Advertentie

2 Koningen 15

38 verzen · 38 kanttekeningen · Statenvertaling

Azária koning van Juda 

Vers 1 In het zeven en twintigste jaar van Jerobeam, den koning van Israël, werd koning Azaria, de zoon van Amazia, den koning van Juda.1 Jerobeam, Namelijk, des tweeden van dien naam, den zoon van Joas, boven, 2 Kon. 14:23.2 werd koning Te weten, om met volle macht als koning alleen te regeren. Anders was hij ook tevoren ettelijke jaren in enige regering geweest, of tenminste als koning gehouden. Zie boven, 2 Kon. 14:21.3 Azaria, Anders genaamd Uzzia, onder, 2 Kon. 15:13,30; 2 Kron. 26:1.Vers 2 Hij was zestien jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jecholia van Jeruzalem.Vers 3 En hij deed dat recht was in de ogen des Heeren, naar al wat zijn vader Amazia gedaan had.4 hij deed Te weten, zolang als de profeet Zacharia leefde; 2 Kron. 26:5.Vers 4 Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.Vers 5 En de Heere plaagde den koning, dat hij melaats werd tot den dag zijns doods; en hij woonde in een afgezonderd huis; doch Jotham, de zoon des konings, was over het huis, richtende het volk des lands.5 plaagde den koning, De oorzaak hiervan was, omdat hij door grote vermetelheid zich aantrok het ambt der priesters, gaande in den tempel om te roken, 2 Kron. 26:16.6 afgezonderd huis; Hebreeuws, een huis der vrijheid; dat is, in een huis dat vrij, of afgezonderd was van andere huizen en alleen stond, naar het voorschrift der wet, die God van de melaatsen gegeven had; Lev. 13:46.7 het huis, Te weten, des konings; dat is, hij was als hofmeester, en had het opperste bevel over het gehele huis en hof des konings.8 richtende Dat is, regerende het gehele land, en opzicht hebbende over de bediening van het recht en de onderhouding van alle goede wetten. Vergelijk 2 Kron. 26:21.Vers 6 Het overige nu der geschiedenissen van Azaria, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?Vers 7 En Azaria ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in de stad Davids; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.9 bij zijn vaderen, Dat is, wel in den akker, of het stuk velds, verordend tot der koningen begraving, maar wat bezijden af van hunne graven, om zijner melaatsheid wil, 2 Kron. 26:23.

Zacharía koning van Israël 

Vers 8 In het acht en dertigste jaar van Azaria, den koning van Juda, regeerde Zacharia, de zoon van Jerobeam, over Israël te Samaria, zes maanden.Vers 9 En hij deed dat kwaad was in de ogen des Heeren, gelijk als zijn vaderen gedaan hadden; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.Vers 10 En Sallum, de zoon van Jabes, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem voor het volk, en doodde hem; en hij werd koning in zijn plaats.10 Sallum, Een der oversten.11 voor het volk, Dat is, in het openbaar; waaruit schijnt dat de daad van Sallum het volk niet mishaagde en dat Zacharia in den haat der gemeente was.Vers 11 Het overige nu der geschiedenissen van Zacharia, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël.Vers 12 Dit was het woord des Heeren, dat Hij gesproken had tot Jehu, zeggende: U zullen zonen van het vierde gelid op den troon van Israël zitten; en het is alzo geschied.12 U zullen zonen Zie boven, 2 Kon. 10:30, en de aantekening daarop.

Sallum koning van Israël 

Vers 13 Sallum, de zoon van Jabes, werd koning, in het negen en dertigste jaar van Uzzia, den koning van Juda; en hij regeerde een volle maand te Samaria.13 Uzzia, Matth. 1:9, genaamd Ozias. Anders, boven, 2 Kon. 14:21, en in 2 Kon. 15:1,6,7,8, Azaria.14 een volle maand Hebreeuws, een maand der dagen; dat is, ene maand tijds, een volle en gehele maand, hebbende al haar dagen. Alzo Gen. 29:14. Zie de aantekening.Vers 14 Want Menahem, de zoon van Gadi, toog op van Thirza, en kwam te Samaria, en sloeg Sallum, den zoon van Jabes, te Samaria, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats.15 Thirza, Zie 1 Kon. 14:17.Vers 15 Het overige nu der geschiedenissen van Sallum, en zijn verbintenis, die hij maakte, ziet, die zijn geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël.Vers 16 Toen sloeg Menahem Tifsah, met allen, die daarin waren, ook haar landpalen van Thirza af; omdat men niet voor hem had opengedaan, zo sloeg hij hen; al haar bevruchte vrouwen hieuw hij in stukken.16 Tifsah, Zie van deze stad 1 Kon. 4:24.17 had opengedaan, Te weten, de poorten der stad, als hij op de reis was om Sallum te overvallen.

