde over hen oversten van duizenden, en oversten van honderden.Vers 2 Voorts zond David het volk uit, een derde deel onder de hand van Joab, en een derde deel onder de hand van Abisai, den zoon van Zeruja, Joabs broeder, en een derde deel onder de hand van Ithai, den Gethiet. En de koning zeide tot het volk: Ik zal ook zelf zekerlijk met ulieden uittrekken.1 Ithai, Zie boven, 2 Sam. 15:19.Vers 3 Maar het volk zeide: Gij zult niet uittrekken; want of wij te enen male vloden, zij zullen het hart op ons niet stellen; ja, of de helft van ons stierf, zij zullen het hart op ons niet stellen; maar gij zijt nu als tien duizend onzer. Zo zal het nu beter zijn, dat gij ons uit de stad ter hulpe zijt.2 het hart Dat is, zij zullen daarnaar niet vragen, zullen daarvan geen groot werk maken, want het is hun niet om ons, maar om uw persoon te doen.3 maar [gij zijt] Dat is, aan uw persoon is nu meer gelegen dan aan vele duizenden van ons. Vergelijk hiermede de woorden van Achitofel, boven 2 Sam. 17:2,3. Anders, al [waren] onzer, naardat wij nu [zijn], tienduizend maal meer.4 stad Mahanaïm; gelijk boven, 2 Sam. 17:24,27.5 ter hulpe zijt. Hebreeuws, om te helpen; wanneer wij zouden mogen verlegen zijn.Vers 4 Toen zeide de koning tot hen: Ik zal doen, wat goed is in uw ogen. De koning nu stond aan de zijde van de poort, en al het volk trok uit bij honderden en bij duizenden.6 wat goed is in uw ogen. Dat is, wat u behaagt, of goeddunkt.7 aan de zijde van de poort, Of, op de plaats, tussen de twee poorten, onder 2 Sam. 18:24. Hebreeuws eigenlijk, hand, maar van zulk een gebruik dezes woords, zie Deut. 23:12, en onder 2 Sam. 18:18, en elders.Vers 5 En de koning gebood Joab, en Abisai, en Ithai, zeggende: Handelt mij zachtkens met den jongeling, met Absalom. En al het volk hoorde het, als de koning aan al de oversten van Absaloms zaak gebood.Vers 6 Alzo toog het volk uit in het veld, Israël tegemoet, en de strijd geschiedde bij Efraïms woud.8 Israël tegemoet, Dat is, Absalom en zijn volk, die hier doorgaans Israël worden genoemd, ten aanzien dat verre het merendeel van Israël bij hem was.9 Efraïms woud. Dit woud was niet ver van Mahanaïm gelegen, aan de oostzijde van de Jordaan in Gilead, in den stam Gad; maar heeft den naam van Efraïms woud, [zoals enigen menen] gekregen van Efraïms nederlaag, ten tijde van Jeftha den Gileadiet. Zie Richt. 12:14,5. Efraïms land was aan de westzijde van de Jordaan, in het land Kanaän.Vers 7 En het volk van Israël werd aldaar voor het aangezicht van Davids knechten geslagen; en aldaar geschiedde te dienzelven dage een grote slag, van twintig duizend.10 twintig duizend. Der Israëlieten, die van Davids volk geslagen werden.Vers 8 Want de strijd werd aldaar verspreid over al dat land. En het woud verteerde meer van het volk, dan die het zwaard verteerde, te dienzelven dage.11 verteerde Dat is, die in het woud vluchtende, of gedreven zijnde, daarin omkwamen, zich in het een en het ander verwarrende, verwondende en in kuilen vallende, misschien ook van beesten verscheurd zijnde, of van honger en dorst stervende.12 meer van het volk, Hebreeuws, het woud vermenigvuldigde te verteren, enz.Vers 9 Absalom nu ontmoette voor het aangezicht der knechten Davids; en Absalom reed op een muildier; en als het muildier kwam onder de dichte takken van een groten eik, zo werd zijn hoofd vast aan den eik, dat hij hangen bleef tussen den hemel en tussen de aarde, en het muildier, dat onder hem was, ging door.13 dichte takken Hebreeuws, de dichtigheid.14 zijn hoofd vast Vermits zijn lang haar [waarvan boven, 2 Sam. 14:26] om de dichte takken van den elk slingerde, en daaraan vastrukte.15 hangen bleef Hebreeuws, gegeven werd.Vers 10 Als dat een man zag, zo gaf hij het Joab te kennen, en zeide: Zie, ik heb Absalom zien hangen aan een eik.Vers 11 Toen zeide Joab tot den man, die het hem te kennen gaf: Zie toch, gij hebt het gezien, waarom dan hebt gij hem niet aldaar ter aarde geslagen, alzo het aan mij stond om u tien zilverlingen en een gordel te geven?16 zilverlingen en een gordel te geven? Zie Gen. 20:16.Vers 12 Maar die man zeide tot Joab: En of ik al duizend zilverlingen