Toespraak aan den leerling
Geliefde leerling.
Gelijk uw gehele Godsdienst geestelijk moet zijn, zo ook dit uw heilzaam werk van catechiseren, waarvan, omdat het van velen zeer geesteloos geschiedt, wij gewenst hebben, u, geliefde leerling, een kleine schets voor te schrijven, biddende dat de Heere u wil doen begrijpen, begeren en betrachten, hoe gij u Gode betamelijk hebt te gedragen vóór, ónder en ná de catechisatie.
Vooraf dan, dient uw oogmerk zuiver te zijn, God te leren kennen, te gehoorzamen en te verheerlijken; uw evenmens te stichten, en uw eigene zaligheid, (die wij wensen, dat gij moogt te verwachten hebben) te bevorderen. Laat de gestalte uws harten nederig zijn, en zoek overtuigd te worden van uw eigene natuurlijke onkunde en onbekwaamheid in het geestelijke.
Laat hierover een heilige schaamte en ware begeerte in u zijn, om daarvan verlost, en den beelde Gods in ware wijsheid gelijkvormig te worden.
Onderwerp u tot dat einde aan dit middel van onderwijs, en aan het goedvinden van den Leraar, om u over te geven aan zijn orde en zijn bestuur, hetwelk de leerling hierin immer heeft te gehoorzamen, volgens Hebr. 13:17. Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig. En dat wilde Jezus Zelf dat geschieden zou omtrent de Farizeeën en Schriftgeleerden, Matth. 23:3. Daarom, al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het.
Voorts hebt gij u op verscheidene wijzen te bereiden.
Vooral wend u met den gebede tot God, en in uw gebed zullen dit de geschikste begeerten zijn: dat de Heere u geve, behalve de voorgemelde zaken, een opgehelderd verstand om de zaken te begrijpen, een geheiligd oordeel om die te waarderen, een sterk geheugen om die te onthouden, een onvermoeiden lust om uzelven te bevlijtigen en aan te houden in het oefenen, een onverdeelde aandacht om de vragen en antwoorden te kunnen verstaan, een vaardige tong met verdere bekwaamheid, om de zaken naar waarheid en waarde te kunnen uitdrukken: benevens de inleiding van des Heeren Geest, om die zaken in haar dierbaarheid en luister te begrijpen, en eindelijk dat de Heere naar den aard der zaken uw hart bewege en bewerke.
Zoek dit kort, volledig onderwijsboekje als uw A B van buiten te leren, hetwelk u daarna zal kunnen dienen als het A B om verder te leren.
Zoek ook de nodige bijbelplaatsen vast en vaardig van buiten te kennen. Gewen u in uw voorbereiding een onderscheidene bevatting in uw verstand en geheugen te hebben van die zaken, waarover gij nu antwoorden zult; en blijf tot dat einde bij iedere zaak wat staan. Maak het uw gewoonte die te overdenken, opdat, als gij in de catechisatie komt, gij moogt weten wat gij al, en wat gij niet verstaat, en waaromtrent gij ook bijzonder acht hebt te geven. Zo zult gij ook tonen, dat gij het niet als een papegaai hebt geleerd en opzegt.
Die wat gevorderd is, leze een ander boek over die stof. Maar houd bij het lezen van andere boeken dezen regel, dat gij niet vele boeken, maar één Boek veelmalen leest.
Dus bereid zijnde, ga uit met een afhankelijk hart en zoek tot dat einde uzelven gedurig levendig te herinneren, dat gij zonder des Heeren bijstand, niet zult kunnen tot enig werk of woord bekwaam zijn; maar dat gij door dezelve alle de vereiste hoedanigheden en vruchten zult genieten.
Ga dus, wachtende op des Heeren heil, naar de plaats waar gij zult antwoorden, met een gemoed, dat begerig en volvaardig is, om in de tegenwoordigheid van God rekenschap en belijdenis te doen van de kennis, die de Heer in u gelegd heeft, ja, om daarin door dit middel toe te nemen en geheiligd te worden.
Daar zittende, laten zedigheid en deftigheid zodanig in uw gehele gedrag vertoond worden, dat ieder zie, dat het gewicht van den Drieëenigen God en Zijn grote waarheden op uw ziel weegt.
En bied dan uw ziel en uw lichaam den Heere aan, met begeerte en overtuiging, dat gij wenst, dat de Heere die nu zo gebruike, bewerke, vervulle en besture, als Hem meest heerlijk, en u zalig zijn kan.
Wacht u den Leraar in de rede te vallen, hem tegen te spreken, of strikvragen voor te leggen; opdat gij niet toont hem te willen beschamen, of door uw waanwijsheid zijn persoon en zijn dienst in kleinachting te brengen.
Maar zoek aandachtig op zijn vragen te letten, en die te verstaan. Als hij uitgevraagd heeft, antwoord dan. Maar zodra de Leraar weder begint, moet de leerling zwijgen, en niet met den Leraar voortspreken.
Wat aangaat de manier van spreken, daarin hebt gij u te wachten voor gemaaktheid en mompelen binnensmonds, en voor los en ras heenrabbelen, maar integendeel te zorgen, dat men spreke met een verhevene, klare stem, zodat niet alleen de spreker en de Leraar, maar de gehele gemeente verstaan kan; ieder zoals het hem natuurlijk is, doch eerbiedig, langzaam en deftig, naar den aard en het gewicht der zaken.
Dit zo in het gemeen zijnde, hebben wij nader aan te merken hoe gij uzelven in verscheidene gevallen hebt te gedragen; en daarin, als gij zelf gevraagd wordt en God u geeft te antwoorden, erken dan, dat het van den Heere is, dank Hem daarvoor met nederigheid. Maar als gij niet wel antwoordt, wordt dan niet moedeloos; en neem niet voor, op te houden van meer te catechiseren. Maar denk dat gij daar zit, niet als een, die alles weet, maar als een leerling, die alles wenst te leren. Zwijg dan ook niet stil, want dat neemt den tijd weg, het maakt den Leraar verlegen, en het schijnt de vragen enigszins te minachten. Maar zeg dan, of dat gij 't niet weet, of hetgeen ge meent te weten, en toon uw begeerte om het van den Leraar te horen.
Omtrent God, erken uw onkunde, en verplichting om het te moeten weten. Bid om vergeving van de zonde van onkunde, en vermeerdering van de ware wijsheid.
Wek tot dat einde uw hart wederom op tot leerzaamheid: zoek te verstaan hetgeen de Leraar tot verklaring zegt, dank den Heere voor Zijn goedheid, dat Die u zulk een Leraar gezonden heeft, door wien Hij u belieft te leren, dat gij niet weet, en nochtans noodzakelijk moet weten, en zoek u in het toekomstige nader en beter te bereiden.
Als anderen gevraagd wordt, houd u dan niet op met te denken, wat zal mij gevraagd worden; maar wat zou ik daarop antwoorden, en zoek te verstaan, wat tot verklaring daarvan gezegd wordt. Als anderen het weten, benijd hen niet, maar dank den Heere voor de gaven en de wijsheid in hen gelegd, en bid om hun gelijk te mogen zijn.
Als zij het niet weten, zo veracht of bespot hen niet, en verblijd of verhef uzelven niet, opdat ook de Heere u niet verstomme of verdwaze als gij zult antwoorden.
Maar bid voor hen, dat God hun meerder licht, lust, geheugen, vrijmoedigheid en bekwaamheid geve, en zoveel in u is, wek hen daartoe op, en moedig hen aan.
Eindelijk de catechisatie gedaan zijnde, moet ook hier uw einde het werk kronen.
Laten hoogmoed en ijdelheid van u geweerd zijn. Het is zo onbetamelijk, dat men, alsof men van een ijdele plaats kwam, aanstonds met lachen of schertsen zich ophoudt, en zo lachende en schertsende, zich verheffende, of anderen verachtende, herhaalt wat men zelf of wat anderen geweten of niet geweten hebben, en daarvan onbetamelijk spreekt: zodat men zijn eigene dwaasheid toont, en een ander zijn vrijmoedigheid beneemt. Maar laten integendeel deftigheid en zedigheid uw sieraden zijn.
Ga alleen of met elkander naar uw huizen, overleg daar de verhandelde zaken, onderzoek als in de tegenwoordigheid Gods, welk voordeel gij daar behaald hebt, hoe het aan uw ziel geheiligd is, en hoe gij u onder het catechiseren gedragen hebt. Wees nooit tevreden, dat uw oren alleen gehoord hebben, maar sta er naar, de zaken in het hart te ondervinden.
Dank God voor datgene, dat gij hebt mogen horen en spreken, zoek het in uw hart en uw geheugen, ja zelfs op het papier te bewaren, om daarvan gebruik te maken, als het nodig zal zijn.
Bid daartoe God om Zijn bewarenden en indachtigmakenden Geest.
En bovenal is uw plicht te tonen, dát die waarheden, die gij beleden hebt, niet bestaan in woorden, maar in kracht. En zulks door een heiligen wandel, dewijl het een leer is die tot Godzaligheid leidt.
Spreek daar niet alleen van in de catechisatie, maar laat hart en mond vervuld zijn, om daarvan ook buiten dezelve bij allerlei gelegenheden te spreken, zoek anderen tot een voorbeeld te zijn in lering, bestraffing, bestiering, vertroosting en heiligmaking.
Ziedaar, geliefde leerling! een klein stukje der zaken, die gij omtrent uw catechiseren hebt te betrachten. God wil u bekwaam maken om het dus te mogen betrachten, Gode tot heerlijkheid, Zijn gemeente tot sieraad, uw evenmens tot stichting, en uzelven tot zaligheid!
Hoofdstuk 1: Van de kennis van God
Waaruit weet men, dat er een God is?
Uit de natuur, en uit de Heilige Schrift.
Hoe velerlei is de kennis van God uit de natuur?
Tweeërlei: 1. een inwendige of ingeschapene kennis; 2. een uitwendige of verkregene kennis.
Welke is de inwendige of ingeschapene kennis?
Die allen mensen van nature in hun hart is aangeboren. Rom. 1:19. Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard.
Hoe kan er zulk een ingeschapene kennis zijn, daar er dwazen zijn, die in hun hart zeggen: daar is geen God. Ps. 14:1?
Dat is meer een wensen, dan een dadelijk geloven, dat er geen God is.
Welke is de uitwendige of verkregene kennis?
Die men haalt uit de schepselen buiten ons. Ps. 19:2, 3. De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.
Hoe kan men uit de schepselen besluiten, dat er een God moet zijn?