Menáhem koning van Israël 

Vers 17 In het negen en dertigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Menahem, de zoon van Gadi, koning over Israël, en regeerde tien jaren te Samaria.18 en regeerde Van dit ingevoegde, zie boven, 2 Kon. 13:1. Alzo onder, 2 Kon. 15:23,27.Vers 18 En hij deed dat kwaad was in de ogen des Heeren; hij week al zijn dagen niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.Vers 19 Toen kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zoude zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken.19 Pul, Genoemd in de historiën, naar sommiger mening, Phulbelochus.20 duizend talenten Zie van het gewicht eens talents Exod. 25:39.21 opdat zijn hand Dat is, om met deze som den vrede van de Assyriërs te kopen en zich in zijn koninkrijk te verzekeren.Vers 20 Menahem nu bracht dit geld op van Israël, van alle geweldigen van vermogen, om den koning van Assyrië te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; alzo keerde de koning van Assyrië weder, en bleef daar niet in het land.22 voor elk man Dat is, om aan elken Assyrischen soldaat [zo enigen menen] zoveel te tellen. Zie van het gewicht des zilveren sikkels, Gen. 23:15. Anderen vertalen, van elk man; verstaande dit niet van de Assyriërs, die het geld ontvingen, maar van de geweldigen der Israëlieten, die het betalen moesten.Vers 21 Het overige nu der geschiedenissen van Menahem, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?Vers 22 Daarna ontsliep Menahem met zijn vaderen; en zijn zoon Pekahia werd koning in zijn plaats.

Pekáhia koning van Israël 

Vers 23 In het vijftigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Pekahia, de zoon van Menahem, koning over Israël, en regeerde twee jaren te Samaria.Vers 24 En hij deed dat kwaad was in de ogen des Heeren; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.Vers 25 En Pekah, de zoon van Remalia, zijn hoofdman, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem te Samaria, in het paleis van het huis des konings, met Argob en met Arje, en met hem vijftig mannen van de kinderen der Gileadieten; alzo doodde hij hem, en werd koning in zijn plaats.23 Argob Die hem vergezelschapten, om zijn verraad te helpen uitvoeren; daartoe dienden ook de Gileadieten hier vermeld.24 Arje, Het Hebreeuwse woord betekent die leeuw, gelijk het ook van sommigen zo overgezet wordt, menende dat een zeker persoon alzo is toegenaamd geweest.Vers 26 Het overige nu der geschiedenissen van Pekahia, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël.

Pekah koning van Israël 

Vers 27 In het twee en vijftigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Pekah, de zoon van Remalia, koning over Israël, en regeerde twintig jaren te Samaria.Vers 28 En hij deed dat kwaad was in de ogen des Heeren; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.Vers 29 In de dagen Pekah, den koning van Israël, kwam Tiglath-pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-beth-maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het ganse land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië.25 Tiglath-pilezer, Ook genaamd Tillgat-Pilneser, 2 Kron. 28:20, in de wereldse historiën Phulaser, de zoon van Phulbelochus; van denwelken, zie boven, 2 Kon. 15:19.26 Ijon in, Zie van deze stad en de naastvolgende 1 Kon. 15:20.27 Janoah, Een stad, gelegen in de oostpale van den stam van Efraïm bij de Jordaan. Zie van deze Joz. 16:6.28 Kedes, Zie van deze stad Richt. 4:6.29 Hazor, Eertijds een vermaarde koninklijke hoofdstad, Joz. 11:10, daarna den stam van Nafthali ten erfdeel gevallen, Joz. 19:36.30 Gilead, Zie Gen. 31:21.31 Galilea, Zie 1 Kon. 9:11.32 voerde hen Namelijk, de inwoners der voorgenoemde landen en steden.Vers 30 En Hosea, de zoon van Ela, maakte een verbintenis tegen Pekah, den zoon van Remalia, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in het twintigste jaar van Jotham, den zoon van Uzzia.33 in het twintigste jaar Dat is, na twintig jaren van het begin der regering van Jotham; hetwelk is geweest het vierde jaar der regering van Achaz, overmits Jotham maar zestien jaren regeerde, onder, 2 Kon. 15:33. Anderen menen dat Jotham enige jaren tevoren met zijn vader, uit oorzaak van zijn melaatsheid, gemeen zijn geweest, die hem hier bij de zestien jaren zijner regering zouden toegevoegd zijn.Vers 31 Het overige nu der geschiedenissen van Pekah, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël.

Jotham koning van Juda 

Vers 32 In het tweede jaar van Pekah, den zoon van Remalia, den koning van Israël, werd Jotham koning, de zoon van Uzzia, den koning van Juda.Vers 33 Vijf en twintig jaren was hij oud, als hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jerusa, de dochter van Zadok.34 Vijf en twintig jaren Hebreeuws, een zoon van vijf en twintig jaar.Vers 34 En hij deed dat recht was in de ogen des Heeren; naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, deed hij.Vers 35 Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten; dezelve bouwde de hoge poort aan het huis des Heeren.35 Alleenlijk Vergelijk 2 Kron. 27:2, en de aantekening.36 hoge poort Anders genaamd de poort Sur, en de poort des fondaments. Zie boven, 2 Kon. 11:6, en 2 Kron. 23:5, en de aantekening daarop.Vers 36 Het overige nu der geschiedenissen van Jotham, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?Vers 37 In die dagen begon de Heere in Juda te zenden Rezin, den koning van Syrië, en Pekah, den zoon van Remalia.37 In die dagen Omtrent het einde van de regering van Jotham.38 Rezin, Hebreeuws, Retsin.Vers 38 En Jotham ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.