op mijn handen mocht wegen, zo zou ik mijn hand aan des konings zoon niet slaan; want de koning heeft u, en Abisai, en Ithai, voor onze oren geboden, zeggende: Hoedt u, wie gij zijt, van den jongeling, van Absalom.17 wegen, Dat is, mij toegewogen zijnde, in mijn handen ontvangen of tellen.Vers 13 Of ik al valselijk tegen mijn ziel handelde, zo zou toch geen ding voor den koning verborgen worden; ook gij zelf zoudt er u van tegenover stellen.19 Of ik Dat is, of ik, Absalom gedood hebbende, het valselijk mocht ontkennen, zo zou het toch niet verborgen blijven voor den koning, en dan zou ik gevaar mijns levens lopen. Anders, aan zijn ziel; dat is, aan, of tegen Absaloms leven of persoon.20 van tegenover stellen. Dat is, gij zoudt mij verlaten en van verre blijven staan, zonder mij te helpen. Vergelijk Ps. 38:12. Anders, tegenstellen.Vers 14 Toen zeide Joab: Ik zal hier bij u alzo niet vertoeven; en hij nam drie pijlen, en stak ze in Absaloms hart, daar hij nog levend was in het midden van den eik.21 Ik zal Of hij zeide: Het is geen tijd hier bij u lang te staan. Ik zal doen zo ik het versta.22 hier bij u Hebreeuws, voor uw aangezicht.23 pijlen, Versta, werppijlen, kleine spiesjes, of enig dergelijk scherp geweer in den oorlog te dien tijde gebruikelijk.24 hart, Dat is, in het midden zijns lichaams, omtrent het hart; want het blijkt 2 Sam. 18:15, dat hij nog geleefd heeft.25 het midden van den eik. Hebreeuws, in het hart van den eik; zie Deut. 4:11.Vers 15 En tien jongens, wapendragers van Joab, omringden hem, en zij sloegen Absalom, en doodden hem.Vers 16 Toen blies Joab met de bazuin, en al het volk keerde af van Israël achterna te jagen, want Joab hield het volk terug.Vers 17 En zij namen Absalom, en wierpen hem in het woud, in een groten kuil, en stelden op hem een zeer groten steenhoop; en gans Israël vluchtte, een iegelijk naar zijn tent.26 steenhoop; Een geheel ander gedenkteken, door Gods rechtvaardig oordeel opgericht, dan hetgeen hij zichzelven in zijn leven had doen stellen. Zie 2 Sam. 18:18.27 Israël vluchtte, Die Absalom gevolgd hadden.28 tent. Dat is, woonplaatsen.Vers 18 Absalom nu had genomen, en in zijn leven voor zich opgericht een pilaar, die in het koningsdal is; want hij zeide: Ik heb geen zoon, om aan mijn naam te doen gedenken; en hij had dien pilaar genoemd naar zijn naam; daarom wordt hij tot op dezen dag genoemd: Absaloms hand.29 koningsdal is; Zie Gen. 14:17.30 geen zoon, Hieruit wordt afgenomen dat Absaloms zonen, [waarvan boven, 2 Sam. 14:27] te dezer tijd gestorven waren.31 hand. Dat is, gedenkteken, of hand; dat is, zijn werk. Sommigen menen dat het een pilaar geweest is, alzo genoemd van de gedaante ener hand. Anders, plaats, of ruimte. Zie boven, 2 Sam. 18:4. Vergelijk 1 Sam. 15:12.Vers 19 Toen zeide Ahimaäz, Zadoks zoon: Laat mij toch heenlopen, en den koning boodschappen, dat de Heere hem recht gedaan heeft van de hand zijner vijanden.32 recht gedaan heeft Dat is, recht doende verlost heeft. Alzo onder 2 Sam. 18:31. Vergelijk de aantekeningen Richt. 2:16.Vers 20 Maar Joab zeide tot hem: Gij zult dezen dag geen boodschapper zijn, maar op een anderen dag zult gij boodschappen; dezen dag nu zult gij niet boodschappen, daarom dat des konings zoon dood is.33 geen boodschapper zijn, Hebreeuws, geen man des boodschaps, of der tijding. Vergelijk boven, 2 Sam. 8:10.34 daarom dat des konings zoon dood is. Hij wil zeggen: Gij zoudt een tijding brengen, die den koning niet aangenaam zou zijn. Anders, want het zou zijn van den doden zoon des konings.Vers 21 En Joab zeide tot Cuschi: Ga heen, en zeg den koning aan, wat gij gezien hebt; en Cuschi boog zich voor Joab, en liep heen.35 Cuschi: Of, den Moriaan, of Arabier, [zie Num. 12:1]; zijnde ook een van Davids knechten, gelijk af te nemen is uit 2 Sam. 18:31. Dezen schijnt Joab verkoren te hebben omdat hij een vreemdeling was. Sommigen houden het voor een eigennaam.Vers 22 Doch Ahimaäz, Zadoks zoon, voer nog voort en zeide tot Joab: Wat het ook zij, laat mij toch ook Cuschi achterna lopen. En Joab zeide: Waarom zoudt gij nu heenlopen, mijn zoon! Zo gij toch geen bekwame boodschap hebt?36 Wat