Omdat zij door zichzelven niet zijn, noch blijven kunnen, maar noodzakelijk van God moeten geschapen zijn en nog onderhouden worden. Job 12:9. Wie weet niet uit alle deze, dat de hand des Heeren dit doet?
Is de kennis uit de natuur genoeg om zalig te worden?
Neen.
Waarom niet?
Omdat men er Christus niet uit kennen kan.
Is Christus te kennen juist nodig tot zaligheid?
Ja. Joh. 17:3. En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.
Waaruit moet men de zaligmakende kennis halen?
Uit de Heilige Schrift. 2 Petr. 1:19. En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de morgenster opga in uw harten.
Hoofdstuk 2: Van de Heilige Schrift
Wat verstaat gij door de H. Schrift?
Het beschreven Woord van God. Joh. 5:39. Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen. 2 Tim. 3:15. En dat gij van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, hetwelk in Christus Jezus is.
Is er altijd een beschreven Woord geweest?
Neen; voor Mozes tijd was er geen beschreven Woord.
Hoe maakte God dan toen Zijn Woord bekend?
Door mondelijke aanspraak en openbaring aan de vaderen. Gen. 18:1. Daarna verscheen hem de Heere aan de eikenbossen van Mamre, als hij in de deur der tent zat, toen de dag heet werd. Gen. 28:12. En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan den hemel raakte; en ziet, de engelen Gods klommen daarbij op en neder.
Hoe bewaarden zij dat onder elkander?
Door overlevering van de vaderen tot de kinderen. Gen. 18:19. Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zoude bevelen, en zij den weg des Heeren houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat de Heere over Abraham brenge, hetgeen Hij over hem gesproken heeft.
Waarom kon dat toen zo beter geschieden?
Omdat de mensen toen langer leefden en minder in getal waren, God Zich meermalen openbaarde en satans listen minder waren.
Wie heeft de H. Schrift laten beschrijven?
God. 2 Tim. 3:16. Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is.
Door wien heeft Hij ze laten beschrijven?
Het Oude Testament door de Profeten, het Nieuwe Testament door de Evangelisten en Apostelen. Ex. 17:14. Toen zeide de Heere tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder den hemel. Openb. 1:19. Schrijf, hetgeen gij gezien hebt, en hetgeen is, en hetgeen geschieden zal na dezen.
Door wien zijn die in het schrijven gedreven geweest?
Door den H. Geest. 2 Petr. 1:21. Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.
Hebben die dan in dat schrijven niet kunnen dwalen?
Neen; de Heilige Geest heeft hen in alle waarheid geleid. Joh. 16:13. Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelven niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen.
Hoeveel Testamenten zijn er in de Heilige Schrift?
Twee: het Oude en het Nieuwe Testament. 2 Kor. 3:14. Maar hun zinnen zijn verhard geworden; want tot op den dag van heden blijft hetzelfde deksel in het lezen des Ouden Testaments, zonder ontdekt te worden, hetwelk door Christus te niet gedaan wordt. Hebr. 9:15. En daarom is Hij de Middelaar des nieuwen testaments, opdat, de dood daartussen gekomen zijnde, tot verzoening der overtredingen, die onder het eerste testament waren, degenen, die geroepen zijn, de beloftenis der eeuwige erve ontvangen zouden.
In welke taal is het Oude Testament beschreven?
In de Hebreeuwse, en een weinig in de Chaldeeuwse taal.
In welke taal is het Nieuwe Testament beschreven?
In de Griekse taal.
Is de ganse H. Schrift een goddelijk Boek?
Ja; omdat er dingen in zijn, die van niemand dan van God kunnen zijn.
Welke dingen zijn dat?
Verborgenheden: als. dat God Drieëenig is; de schepping uit niet in zes dagen; dat Jezus God en mens is, de Middelaar enz. en Profetieën: dat zijn voorzeggingen van toekomende zaken op hun tijd en plaats net vervuld.
Zijn de Apocriefe boeken Gods woord niet?
Neen; omdat er dingen in zijn, die verdicht en met Gods woord strijdig zijn; waarom zij van de Joodse kerk ook nooit voor Goddelijk erkend zijn, aan welke kerk nochtans de woorden Gods waren toebetrouwd. Rom. 3:2.
Is de Heilige Schrift volmaakt, of onvolmaakt?
Volmaakt. Ps. 19:8. De wet des Heeren is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des Heeren is gewis, den slechten wijsheid gevende.
Is er dan van de H. Schrift niets verloren of vervalst?
Neen: zij is nog zo geheel als zij ooit geweest is, Matth. 5:18. Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied.
Moet men niet nog overleveringen van mensen bij de H. Schrift hebben?
Neen; de H. Schrift alleen is genoeg. Matth. 15:9. Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden van mensen zijn.
Is de H. Schrift klaar of duister?
Klaar, in die dingen, die ter zaligheid nodig zijn. Ps. 119:105. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.
Nochtans zegt Petrus, dat er in de brieven van Paulus sommige dingen zijn, zwaar om te verstaan. 2 Petr. 3:16?
De waarheid van een zaak kan wel klaar geopenbaard zijn, schoon de zaak in zichzelve zwaar om te verstaan blijft, gelijk het is met alle verborgenheden: als Gods Drieëenheid enz.
Mag en moet men ook de H. Schrift lezen?
Ja. Joh. 5:39. Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen.
Hoe moet dit onderzoek geschieden?
I. In Gods vreze. Ps. 111:10. De vreze des Heeren is het beginsel der wijsheid; allen, die ze doen, hebben goed verstand; Zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid. Met een biddend hart. Ps. 119:18. Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet. III. Eerbieding. Jes. 66:5. Hoort des Heeren woord, gij, die voor Zijn woord beeft! Uw broeders, die u haten, die u verre afzonderen, om Mijns Naams wil, zeggen: Dat de Heere heerlijk worde! Doch Hij zal verschijnen tot ulieder vreugde, zij daarentegen zullen beschaamd worden. IV. Aandachtig en met een geestelijk oordeel. 1 Kor. 2:13. Dewelke wij ook spreken, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende.
Hoofdstuk 3: Van God
I. In het algemeen
Wat is God?
Een volmaakte en oneindige Geest. Joh. 4:24. God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid. Matth. 5:48. Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.
Hoe kan dat zijn, dewijl Hem ogen, oren, handen en andere lichaamsdelen worden toegeschreven in de H. Schrift?
Dat moet alles oneigenlijk verstaan worden van hoedanigheden in God, die met het gebruik der menselijke delen enige overeenkomst hebben.
Waarin moet God al gekend worden?
1. In Zijn Wezen. 2. In Zijn Namen. 3. In Zijn Eigenschappen. 4. In Zijn Personen.
Mag men God ook een Wezen toeschrijven?
Ja; doch niet in een lichamelijken zin. Spr. 8:14. Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.
Hoeveel Goden zijn er?
Eén God. 1 Tim. 2:5. Want er is een God, er is ook een Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus.
Niet die het inderdaad zijn, maar die er van mensen toe gemaakt en voor gehouden worden. 1 Kor. 8:5, 6. Want hoewel er ook zijn, die goden genaamd worden, hetzij in den hemel, hetzij op de aarde (gelijk er vele goden en vele heren zijn), Nochtans hebben wij maar een God, den Vader, uit Welken alle dingen zijn, en wij tot Hem; en maar een Heere, Jezus Christus, door Welken alle dingen zijn, en wij door Hem.
II. Van Gods namen
Heeft God ook namen nodig, gelijk de mensen?
Neen; want Hij heeft niemand Hem gelijk. Gen. 32:29. En Jakob vraagde, en zeide: Geef toch Uw naam te kennen. En Hij zeide: Waarom is het, dat gij naar Mijn naam vraagt? En Hij zegende hem aldaar. Richt. 13:18. En de Engel des Heeren zeide tot hem: Waarom vraagt gij dus naar Mijn naam? Die is toch Wonderlijk.
Waartoe dragen dan de mensen eigenlijk namen?
Om hen van anderen, die hun gelijk zijn, te onderscheiden.
Waarom worden God dan namen toegeschreven?
1. Om Hem van de afgoden te onderscheiden. 2. Om daardoor ook iets van Hem aan ons bekend te maken.
Hebben dan al de namen Gods enige beduidenis?
Ja.
Welke zijn Zijn twee gewoonste namen?
De naam God en de naam Heere.
Is de naam God niet maar een naam van een ambt of bediening?
Neen; maar een naam van het Wezen Gods Zelf. Hij is van nature God, in tegenstelling der afgoden. Gal. 4:8. Maar toen, als gij God niet kendet, diendet gij degenen, die van nature geen goden zijn.
Nochtans wordt de naam van God ook aan engelen en overheden gegeven. Ps. 82:6. Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden; en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten?
Dan wordt die buiten zijn eigenlijke betekenis oneigenlijk overgebracht.
Welke is Gods allergrootste naam?
De naam Jehovah of Heere.
Kan die wel aan enig schepsel gegeven worden?
Neen. Jes. 42:8. Ik ben de Heere, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven, noch Mijn lof den gesneden beelden.
Is die naam dan zo groot van betekenis?
Ja: hij betekent het zelf-zijn, de Onveranderlijkheid en Getrouwheid van God. Ex. 3:14. En God zeide tot Mozes: IK ZAL ZIJN, Die IK ZIJN ZAL! Ook zeide Hij: Alzo zult gij tot de kinderen Israels zeggen: IK ZAL ZIJN heeft mij tot ulieden gezonden! Ex. 6:2. En Ik ben aan Abraham, Izak, en Jakob verschenen, als God de Almachtige; doch met Mijn Naam Heere ben Ik hun niet bekend geweest.
Mag men Christus wel Jehovah noemen?
Ja; omdat Hij ook waarachtig God is. Jer. 23:6. In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israel zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De Heere: ONZE GERECHTIGHEID.
III. Van Gods eigenschappen
Zijn Gods eigenschappen iets van God onderscheiden?
Neen: zij zijn God Zelf: daarom wordt Hij genoemd het Licht. 1 Joh. 1:5. En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben, en wij u verkondigen, dat God een Licht is, en gans geen duisternis in Hem is. Het Leven, de Waarheid, de Liefde. 1 Joh. 4:8. Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend; want God is liefde. De Heiligheid zelve; zweren bij Zijn heiligheid, en zweren bij Zichzelven is één. Amos 4:2. De Heere Heere heeft gezworen bij Zijn heiligheid, dat er, ziet, dagen over ulieden zullen komen, dat men u zal optrekken met haken, en uw nakomelingen met visangelen. Vergeleken met Hebr. 6:13. Want als God aan Abraham de belofte deed, dewijl Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelven.