het ook zij, Of hij zeide: Het zij zo het wil, daar kome van wat er van kome. Alzo in 2 Sam. 18:23. Het schijnt dat hij zich wat beters liet voorstaan dan Joab gezegd had.37 zoon! Dat is, lieve jongeling, dien ik als een zoon bemin. Alzo plegen personen, die ouder en meerder zijn, de jongeren en minderen lieflijk aan te spreken. Zie Gen. 43:29.38 bekwame boodschap hebt? Hebreeuws, vindende; dat is, genoegzaam, bekwaam, wel passende, voegende. Vergelijk Num. 11:22. Anders, dewijl het u geen profijtelijke boodschap zou zijn, of, dewijl zij u niets aanbrengen zou; dat is, geen bodenloon of gunst, maar het contrarie. Of aldus: dewijl u toch geen goede boodschap voorkomt.Vers 23 Wat het ook zij, zeide hij, laat mij heenlopen; zo zeide hij tot hem: Loop heen. En Ahimaäz liep den weg van het effen veld, en kwam Cuschi voorbij.39 hij, Ahimaäz.40 hij tot hem: Joab.Vers 24 David nu zat tussen de twee poorten; en de wachter ging op het dak der poort aan den muur, en hief zijn ogen op, en zag, en ziet, er liep een man alleen.Vers 25 Zo riep de wachter, en zeide het den koning aan; en de koning zeide: Indien hij alleen is, zo is er een boodschap in zijn mond; en hij ging al voort en naderde.41 hij ging Ahimaäz, dien de wachter eerst zag. Hebreeuws, hij ging gaande.Vers 26 Toen zag de wachter een anderen man lopende, en de wachter riep tot den poortier en zeide: Zie, er loopt nog een man alleen. Toen zeide de koning: Die is ook een boodschapper.Vers 27 Voorts zeide de wachter: Ik zie den loop des eersten aan, als den loop van Ahimaäz, Zadoks zoon. Toen zeide de koning: Dat is een goed man, en hij zal met een goede boodschap komen.18 Hoedt u,, van den jongeling, Versta, aan te roeren, of leed te doen. Hebreeuws eigenlijk, bewaar, of let er op, neem waar, neem in acht, zie toe, [gelijk wij zeggen] wie aan, of tegen den jongeling, van Absalom. De zin is: wie hem leed doet, dien zal ik, enz., het is een afgebroken rede bij ons ook gebruikelijk. Of, let er op dat hem niemand leed doe. Anders, een ieder lette op den jongeling, op Absalom.Vers 28 Ahimaäz dan riep en zeide tot den koning Vrede! En hij boog zich voor den koning met het aangezicht ter aarde, en hij zeide: Geloofd zij de Heere, uw God, Die de mannen, dewelke hun hand tegen mijn heer den koning ophieven, heeft overgegeven.42 Vrede! Dat is, alles is wel, ik breng wat goeds, wil hij zeggen.43 Geloofd zij de HEERE, Hebreeuws, gezegend.44 overgegeven. Of, besloten; te weten, in de hand van Davids volk. Alzo 1 Sam. 24:19, en 1 Sam. 26:8, en elders.Vers 29 Toen zeide de koning: Is het wel met den jongeling, met Absalom? En Ahimaäz zeide: Ik zag een groot rumoer, als Joab, den knecht des konings, en mij uw knecht afzond, maar ik weet niet wat.45 Is het wel Hebreeuws, heeft hij vrede? Alzo onder, 2 Sam. 18:32.46 zeide: Hebbende zich op Joabs redenen nader bedacht, verzwijgt hij de tijding van Absalom.47 rumoer, Of, een grote menigte.48 knecht des konings, Cuschi.Vers 30 En de koning zeide: Ga om, stel u hier; zo ging hij om, en bleef staan.Vers 31 En ziet, Cuschi kwam aan; en Cuschi zeide: Mijn heer den koning wordt geboodschapt, dat u de Heere heden heeft recht gedaan van de hand van al degenen, die tegen u opstonden.49 recht gedaan Gelijk boven, 2 Sam. 18:19.Vers 32 Toen zeide de koning tot Cuschi: Is het wel met den jongeling, met Absalom? En Cuschi zeide: De vijanden van mijn heer den koning, en allen, die tegen u ten kwade opstaan, moeten worden als die jongeling.50 Is het wel Gelijk 2 Sam. 18:29.
David beweent Absalom
Vers 33 Toen werd de koning zeer beroerd, en ging op naar de opperzaal der poort, en weende; en in zijn gaan zeide hij alzo: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik, ik voor u gestorven ware, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!51 zeide hij alzo: David heeft verscheidene oorzaken gehad om zich hartelijk te bedroeven over dit ongeval, inzonderheid wanneer hij, boven zijns zoons tijdelijken dood, mocht vrezen zijn eeuwigen ondergang.52 Och, dat ik, Hebreeuws, wie zal geven, of, wie gave dat, enz. Zie van zulk een manier van spreken in het wensen, Exod. 16:3; Deut. 5:29, enz.