Zijn Gods eigenschappen ook verscheiden, en onderscheiden van elkander?
Niet in God; want in Hem is alles maar één oneindige volmaaktheid; maar alleen naar onze manier van bevatten en naar de verscheidene uitlatingen van Gods volmaaktheid omtrent de schepselen.
Hoe worden dus Gods eigenschappen gewoonlijk onderscheiden?
In onmededeelbare en mededeelbare eigenschappen. Gen. 1:26. En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis. 1 Joh. 3:2. Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. 2 Petr. 1:4. Door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid.
Welke zijn de onmededeelbare?
De onafhankelijkheid, de eenvoudigheid, de eeuwigheid, de overaltegenwoordigheid en de onveranderlijkheid Gods.
Waarom noemt gij die onmededeelbaar?
Omdat er geen de minste gelijkheid van is in enig schepsel.
Wat is de onafhankelijkheid Gods?
Dat Hij is van Zichzelven; en bestaat door Zichzelven. Gen. 17:1. Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!
Wat is de eenvoudigheid Gods?
Dat alles in God één is zonder samenstelling van verscheidene delen of zaken. Deut. 6:4. Hoor, Israel! de Heere, onze God, is een enig Heere!
Wat is de eeuwigheid Gods?
1. Dat Hij is zonder enig begin. 2. Zonder enig vervolg of onderscheid van tijd. 3. Zonder einde. Ps. 90:2. Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.
Behoort tot Gods eeuwigheid ook, dat er bij Hem geen vervolg van tijd is?
Ja; want één dag is bij den Heere als duizend jaren, en duizend jaren als één dag. 2 Petr. 3:8.
Waar is God?
Overaltegenwoordig. Jer. 23:23, 24. Ben Ik een God van nabij, spreekt de Heere, en niet een God van verre? Zou zich iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt de Heere; vervul Ik niet den hemel en de aarde? spreekt de Heere.
Moet men dat alleen van Zijn werkingen, of ook van Zijn Wezen verstaan?
Ook van Zijn Wezen, dat van Zijn werkingen niet kan worden afgescheiden, dewijl Hij werkt door Zijn Wezen. Hand. 17:27. Opdat zij den Heere zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten; hoewel Hij niet verre is van een iegelijk van ons.
Waarom wordt God dan zo bijzonder gezegd in den hemel te zijn?
Omdat Hij daar Zijn heerlijkheid meer vertoont dan elders. Jes. 66:1. Alzo zegt de Heere: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen, en waar is de plaats Mijner rust?
Is God veranderlijk of onveranderlijk?
Onveranderlijk. Mal. 3:6. Want Ik, de Heere, word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd.
Nochtans wordt aan God berouw toegeschreven. Gen. 6:6. Toen berouwde het den Heere, dat Hij den mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart?
Dat berouw is in God maar een verandering in Zijn werk; niet in Zijn wil en Wezen zelf. Num. 23:19. God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken?
Hem wordt ook verandering van plaats toegeschreven: dat Hij nederdaalt, ergens komt en weder weg gaat. Gen. 11:5. Toen kwam de Heere neder, om te bezien de stad en den toren, die de kinderen der mensen bouwden?
Dat is maar een verandering in de meerdere of mindere vertoning van Zijn tegenwoordigheid, niet in Zijn wezenlijke tegenwoordigheid zelve.
Welke zijn de mededeelbare eigenschappen?
Die worden gemeenlijk genoemd: Gods wetenschap, wil en macht, Zijn rechtvaardigheid, goedheid, genade, barmhartigheid en lankmoedigheid.
Waarom worden die mededeelbaar genoemd?
Omdat er enige verre gelijkheid van is in de schepselen, hoewel ze ook, zoals zij in God zijn, oneindig en zo onmededeelbaar zijn.
Wat is de wetenschap Gods?
Die volmaaktheid Gods, waardoor Hij op de volmaaktste wijze van eeuwigheid in Zich alles weet. Hand. 15:18. Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend.
Waarover gaat Gods wetenschap?
Over alle dingen: en zo is Hij alwetend. 1 Joh. 3:20. Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart, en Hij kent alle dingen. Ps. 147:4. Hij telt het getal der sterren; Hij noemt ze allen bij namen.
Weet God alle toekomende en gebeurlijke dingen?
Ja. Ps. 139:2. Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten.
Voorweet God die uit kracht van een voorgaand besluit, of door een zogenaamde middelkennis?
Uit kracht van Zijn besluit, en onder een zekerheid van haar toekomendheid.
Hoe wordt Gods wil onderscheiden?
In een wil van Gods besluit en een wil des gebods, of anders een verborgen en geopenbaarden wil.
Wat is de wil van Gods besluit?
Gods eeuwig voornemen, naar hetwelk Hij Zelf alles doet in den tijd. Ef. 1:11. In Hem, in Welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil.
Wat is de wil van Gods gebod, of Zijn geopenbaarde wil?
Dien Hij ons tot een regel voorschrijft in Zijn Woord, en dien Hij van ons wil gedaan hebben. Rom. 12:2. En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij.
Naar welke van die twee moeten wij ons gedragen?
Naar den wil des bevels; want de wil des besluits is ons onbekend. Deut. 29:29. De verborgene dingen zijn voor den Heere, onzen God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden dezer wet.
Wat is Gods rechtvaardigheid?
Die volmaaktheid Gods, waardoor Hij alle zonden haat en straft. Ps. 5:5, 6, 7. Want Gij zijt geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren. De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid. Gij zult de leugensprekers verdoen; van den man des bloeds en des bedrogs heeft de Heere een gruwel.
Moet God alle zonden noodzakelijk straffen?
Ja. Rom. 1:32. Dewelken, daar zij het recht Gods weten, namelijk, dat degenen, die zulke dingen doen, des doods waardig zijn) niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen, die ze doen.
Ligt dan God onder dwang?
Neen: dat moeten is in God een allergenegendst willen. Hab. 1:13. Gij zijt te rein van ogen, dan dat Gij het kwade zoudt zien, en de kwelling kunt Gij niet aanschouwen; waarom zoudt Gij aanschouwen die trouwelooslijk handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen, als de goddeloze dien verslindt, die rechtvaardiger is dan hij?
Kan God van dat recht niet wat afstaan?
Neen; dan zou Hij Zichzelven verloochenen, want Zijn rechtvaardigheid is ook God Zelf. Ex. 34:6, 7. Als nu de Heere voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: Heere, Heere, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, en aan de kindskinderen, in het derde en vierde lid.
Wel immers vergeeft God de schuld en straf der zonde aan de gelovigen?
Dan is Gods rechtvaardigheid al in Christus voldaan: Die heeft voor hen de straf gedragen. Ef. 1:7. In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade.
Hoedanig is Gods macht?
Een almacht. Matth. 19:26. En Jezus, hen aanziende, zeide tot hen: Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.
Kan God dan ook wel sterven, zondigen, enz.?
Neen, dat zou een onmacht zijn, en geen macht.
Wat is Gods goedheid?
In het algemeen: Zijn beminnelijkheid omtrent Zijn schepselen. Ps. 4:7, 8. Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere! Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn. Bijzonder: de uitlatingen Zijner weldadigheid en liefde omtrent Zijn schepselen, de mensen, en bovenal aan Zijn gunstgenoten. Ps. 36:7. Heere! Gij behoudt mensen en beesten. Joh. 3:16. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
Wat is Gods genade?
Die goedheid Gods, waardoor Hij zonder inzicht van des mensen waardigheid hem weldoet.
Hoe velerlei genade is er?
Zij is of algemeen omtrent allen. Matth. 5:45. Want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Of bijzonder en zaligmakend, omtrent de uitverkorenen alleen. Rom. 3:24. En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is. Matth. 11:25. Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde! dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard. Gen. 6:8. Maar Noach vond genade in de ogen des Heeren. Luk. 1:30. En de engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden. En die wederom voorkomende, inwerkende en achtervolgende genade.
Wat is Gods barmhartigheid?
Die goedheid Gods omtrent den ellendigen, uitverkoren zondaar, waardoor Hij hem dagelijks wederom herstelt in den genadestaat, door den Middelaar Jezus. Ex. 34:6. Als nu de Heere voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: Heere, Heere, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Ef. 2:4. Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft.
Wat is Gods lankmoedigheid?
Die goedheid Gods, waardoor Hij de welverdiende straf uitstelt, om de uitverkorenen tot bekering te brengen en de verworpenen te overtuigen. Rom. 2:4. Of veracht gij den rijkdom Zijner goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt?
Wat is Gods hoogheid?
Gods oppergezag boven alle schepselen. Jer. 10:6, 7. Omdat niemand U gelijk is, o Heere! zo zijt Gij groot, en groot is Uw Naam in mogendheid. Wie zou U niet vrezen, Gij Koning der heidenen? Want het komt U toe; omdat toch onder alle wijzen der heidenen, en in hun ganse koninkrijk, niemand U gelijk is. En kap. 18:6. Zal Ik ulieden niet kunnen doen, gelijk deze pottenbakker, o huis Israels? spreekt de Heere; ziet, gelijk leem in de hand des pottenbakkers, alzo zijt gijlieden in Mijn hand, o huis Israels! Rom. 9:18, 20. Zo ontfermt Hij Zich dan, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij wil. Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzo gemaakt?
IV. Van de drie personen
Hoeveel Personen zijn er in het goddelijk wezen?
Drie: de Vader, de Zoon en de H. Geest.
Mag men het woord "Drieëenheid" wel gebruiken?
Ja; het is schriftuurlijk. 1 Joh. 5:7. Want Drie zijn er, Die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn Een.
Mag men ook het woord "persoon" hier gebruiken?
Ja; dat is hier hetzelfde met het woord zelfstandigheid. Hebr. 1:3. Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en.
Kan de heilige Drieëenheid wel bewezen worden uit de natuur?
Neen; maar alleen uit de Heilige Schrift, want zij is een verborgenheid, wel niet tegen, maar nochtans boven de natuur.
Hoe bewijst men de Drieëenheid uit de Heilige Schrift?
1. Uit het Oude Testament. 2. Uit het Nieuwe Testament.
Hoe uit het Oude Testament?
1. Uit teksten, waar God van Zichzelven in het meerder getal spreekt. Gen. 1:26. En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis. 2. Uit teksten, waar God en God, Heere en Heere worden onderscheiden. Ps. 45:8. Daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten. Ps. 110:1. De Heere heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten. 3. Uit teksten, waar de drie Personen uitdrukkelijk genoemd en onderscheiden worden. Ps. 33:6. Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir.
Hoe bewijst gij de Drieëenheid uit het Nieuwe Testament?
1 Joh. 5:7. Drie zijn er, Die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn Een. Ook in onzen doop. Matth. 28:19. Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. Ook toen Christus gedoopt werd. Matth. 3. De zoon werd gedoopt, de Vader sprak uit den hemel, en de Geest Gods kwam nederdalen gelijk een duif.
Waarin zijn de drie Personen één?
In wezen.
Waarin zijn zij drie?
In personen.
Zijn zij dan als Personen onderscheiden?
Ja, door hun personele eigenschappen of wijze van bestaan.
Welke is de personele eigenschap van den Vader?
Dat Hij als Vader is van Zichzelven.
Welke is de personele eigenschap van den Zoon?
Dat Hij gegenereerd is van den Vader. Ps. 2:7. Ik zal van het besluit verhalen: de Heere heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
Welke is de personele eigenschap van den H. Geest?
Dat Hij uitgaat van den Vader en van den Zoon. Joh. 15:26. Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, Dien Ik u zenden zal van den Vader, namelijk de Geest der waarheid, Die van den Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen.
Waarom noemt gij dat personele eigenschappen en niet wezenlijke?
Omdat zij niet aan het gehele Wezen, maar elk alleen aan één persoon eigen zijn.
Wanneer is de Zoon van den Vader gegenereerd?
Van eeuwigheid. Spr. 8:24. Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water.
In God is niet dan een eeuwig en onveranderlijk heden.
Is dan de Zoon de eigen en natuurlijke Zoon van God?
Ja. Joh. 1:18. Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard.
Waarom wordt de tweede Persoon dan eigenlijk Gods Zoon genaamd?
Omdat de Vader van eeuwigheid tot eeuwigheid hetzelfde goddelijk Wezen aan den Zoon mededeelt. Joh. 5:26. Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelven, alzo heeft Hij ook den Zoon gegeven, het leven te hebben in Zichzelven. Kol. 1:15. Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller kreaturen. Hebr. 1:3. Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechter hand der Majesteit in de hoogste hemelen. Kol. 2:9. Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.
Is Hij dan niet eerst Gods Zoon geworden, door Zijn geboorte uit Maria of door Zijn Middelaarsambt?
Neen; Hij was al vooraf Gods Zoon. Gal. 4:4. Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet.
Gaat de Heilige Geest alleen uit van den Vader?
Neen; maar ook van den Zoon; daarom wordt Hij ook genoemd, de Geest van Christus. Rom. 8:9. Doch gijlieden zijt niet in het vlees, maar in den Geest, zo anders de Geest Gods in u woont. Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe. Gal. 4:6. En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!
Is de H. Geest niet maar een kracht of eigenschap Gods?
Neen; Hij is een dadelijk Persoon, hebbende verstand en wil. Want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. 1 Kor. 2:10 en 12:11. Doch deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil. Hij is ook verschenen in den doop van Christus. Matth. 3:16. En Jezus, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen, gelijk een duive, en op Hem komen.
Is Hij ook een onderscheiden persoon?
Ja; Hij wordt uitdrukkelijk een ander genoemd. Joh. 14:16. En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid.
Waaruit bewijst men, dat de Zoon en de H. Geest zowel God zijn als de Vader?
1. Uit hun goddelijke namen. 2. Uit hun goddelijke eigenschappen. 3. Uit hun goddelijke werken. 4. Uit hun goddelijke eer.
Bewijs eens dat er Goddelijke namen gegeven worden aan den Zoon?
1. De naam Heere of Jehova. Jer. 23:6. In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israel zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De Heere: ONZE GERECHTIGHEID. 2. De naam God. 1 Joh. 5:20. Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven.
Bewijs eens dat de naam van God gegeven wordt aan den H. Geest?
Hand. 5:3, 4. En Petrus zeide: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt, en onttrekken van den prijs des lands? Zo het gebleven ware, bleef het niet uw, en verkocht zijnde, was het niet in uw macht? Wat is het, dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen? Gij hebt den mensen niet gelogen, maar Gode.
Bewijs een Goddelijke eigenschap van den Zoon?
De eeuwigheid, Micha 5:1. En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israel, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.
Bewijs eens een Goddelijke eigenschap van den H. Geest?
De overaltegenwoordigheid. Ps. 139:7. Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?
Welke goddelijke werken worden hun toegeschreven?
De schepping en onderhouding van alles. Ps. 33:6. Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir.
Welke goddelijke eer komt hun toe?
In hun naam gedoopt te worden, in hen te geloven, en hen te aanbidden. 2 Kor. 13:13. De genade van den Heere Jezus Christus, en de liefde van God, en de gemeenschap des Heiligen Geestes, zij met u allen. Amen.
Is deze leer nodig tot zaligheid?
Ja; omdat men daardoor God recht leert kennen en verzoening zoeken met den Vader als Rechter in de voldoening van den Zoon, door de werking van den H. Geest. Joh. 6:44. Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. 1 Joh. 1:3. Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus.
Hoofdstuk 4: Van Gods besluiten
Zijn Gods besluiten iets onderscheiden van God?
Neen; zij zijn de besluitende God Zelf, zo als Zijn verstand en wil zich uitlaten tot het bepalen der dingen buiten Hem.
Wanneer heeft God Zijn besluiten genomen?
Van eeuwigheid. Hand. 15:18. Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend.
Zijn het vrije besluiten?
Ja. Matth. 11:26. Ja, Vader! Want alzo is geweest het welbehagen voor U.
Zijn het ook wijze besluiten?
Ja. Rom. 11:33. O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!
Zijn Zijn besluiten ook veranderlijk?
Neen; onveranderlijk. Jes. 46:10. Die van den beginne aan verkondigt het einde, en van ouds af die dingen, die nog niet geschied zijn; Die zegt: Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen.
Waarover gaan Gods besluiten?
Over alle dingen. Ef. 1:11. Wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil.
Zijn er ook besluiten onder een voorwaarde, die afhangt van des mensen vrijen wil?
Neen; maar wel onder een voorwaarde, die God mede besloten heeft, en die Hij Zelf zekerlijk werkt. Dus had God besloten Petrus zalig te maken, onder voorwaarde van geloof en bekering, maar te gelijk had God besloten, geloof en bekering in der tijd in hem te werken, en ook dadelijk gewrocht.
Van de predestinatie
Heeft God ook besloten, wie er zalig zal worden en wie niet?
Ja.
Hoe noemt men dat besluit?
Predestinatie of voorverordinering. Rom. 8:30. En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.
Hoeveel delen of daden Gods moet men daarin onderscheiden?
Twee; de verkiezing en de verwerping. 1 Thess. 5:9. Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus.
Wanneer is de verkiezing geschied?
Van eeuwigheid. Ef. 1:4. Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde.
Is zij algemeen, zijn alle mensen verkoren?
Neen; het minste getal. Matth. 20:16. Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.
Gaat zij ook over zekere met namen bij God bekende personen?
Ja. Rom. 9:13. Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat.
Wat is de reden, dat God den een verkoren heeft, en den anderen niet?
Alleen Gods vrij en souverein welbehagen. Rom. 9:18. Zo ontfermt Hij Zich dan, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij wil.
Is het dan niet om een voorgezien geloof, of goede werken?
Neen. Zo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods. Rom. 9:16.
Is daar geen hardheid of onrechtvaardigheid in?
Neen; want God had rechtvaardig alle mensen kunnen laten verloren gaan.
Is die verkiezing veranderlijk?
Neen; onveranderlijk. Rom. 9:11. Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit den Roepende.
Vloeit daar niet uit, dat het dan evenveel is, hoe men leeft?
Neen; want God heeft de middelen tot het einde meteen besloten. Rom. 8:29, 30. Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen. En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.
Zo eens een uitverkorene weigerde de middelen te gebruiken: wat dan?
God geeft hem hart en lust om te willen. Fil. 2:13. Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.
Welke zijn de tekenen der verkiezing?
Geloof, hoop en liefde. 1 Thess. 1:3, 4. Zonder ophouden gedenkende het werk uws geloofs, en den arbeid der liefde, en de verdraagzaamheid der hoop op onzen Heere Jezus Christus, voor onzen God en Vader; Wetende, geliefde broeders, uw verkiezing van God.
Waartoe dient dit leerstuk der voorverordinering?
Het dient om God te verheerlijken in Zijn oppermacht, onafhankelijkheid, wijsheid, genade, rechtvaardigheid en waarheid. Rom. 11:33. O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen! En om den mens te vernederen, Rom. 9:20, 21. Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzo gemaakt? Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken, het ene vat ter ere, en het andere ter onere? 1 Kor. 4:7. Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? En zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt?
Hoofdstuk 5: Van den raad des vredes
Hoe kan God sommigen van het gevallen mensdom tot de zaligheid voorschikken, daar Hij met den zondaar geen gemeenschap kan hebben?
Om dat betamelijk met Zijn heiligheid en rechtvaardigheid te kunnen doen, is Christus van eeuwigheid met Zijn borgtocht tussenbeide gekomen; welke onderhandeling oneigenlijk genaamd wordt: het verbond der verlossing of den raad des vredes.
Wat verstaat gij door den raad des vredes?
Den wil des Vaders van eeuwigheid om de uitverkorenen door Christus' lijden te verlossen, en den wil des Zoons om Zichzelven tot een Borg te stellen voor de uitverkorenen.
Is er van eeuwigheid zulk een verdrag geweest tussen den Vader en den Zoon?
Ja; daartoe brengen de godgeleerden bij. Ps. 2:7, 8. Ik zal van het besluit verhalen: de Heere heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting. Luk. 22:29. Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijkerwijs Mijn Vader dat Mij verordineerd heeft.
Hoeveel dingen hebt gij aan te merken in dezen raad des vredes?
Twee zaken. 1. De overeenkomende partijen. 2. Het werk van de onderlinge partijen.
In welk opzicht kwam de Vader daarin voor?
Als een vrijmachtig Heer, Die met Zijn Zoon handelt over de borgtocht voor de uitverkorenen, welke Hij niet gehouden was toe te laten.
Hoe kwam de Zoon daarin voor?
Als Borg en Middelaar, Die Zichzelven gaat verbinden om voor de schulden der uitverkorenen te betalen.
Wat was het werk des Vaders in den raad des vredes?
De Vader eiste van Zijn Zoon alles, wat nodig was, om de uitverkorenen te verlossen, welke eis is des Vaders eeuwigen wil. Joh. 6:39. Dit is de wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft, dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit niet verlieze, maar hetzelve opwekke ten uitersten dage.
Beloofde de Vader ook iets aan den Zoon?
Ja: Hij zeide aan Zijn Zoon een zeker zaad toe, waarover Hij Hoofd en Koning zou zijn. Joh. 17:9. Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt.
Is er nog iets van den Vader gedaan?
Ja: God de Vader heeft ook die belofte aan Zijn Zoon door eedzwering bevestigd. Ps. 110:4. De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.
Wat was het werk des Zoons in dat verdrag?
Christus stemde aan Zijn zijde toe den eis des Vaders, en nam aan volkomen voor de uitverkorenen te voldoen. Ps. 40:8, 9. Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven. Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands.
Heeft Gods Zoon nog iets gedaan?
Ja; Hij deed een wedereisen, dat Hij de uitverkorenen dan zou hebben tot Zijn erfdeel. Ps. 2:8. Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting.
Hoofdstuk 6: Van de schepping
Voert God Zijn besluiten ook uit?
Ja; in der tijd, door Zijn werken.
Hoe velerlei zijn Gods werken in der tijd?
Tweeërlei: Zijn werken in de natuur en Zijn werken in de genade.
Hoe velerlei zijn Zijn werken in de natuur?
Ook tweeërlei: het werk der schepping en het werk der voorzienigheid.
Wat is scheppen?
Door een almachtige daad van een enkelen wil iets voortbrengen. Openb. 4:11. Gij Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil zijn zij, en zijn zij geschapen.
Wie is de Schepper van alles?
De Drieëenige God. Gen. 1:1. In den beginne schiep God den hemel en de aarde.
Wanneer heeft Hij alles geschapen?
In den beginne.
Waaruit is alles geschapen?
Uit niets. Rom. 4:17. En roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren.
Waar leest men de geschiedenis van de schepping?
In hoeveel tijd schiep God alles?
Ten opzichte van de stof in één ogenblik, en ten opzichte van de verdere schikking in zes dagen.
Zijn ook de engelen geschapen?
Ja. Ps. 104:4. Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur.
Wat zijn engelen?
Gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen. Hebr. 1:14.
Wanneer zijn zij geschapen?
Waarschijnlijk op den eersten dag, want toen de aarde nederzonk op haar grondvesten, toen zongen de morgensterren al te zamen vrolijk, en de kinderen Gods juichten. Job 38:6, 7.
Hoe schiep God de engelen, goed of kwaad?
Goed, want God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Gen. 1:31.
Zijn zij allen goed gebleven?
Neen; daar is een deel afgevallen, en zijn duivelen in de hel geworden. Jud. 6. En de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel des groten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.
Wie waren de eerste mensen?
Adam en Eva.
Waaruit schiep God Adam?
Uit het stof der aarde. Gen. 2:7.
Waaruit Eva?
Uit een rib van Adams lijf. Gen. 2.
Uit hoeveel delen bestaat de mens?
Uit twee: uit ziel en lichaam.
Werd dan hun ziel daaruit ook geschapen?
Neen; die kwam onmiddellijk van God, Die blies er een levende ziel in. Gen. 2.
Wat is de ziel?
Een onsterfelijke geest, waardoor wij leven en rede gebruiken.
Wat deed God op den zevenden dag?
Hij rustte en heiligde denzelve. Gen. 2.
Was God dan vermoeid van scheppen?
Neen. De Schepper van de einden der aarde wordt noch moede noch mat. Jes. 40:28.
Wat is het dan te zeggen, dat Hij rustte?
Dat Hij ophield met scheppen.
Waartoe heeft God de wereld geschapen?
De Heere heeft alles gewrocht om Zijns Zelfs wil; dat is, tot Zijn heerlijkheid. Spr. 16:4.
Hoofdstuk 7: Van de voorzienigheid
Houdt dan nu God op van alle werk omtrent de schepselen?
Neen; daar is nog een gedurig werk der goddelijke voorzienigheid. Joh. 5:17. Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook.
In hoeveel daden bestaat Gods voorzienigheid?
In drie: in onderhouding, medewerking en regering.
Wat is de onderhouding?
Die almachtige kracht Gods, waardoor Hij alles doet blijven in zijn wezen. Hebr. 1:3. En alle dingen draagt door het woord Zijner kracht.
Wat is Gods medewerking?
Die almachtige kracht Gods, waardoor Hij medewerkende invloeit in alle bewegingen en werkingen der schepselen. 1 Kor. 12:6. En er is verscheidenheid der werkingen, doch het is dezelfde God, Die alles in allen werkt.
Wat is de regering Gods?
Die almachtige kracht Gods, waardoor Hij alles bestiert tot een zeker bepaald einde. Ps. 93:1. De Heere regeert, Hij is met hoogheid bekleed; de Heere is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord. Ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen.
Waarover gaat de voorzienigheid Gods?
Over alle dingen. Ef. 1:11. Wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil.
Ook over kleine dingen?
Ja. Matth. 10:30. En ook uw haren des hoofds zijn alle geteld.
Is dat niet tot oneer van God, Zich met zulke kleine dingen te bemoeien?
Neen; 1. dewijl het Hem geen oneer is, die te hebben geschapen, 2. omdat Hij er ook geen groter dingen om behoeft te verzuimen, 3. en Hij er ook dikwijls grote zaken door uitvoert.
Gaat Gods voorzienigheid ook over dingen, die bij geval gebeuren?
Ja; het lot wordt in den schoot geworpen, maar het gehele beleid daarvan is van den Heere. Spr. 16:33.
Geschiedt er ook iets bij geval?
Niet ten opzichte van God, maar wel ten opzichte van ons.
Gaat Gods voorzienigheid ook omtrent onzen dood en ons leven?
Ja; de tijd daarvan is ook bij God bepaald. Job 14:5. Dewijl zijn dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden bij U is, en Gij zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal.
Kan dan een mens zijn leven niet verlengen of verkorten?
Niet ten opzichte van God, maar wel naar den mens.
Is dan het gebruik van alle middelen om te leven niet onnut?
Neen; die heeft God mede besloten als middelen tot dat einde, en Hij geeft ook den mens den wil om ze te gebruiken.
Gaat Gods voorzienigheid ook over de allervrijste dingen?
Ja, zelfs over de gedachten. Spr. 21:1. Des konings hart is in de hand des Heeren als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.
Neemt dat des mensen vrijheid niet weg?
Neen; die bestiering is geen dwang, maar een gewillige neiging.
Gaat Gods voorzienigheid ook omtrent de zonde?
Ja; Hij laat ze toe, bepaalt en bestiert ze tot een zeker einde. Gen. 50:20. Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden.
Werkt God de zonde zelve niet?
Neen; een heilig God kan geen oorzaak zijn van iets zondigs. Hij haat en straft de zonde.
Werkt God dan het goede?
Ja. 2 Kor. 3:5. Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God.
Geeft God daartoe maar eens en voor al krachten, of moet Hij invloeien tot elke bijzondere daad?
Hij moet invloeien tot elke bijzondere daad, daartoe opwekkende en medewerkende. Fil. 2:13. Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.
Waartoe is de leer der voorzienigheid nuttig?
Zij leert Gods volk in tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar, en voor het toekomende vertrouwend te zijn. Job 1:21, 22. Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen; de Naam des Heeren zij geloofd! In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe. Gen. 32:10. Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt; want ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden! Job 13:15. Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.
Hoofdstuk 8: Van het verbond der werken
Heeft God nog een bijzonder bestuur omtrent den mens?
Ja; dien regeert God verbondswijze.
Hoe vele verbonden zijn er?
Twee: een verbond der werken, en een verbond der genade.
Wanneer was het verbond der werken?
Vóór den val.
Met wien heeft God dat opgericht?
Met Adam, en in hem, als het hoofd, met al zijn nakomelingen.
Wat eiste God in het verbond der werken?
Volmaakte gehoorzaamheid aan de wet.
Aan welke wet?
Aan de wet der liefde: God lief te hebben met al zijn kracht, en zijn naasten als zichzelven.
Hoe kwam Adam aan de kennis van die wet?
God had die ingeschapen in zijn hart.
Wat beloofde God in het verbond der werken?
Het eeuwige leven.
Werd die belofte ook door enig sacrament bevestigd?
Ja: door den boom des levens.
Wat dreigde God in dat verbond?
Den dood.
Voegde God er ook nog een proefgebod bij?
Ja: niet te eten van den boom der kennisse, des goed en des kwaads. Gen. 2:17. Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.
Hoofdstuk 9: Van het beeld Gods
Kon de mens dat verbond onderhouden?
Ja: God had den mens zo geschapen, dat hij dat kon doen.
Hoe schiep God den mens?
Goed en oprecht.
Is hij dan niet in een bloten natuurstaat, tussen goed en kwaad geschapen?
Neen; maar in een dadelijke, zedelijke rechtheid. Pred. 7:29. Dit heb ik gevonden, dat God den mens recht gemaakt heeft, maar zij hebben veel vonden gezocht.
Waarnaar schiep God den mens?
Naar Zijn beeld. Gen. 1:27.
Waarin bestond dat beeld?
In kennis, gerechtigheid en heiligheid.
Niet in de uiterlijke gestalte des lichaams?
Neen; want God heeft geen lichaam.
Niet in de heerschappij over de beesten?
Neen; die is maar een gevolg van het beeld en zal in den hemel niet zijn, waar nochtans Gods beeld op het allervolmaakst zal wezen.
Bewijs eens, dat het beeld Gods bestond in kennis?
Kol. 3:10. En aangedaan hebt den nieuwen mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft.
Bewijs eens, dat het ook bestond in gerechtigheid en heiligheid?
Ef. 4:24. En den nieuwen mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid.
Was Adam met dat beeld sterfelijk?
Neen, onsterfelijk; want de dood is eerst op de zonde gedreigd. Gen. 2:17. Ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.
Hoofdstuk 10: Van de zonde
I. Van Adams val
Heeft de mens dat beeld nog?
Neen, hij heeft het verloren door de zonde.
Wat was de eerste zonde des mensen?
Het eten van den boom der kennis des goeds en des kwaads.
Waar stond die boom?
In het Paradijs.
Welke vrucht groeide daaraan?
Dat is onbekend.
Wie at daar eerst van, Adam of Eva?
Eva.
Van wien werd zij verleid?
Van den duivel, door middel van een slang. Gen. 3:1-7. De slang nu was listiger dan al het gedierte des velds, hetwelk de Heere God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook, dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs? En de vrouw zeide tot de slang: Van de vrucht der bomen dezes hofs zullen wij eten; Maar van de vrucht des booms, die in het midden des hofs is, heeft God gezegd: Gij zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft. Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven; Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad. En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at. Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten. Openb. 12:9. En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen. Joh. 8:44. Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen.
Wat maakte die haar wijs?
Dat zij niet zou sterven, maar als God zijn, kennende goed en kwaad.
Door wien werd Adam dan verlokt?
Door zijn vrouw; die gaf hem en hij at.
Waar leest men de geschiedenis van den val?
Welke gevolgen had die zonde voor Adam en Eva?
1. Het verliezen van Gods beeld. 2. Het gevoel dat zij naakt waren. 3. Schrik in het geweten. 4. Uitwerping uit het paradijs. 5. Den dood.
II. Van de erfzonde
Raakt Adams zonde ons ook?
Ja: zij wordt ons toegerekend.
Waarom?
Omdat Adam het hoofd des verbonds was, en daarin aangemerkt werd, als vertegenwoordigende al zijn nakomelingen. Rom. 5:12. Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.
Welke zonden hebben wij dan door Adam?
De erfzonde. Ps. 51:7. Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.
Hoe velerlei zonde is er dan?
Tweeërlei: erfzonde en dadelijke zonde.
Hoe wordt de erfzonde de onze?
Door toerekening en overerving.
Wie rekent ons Adams zonde toe?
God.
Wat rekent Hij ons toe?
De schuld der zonde. Rom. 5:19. Gelijk door de ongehoorzaamheid van dien enen mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Enen velen tot rechtvaardigen gesteld worden. 1 Kor. 15:22. Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.
Wat erven wij over?
De smet der zonde. Job 14:4. Wie zal een reine geven uit den onreine? Niet een.
Van wien?
Van onze ouders.
Wat is de schuld der zonde?
De verbintenis tot straf om Adams zonde. Rom. 5:18. Zo dan, gelijk door een misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis; alzo ook door een rechtvaardigheid komt de genade over alle mensen tot rechtvaardigmaking des levens.
Wat is de smet der zonde?
De inklevende verdorvenheid, welke zich verspreid heeft over den gehelen mens. Gen. 8:21. Want het gedichtsel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan. Rom. 6:12, 13. Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden deszelven lichaams. En stelt uwe leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid; maar stelt uzelven Gode, als uit de doden levende geworden zijnde, en stelt uw leden Gode tot wapenen der gerechtigheid.
Hebben alle mensen erfzonde?
Ja. uitgezonderd Christus. Joh. 3:6. Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees.
Waarom had Christus geen erfzonde?
Omdat Hij ontvangen is van den H. Geest. Luk. 1:35. En de engel, antwoordende, zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.
III. Van de dadelijke zonde en haar straf
Hebben alle mensen ook dadelijke zonden?
Ja. Jak. 3:2. Wij struikelen allen in vele.
Waarmede begaan wij die?
Met gedachten, met woorden en met werken. Spr. 6:18. Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen. Matth. 12:36. Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, hetwelk de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels. Matth. 15:19. Want uit het hart komen voort boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen.
Liggen dan alle mensen van nature in een staat van ellende?
Ja.
In hoeveel stukken bestaat des mensen ellende?
In drie: in zonde, in onmacht daaronder, en in straf.
Is dan de mens ook onder zijn zonden geestelijk onmachtig?
Ja: tot alle geestelijk goed. Rom. 8:7. Het bedenken des vleses vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet.
Heeft de mens dan geen vrijen wil of eigen natuurkrachten tot geestelijk goed?
Neen. Ef. 2:1. En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden.
Zijn dan alle geboden, bedreigingen en beloften van God niet te vergeefs?
Neen, dat zijn middelen, waardoor God den mens, als een redelijk schepsel, bewerken wil tot zijn plicht.
Wat is de straf der zonde?
De dood. Rom. 6:23. De bezoldiging der zonde is de dood.
Hoe velerlei dood is er?
Drieërlei: een lichamelijke, geestelijke en eeuwige dood.
Wat is de lichamelijke dood?
Een scheiding van ziel en lichaam.
Wat is de geestelijke dood?
1. Een scheiding van Gods gunst, en 2. een onmacht in de zonde. Jes. 59:2. Maar uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen ulieden en tussen uw God, en uw zonden verbergen het aangezicht van ulieden, dat Hij niet hoort. Ef. 2:1. En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden.
Wat is de eeuwige dood?
Een eeuwig straflijden in de hel. Openb. 14:11. En de rook van hun pijniging gaat op in alle eeuwigheid.
Verdienen alle zonden die straf?
Ja, tot de kleinste toe. Gal. 3:10. Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.
Zijn er dan geen vergeeflijke zonden?
Wel in Christus, de zonde tegen den H. Geest alleen uitgezonderd, doch geen vergeeflijke in zichzelve. Jak. 2:10. Want wie de gehele wet zal houden, en in een zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle. Deut. 27:26. Vervloekt zij, die de woorden dezer wet niet zal bevestigen, doende dezelve! En al het volk zal zeggen: Amen.
Is door de zonde het verbond der werken vernietigd?
Ja, ten opzichte van deszelfs macht om iemand te rechtvaardigen.
Welk gevolg trekt gij uit 's mensen ellende?
Dat er behalve de satan geen ongelukkiger schepsel is dan de natuurlijke mens.
Hoofdstuk 11: Van het verbond der genade
Is er in deszelfs plaats weer een ander verbond opgericht?
Ja, het verbond der genade.
Wanneer is dat opgericht?
Terstond na den val. Gen. 3:15. Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.
Wat is het genade-verbond?
Het genade-verbond is die weg, langs welken God door Christus het eigendom wordt van den zondaar, en hij een eigendom Gods. Jer. 31:33. Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israel maken zal, spreekt de Heere: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
Met wien wordt dat opgericht?
Alleen met de uitverkorenen. Ezech. 16:6. Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zeide tot u in uw bloed: Leef!
Wat eist God in dat verbond?
Hetgeen Hij daarin eist, is tevens een belofte des verbonds, namelijk: het geloof in Jezus Christus. Hos. 2:19. En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den Heere kennen. Hab. 2:4. Maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven. Ps. 27:8. Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o Heere!
Wat belooft Hij in hetzelve?
Genade hier, en het eeuwige leven hiernamaals. Hand. 16:31. Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.
Is dat verbond door alle tijden wezenlijk hetzelfde?
Ja.
Hebben dan de gelovigen van het oude Testament ook aan alle wezenlijke goederen van het genadeverbond deel gehad?
Ja. Hebr. 13:8. Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.
Hoe gaat de zondaar over in dit verbond?
God nadert eerst tot hem, als Hij den zondaar vriendelijk nodigt en bidt. 2 Kor. 5:20. Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen. Met veel ernst en oprechtheid. Ezech. 33:11. Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels? En al zijn zwarigheden oplost. Jes. 55:2. Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen.
Wat is het gevolg van zulk een nodiging?
Ik trok ze met mensenzelen, met touwen der liefde. Hos. 11:4.
Wat doet de geroepen zondaar aan zijn kant?
Hij neemt den Heere aan tot zijn God en geeft zich aan Hem over ten eigendom. Hoogl. 2:16. Mijn Liefste is mijn, en ik ben Zijn, Die weidt onder de lelien.
Welke zijn de eigenschappen van deze toestemming?
De zondaar doet dit bedaard, vrijwillig, armoedig, gelovig, oprecht, met een gehele toestemming aan de eisen, zowel als aan de beloften des verbonds. Ps. 51:8. Zie, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend.
Wat zijn de gevolgen van deze toestemming?
God gedenkt aan Zijn verbond tot in eeuwigheid. Ps. 105:8. Hij gedenkt Zijns verbonds tot in der eeuwigheid, des woords, dat Hij ingesteld heeft, tot in duizend geslachten. En de bondgenoten hebben recht, om te eisen alles, wat tot het leven en de gelukzaligheid nodig is. Ps. 74:19-21. Geef aan het wild gedierte de ziel Uwer tortelduif niet over; vergeet den hoop Uwer ellendigen niet in eeuwigheid. Aanschouw het verbond; want de duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van geweld. Laat den verdrukte niet beschaamd wederkeren; laat den ellendige en nooddruftige Uw Naam prijzen.
Hoofdstuk 12: Van den Middelaar des verbonds
Wie is de Middelaar van dit verbond?
De Heere Jezus Christus. 1 Tim. 2:5. Er is een God, er is ook een Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus.
Is Hij een Middelaar alleen van tussenspraak, of ook van verzoening?
Ook van verzoening; want zo volgt er in dienzelfden tekst: Die Zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen voor allen. 1 Tim. 2:6.
Is onze Jezus de ware Middelaar of Messias, Die komen moest?
Ja; omdat in Hem alles vervuld is, wat van den Messias voorzegd was.
Is Hij op den rechten tijd gekomen?
Ja. 1. Eer de scepter van Juda nog was geweken, en de wetgever van tussen zijn voeten, volgens Gen. 49:10. Terwijl de tweede tempel nog stond, volgens Hagg. 2:10. En toen de zeventig weken ten einde liepen, volgens Dan. 9:24.
Waarin moet de Middelaar al gekend worden?
1. In Zijn namen. 2. In Zijn ambten. 3. In Zijn naturen. 4. In Zijn staten. 5. In Zijn weldaden.
I. Van den naam Jezus
Welke zijn Zijn meest gewone namen?
Die zijn twee: Jezus en Christus, de eerste een Hebreeuwse, de tweede een Griekse naam.
Wat is Jezus te zeggen?
Zaligmaker. Matth. 1:21. Gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.
Wat is zalig maken?
Iemand te verlossen van het hoogste kwaad en te brengen tot het hoogste goed.
Waardoor doet Hij dat?
Door verdienste en dadelijke toepassing.
Heeft Christus de zaligheid verdiend?
Ja. Hebr. 5:9. En geheiligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak der eeuwige zaligheid geworden.
Past Hij ze ook den Zijnen metterdaad toe?
Ja. Joh. 10:28. Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.
Kan dat verdienen en toepassen niet van elkander gescheiden worden?
Neen; allen, voor wie Hij de zaligheid verdient, dien past Hij ze ook zekerlijk toe. Jes. 53:11. Door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
Hangt die toepassing niet af van onszelven?
Neen, maar van de krachtdadige bewerking der goddelijke genade.
II. Van den naam Christus
Wat is Christus te zeggen?
Gezalfde.
Hoe is die naam in het Hebreeuws?
Messias. Joh. 1:42. Wij hebben gevonden den Messias, hetwelk is, overgezet zijnde, de Christus.
In hoeveel dingen bestaat Zijn zalving?
In twee: in Zijn verordinering en in Zijn bekwaammaking tot Zijn Middelaarsambt.
Wie heeft Hem verordineerd en bekwaam gemaakt?
God de Vader.
Wanneer is die verordinering geschied?
Van eeuwigheid. Spr. 8:23. Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest; van den aanvang, van de oudheden der aarde aan.
Naar welke natuur is Hij verordineerd?
Èn naar Zijn Godheid, èn naar Zijn mensheid.
Wanneer is Hij bekwaam gemaakt?
In de volheid des tijds.
Naar welke natuur?
Naar Zijn menselijke, want in de goddelijke natuur kan geen bekwaammaking plaats hebben.
Waarom wordt Zijn verordinering een zalving genoemd?
Omdat onder het Oude Testament mensen door zalving tot zekere ambten werden ingehuldigd en verordineerd.
Waarom wordt ook Zijn bekwaammaking een zalving genoemd?
Omdat God bij die zalvingen ook wel aan de zodanigen bekwaamheden instortte tot die ambten.
Waarmede is Christus gezalfd of bekwaam gemaakt?
Met den H. Geest. Hand. 10:38. Belangende Jezus van Nazareth, hoe Hem God gezalfd heeft met den Heiligen Geest en met kracht; Welke het land doorgegaan is, goeddoende, en genezende allen, die van den duivel overweldigd waren; want God was met Hem.
Welke gaven van dien Geest zijn Hem bijzonder medegedeeld?
Wijsheid, macht en heiligheid.
Waarin betoonde Hij Zijn wijsheid?
In Zijn leren. Matth. 7:28, 29. En het is geschied, als Jezus deze woorden geeindigd had, dat de scharen zich ontzetten over Zijn leer; Want Hij leerde hen, als macht hebbende, en niet als de Schriftgeleerden.
Waarin betoonde Hij Zijn macht?
In Zijn wonderwerken. Luk. 24:19. De dingen aangaande Jezus den Nazarener, Welke een Profeet was, krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk.
Waarin bestond Zijn heiligheid?
Daarin, dat Hij geen zonde had.
Had Hij geen erfzonde?
Neen. Luk. 1:35. En de engel, antwoordende, zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.
Had Hij ook geen dadelijke zonden?
Neen. Joh. 8:46. Wie van u overtuigt Mij van zonde?
Moest Hij geen zonde hebben?
Neen; want die zelf een zondaar was, kon niet voor anderen betalen. Hebr. 7:26. Want zodanig een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hoger dan de hemelen geworden.
III. Van Zijn ambten
Tot hoeveel ambten is Hij gezalfd?
Tot drie: tot Profeet, tot Priester en tot Koning.
Was Hij in die ambten in het Oude Testament ook reeds afgebeeld?
Ja, door gezalfde profeten, priesters en koningen.
Waren alle drie die ambten in Hem noodzakelijk?
Ja.
Waarom moest Hij profeet zijn?
Om onze onwetendheid te verlichten.
Waarom Priester?
Om onze schuld te verzoenen.
Waarom Koning?
Om ons uit de dienstbaarheid des duivels en der zonde te verlossen.
A. Van Zijn profetisch ambt
Was Hij als Profeet ook beloofd?
Ja. Deut. 18:15. Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broederen, als mij, zal u de Heere, uw God, verwekken; naar Hem zult gij horen.
Wat doet Hij als Profeet?
Hij leert ons.
Wat leert Hij ons?
Den weg der zaligheid. Jes. 61:1-3. De Geest des Heeren Heeren is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van harte, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis; Om uit te roepen het jaar van het welbehagen des Heeren, en den dag der wraak onzes Gods; om alle treurigen te troosten; Om den treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest; opdat zij genaamd worden eikebomen der gerechtigheid, een planting des Heeren, opdat Hij verheerlijkt worde.
Waardoor leert Hij ons?
Uitwendig door Zijn woord en inwendig door Zijn Geest. Hand. 16:14. En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; welker hart de Heere heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd.
Was Christus al Profeet onder het O. Testament?
Ja: de profeten in dien tijd hebben ook gesproken door den Geest van Christus, Die in hen was. 1 Petr. 1:11. Onderzoekende, op welken of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende.
Heeft Hij ook in eigen persoon geleerd?
Ja, toen Hij in het vlees hier op aarde was. Joh. 17:6. Ik heb Uw Naam geopenbaard den mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren Uw, en Gij hebt Mij dezelve gegeven; en zij hebben Uw woord bewaard. Hand. 1:3. Aan welke Hij ook, nadat Hij geleden had, Zichzelven levend vertoond heeft, met vele gewisse kentekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan.
Is Hij nu nog Profeet na Zijn hemelvaart?
Ja; nu leert Hij door herders en leraars, die Hij gegeven heeft. Ef. 4:11. En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars.
Houdt Hij dan nu op Zelf te leren?
Door Zijn Geest heeft Hij altijd Zelf en alleen geleerd, en zo doet Hij nog. Jes. 59:21. Mij aangaande, dit is Mijn Verbond met hen, zegt de Heere: Mijn Geest, Die op u is, en Mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, die zullen van uw mond niet wijken, noch van den mond van uw zaad, noch van den mond van het zaad uws zaads, zegt de Heere, van nu aan tot in eeuwigheid toe.
B. Van Zijn priesterambt
Was Hij ook als Priester beloofd?
Ja. Ps. 110:4. De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.
Wat wil dat zeggen?
1. Dat Hij is alleen Priester; 2. dat Hij is eeuwig Priester.
Wat doet Hij als Priester?
Offeren en bidden.
Wat heeft Hij geofferd?
Zichzelven. Hebr. 9:14. Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door den eeuwigen Geest Zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om den levenden God te dienen?
Wanneer is die offerande geschied?
In Zijn ganse lijden, doch bijzonder aan het kruis. 1 Petr. 2:24. Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt.
Aan wien heeft Hij Zich opgeofferd?
Aan Zijn Vader.
Voor wie heeft Hij Zich opgeofferd?
Voor alle uitverkorenen.
Is Zijn offerande een ware offerande van verzoening geweest?
Ja. Hebr. 10:14. Want met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden.
Wat is Zijn voorbidding?
Dat Hij Zijn verdiensten gedurig voordraagt aan den Vader, en daarop eist de zaligheid van de Zijnen. Joh. 17:24. Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging der wereld.
Waar bidt Hij dus?
In den hemel. Rom. 8:34. Die ook ter rechter hand Gods is, Die ook voor ons bidt.
Voor wie?
Alleen voor de uitverkorenen. Joh. 17:9. Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn Uw.
Is er meer dan één Middelaar van voorbidding?
Neen. 1 Joh. 2:1, 2. Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige; En Hij is een verzoening voor onze zonden.
Zijn dan de engelen of heiligen ook niet onze voorbidders in den hemel?
Neen: want die kennen onze noden niet, kunnen onze gebeden niet horen, en hebben ook voor ons niet voldaan, waarop zij zouden kunnen eisen.
C. Van Zijn koninklijk ambt
Was Christus ook als Koning beloofd?
Ja. Ps. 2:6. Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.
Wat doet Hij als Koning?
Zijn volk regeren en beschermen.
Waardoor regeert Hij hen?
Door Zijn Woord en Geest. Ps. 43:3. Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot den berg Uwer heiligheid, en tot Uw woningen.
Tegen wie beschermt Hij hen?
Tegen hun geestelijke en lichamelijke vijanden. Joh. 10:28, 29. En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken. Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders.
Is Hij een aards Koning?
Neen: een geestelijk en hemels Koning. Joh. 18:36. Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Indien Mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zo zouden Mijn dienaren gestreden hebben, opdat Ik den Joden niet ware overgeleverd; maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier.
Was Hij ook reeds Koning onder het Oude Testament?
Ja: toen heeft Hij als Koning Zijn kerk ook reeds wetten gegeven en beschermd.
Voor hoelang is Hij Koning?
Tot in eeuwigheid. Luk. 1:33. Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.
Waarom worden de gelovigen Christenen genaamd?
Omdat zij Christus' zalving deelachtig zijn. 1 Joh. 2:20 en 27. Doch gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingen. En de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van node, dat iemand u lere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult gij in Hem blijven. 1 Petr. 2:9. Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.
IV. Van Zijn naturen
Hoeveel naturen heeft Christus?
Twee naturen: een goddelijke en een menselijke natuur. 1 Tim. 3:16. En buiten allen twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees.
Was dat ook voorzegd?
Ja. Jes. 9:5. Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst.
Is Hij waarachtig God?
Ja. 1 Joh. 5:20. Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven.
Welke van de drie personen is Hij dan naar Zijn Godheid?
De tweede persoon, de Zoon. Gal. 4:4. Wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw.
Is Hij ook waarachtig mens?
Ja. 1 Tim. 2:5. Want er is een God, er is ook een Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus.
Uit hoeveel delen bestaat Zijn mensheid?
Uit twee: uit ziel en lichaam.
Is Zijn Godheid niet in de plaats van Zijn ziel geweest?
Neen: want Hij heeft in Zijn ziel geleden. Matth. 26:38. Toen zeide Hij tot hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met Mij.
Waarom moest Hij God wezen?
Om de menselijke natuur tot het doordragen van Gods oneindigen toorn te ondersteunen, en een oneindige waardij aan Zijn verdiensten toe te brengen. Jes. 63:1-3. Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde klederen, van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen. Waarom zijt Gij rood aan Uw gewaad, en Uw klederen als van een, die in de wijnpers treedt? Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij; en Ik heb hen getreden in Mijn toorn, en heb hen vertrapt in Mijn grimmigheid; en hun kracht is gesprengd op Mijn klederen, en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld.
Waarom moest Hij mens wezen?
Om te kunnen lijden en sterven.
Zijn die twee naturen in Christus verenigd?
Ja: tot enigheid des persoons.
Hoe is die vereniging geschied?
Door aanneming van de menselijke natuur tot den goddelijken persoon. Fil. 2:7. Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden.
Is dan de Godheid niet veranderd in de mensheid?
Neen; Hij bleef God.
Alle worden sluit geen wezenlijke verandering in. Gal. 3:13. Christus is een vloek geworden, zonder nochtans in een vloek te veranderen.
Zijn die twee naturen niet vermengd tot één?
Neen: het blijven twee naturen ook na de vereniging.
Zijn dan de twee naturen ook twee personen?
Neen; maar één persoon.
Zijn er geen eigenschappen van de Godheid overgegaan in de mensheid?
Neen: iedere natuur behoudt haar onderscheidene eigenschappen.
V. Van Zijn staten
Hoeveel staten moet men in Christus onderscheiden?
Twee: een staat van vernedering en een staat van verhoging. Ps. 110:7. Hij zal op den weg uit de beek drinken; daarom zal Hij het hoofd omhoog heffen. verg. Fil. 2:5-11.
Waren die beide noodzakelijk?
Ja, in den staat der vernedering moest Hij de zaligheid verdienen en in den staat der verhoging moest Hij ze toepassen.
Welke zijn de trappen van Zijn vernedering?
1. Zijn nederige geboorte, 2. Zijn lijden, 3. Zijn dood, 4. Zijn begrafenis, 5. Zijn nederdaling ter hel.
Welke zijn de trappen van Zijn verhoging?
1. Zijn opstanding, 2. Zijn hemelvaart, 3. Zijn zitting ter rechterhand Gods, 4. Zijn wederkomst ten oordeel.
Van de trappen der vernedering
A. Zijn nederige geboorte
Uit wie is Hij geboren?
Uit de maagd Maria. Jes. 7:14. Ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUEL heten.
Van wien is Hij ontvangen?
Door de kracht des H. Geestes. Luk. 1:35. De engel, antwoordende, zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.
Is Hij ook uit haar vlees en bloed geboren?
Ja. Gal. 4:4. Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet.
Heeft Hij Zijn menselijke zelfstandigheid, of vlees en bloed niet medegebracht uit den hemel?
Neen: Hij heeft haar hier eerst uit Maria aangenomen.
Nochtans staat er, dat Dezelfde, Die opgevaren is, eerst is nedergedaald. Ef. 4:9, 10?
Dezelfde persoon, doch niet naar dezelfde natuur; naar Zijn mensheid is Hij opgevaren, maar naar Zijn Godheid is Hij nedergedaald, Zich openbarende in het vlees.
Waar is Hij geboren?
Te Bethlehem. Micha 5:1. Gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israel, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid. De vervulling daarvan leest men in de geschiedenis van Zijn geboorte. Luk. 2.
B. Zijn lijden
Moest ook Christus lijden?
Hoe lang heeft dat lijden geduurd?
Van het begin Zijns levens tot aan Zijn dood. 2 Kor. 8:9. Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden. Fil. 2:8. En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises.
Waarin heeft Hij geleden?
In ziel en lichaam. Matth. 26:38. Toen zeide Hij tot hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met Mij. 1 Petr. 2:24. Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt.
Heeft Hij al terstond na Zijn geboorte geleden?
Ja: de smartelijke besnijdenis op den achtsten dag.
Waarom is Christus besneden?
Onder anderen, opdat Hij het teken van Abrahams zaad zou hebben.
Is er nog meer lijden gevolgd?
Ja: een arme en geringe opvoeding, en eindelijk een leven vol haat, smaad en vervolging Zijner vijanden.
Wanneer is Zijn lijden meest verzwaard?
Op het einde van Zijn leven: men kan de omstandigheden lezen Matth. 26 en 27.
Onder welken rechter heeft Hij toen geleden?
Onder Pontius Pilatus.
C. Zijn dood
Welken dood is Hij gestorven?
Den dood des kruises. Fil. 2:8. Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises. Zie Matth. 27:31-50 en de andere Evangelisten.
Was Zijn kruisdood ook voorzegd?
Ja. Ps. 22:17. Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven.
Had die dood ook enige verzwarende omstandigheden?
Ja: het was 1. een smadelijke, 2. een smartelijke, 3. een vervloekte dood.
Waarom is Hij zulk een vervloekten dood gestorven?
Om ons van den vloek te verlossen. Gal. 3:13. Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt.
Waar is Christus gekruist?
Op den berg Golgotha, tussen twee moordenaars.
Was Zijn dood ook een noodzakelijk gedeelte van Zijn lijden?
Ja: dewijl de dood als een straf op de zonde bedreigd was, en Hij alle straf moest wegnemen.
D. Zijn begrafenis
Wie hebben Christus begraven?
Jozef van Arimathea en Nicodemus.
Waar?
In een nieuw graf, dat in een rotssteen uitgehouwen was.
Waarom is Hij begraven?
Om ons te verzekeren dat Hij waarlijk gestorven was.
Was ook Zijn begrafenis voorzegd?
Ja. Jes. 53:9. Men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij den rijke in Zijn dood geweest.
E. Zijn nederdaling ter hel
Wat is Zijn nederdaling ter hel?
Dat Hij helse angsten in Zijn ziel geleden heeft.
Wanneer heeft Hij die geleden?
Bijzonder in den hof Gethsemane en aan het kruis.
Wat klaagde Hij in Gethsemane?
Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood. Matth. 26:38.
Wat aan het kruis?
ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI! dat is: Mijn God, Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten! Matth. 27:46.
Is Hij dan in de hel zelve niet geweest?
Neen: want terwijl Hij dood was, was Zijn lichaam in het graf, en Zijn ziel in den hemel. Luk. 23:43. En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.
Is dan Zijn nederdaling ter hel al geschied vóór Zijn dood?
Ja: onder het lijden van Zijn lichaam.
Was dat lijden van Zijn ziel ook noodzakelijk?
Ja; omdat wij ook in onze ziel gezondigd hebben.
F. Van het oogmerk Zijner vernedering: Zijn voldoening
Heeft Christus, in dien staat van vernedering ook voldaan aan de Goddelijke rechtvaardigheid?
Ja. Jes. 53:4. Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.
Waarin bestaat Zijn voldoening?
In twee delen: 1. In het doen van de wet. 2. In het lijden van de straf.
Behoort het doen of gehoorzamen van de wet mede tot de voldoening?
Ja. Rom. 5:19. Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien enen mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Enen velen tot rechtvaardigen gesteld worden.
Behoort het lijden van de straf ook tot de voldoening?
Ja. Jes. 53:5. Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.
Was het lijden van de straf alleen niet genoeg, om voor ons te verdienen of te voldoen?
Neen; het lijden van de straf kon wel bevrijden van straf, maar geen recht geven tot het eeuwige leven; dat was alleen beloofd op het doen van de wet: doet dat en gij zult leven. Luk. 10:28.
Was er een voldoening noodzakelijk?
Ja. 1. Uit kracht van Gods rechtvaardigheid, die geen zonde ongestraft of onvoldaan vergeven kan. 2. Uit kracht van Zijn waarheid, die zich alleszins zo verklaard had. 1 Joh. 2:1, 2.
Is door de voldoening een volstrekte verzoening geschied, of maar alleen een mogelijkheid om zalig te worden verdiend?
Daarin is een dadelijke, volstrekte en personele verzoening geschied. 2 Kor. 5:19. Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord der verzoening in ons gelegd.
Voor wie heeft Christus voldaan?
Alleen voor de uitverkorenen.
Is Hij dan niet gestorven voor alle mensen?
Neen: maar alleen voor Zijn volk. Matth. 1:21. En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Voor Zijn schapen. Joh. 10:11. Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen. Voor Zijn gemeente. Hand. 20:28. Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.
Hoe moet men het dan verstaan, als Christus meermalen gezegd wordt, gestorven te zijn voor de wereld, en voor alle mensen?
Daardoor moet men verstaan, of al de uitverkorenen in de wereld, of de wereld der heidenen, benevens de Joden, nu onder het Nieuwe Testament, of allerlei soort van mensen.
Wat heeft deze voldoening uitgewrocht?
1. God is nu verzoend met den uitverkoren zondaar. 2 Kor. 5:19. Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord der verzoening in ons gelegd. 2. En hij ontvangt het recht ten leven. Gal. 4:4, 5. Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.
Heeft een ieder grond om te geloven, dat Jezus voor hem voldaan heeft?
Neen: maar die alleen, die Hem aannemen als de verdienende, werkende, bewegende en voorbeeldige oorzaak van hun geestelijk leven. Tit. 2:14. Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken. Joh. 12:24. Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Indien het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort. 2 Kor. 5:14, 15. Want de liefde van Christus dringt ons; Als die dit oordelen, dat, indien Een voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen, die leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is. Rom. 6:5. Want indien wij met Hem een plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding.
Van den staat en de trappen der verhoging
A. Zijn opstanding
Moest Christus ook uit den dode opstaan?
Ja. Ps. 16:10. Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie. Vergel. Hand. 2:25-31.
Welke zekerheid hebben wij, dat Hij is opgestaan?
1. Het getuigenis van de engelen en wachters. 2. Velerlei verschijningen van den Heere Jezus aan de vrouwen en discipelen.
Ligt er ook in Zijn opstanding nuttigheid?
Ja: onze geestelijke en lichamelijke opstanding, en een verzekering, dat Hij in alles voldaan heeft. Rom. 4:25. Overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.
Door Wiens kracht is Hij opgestaan?
Door Zijns Vaders en door Zijn eigene goddelijke kracht, zijnde door Zijn Vader opgewekt en door Zichzelven opgestaan. Hand. 2:24. Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzo het niet mogelijk was, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden. Joh. 2:19. Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt dezen tempel, en in drie dagen zal Ik denzelven oprichten.
Op den hoeveelsten dag is Hij opgewekt?
Ten derden dage na Zijn dood.
Door wien was dat afgebeeld?
Door Jonas, die drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, alzo zou ook de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten zijn in het hart der aarde. Matth. 12:40.
Op welken dag is Hij begraven, en op welken dag opgestaan?
Op Vrijdagavond begraven, en Zondagmorgen opgestaan.
Dat zijn immers geen drie gehele dagen en nachten?
De gedeelten der dagen moeten voor het geheel genomen worden. Verg. Luk. 24:21.
Wie hebben deel aan Christus' opstanding?
Die de kracht van Christus' opstanding kennen. Fil. 3:10. Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende.
B. Zijn hemelvaart
Hoeveel dagen bleef Christus na Zijn opstanding nog op aarde?
Nog veertig dagen. Hand. 1:3. Aan welke Hij ook, nadat Hij geleden had, Zichzelven levend vertoond heeft, met vele gewisse kentekenen, veertig dagen lang.
Waartoe dat?
1. Om de zekerheid van Zijn opstanding zo veel te meer te doen blijken. 2. Om Zijn discipelen nog van enige dingen nader te onderwijzen. Hand. 1:3. Zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan.
Welke trap van verhoging volgde toen?
Zijn hemelvaart.
Was die ook voorzegd?
Ja. Ps. 68:19. Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o Heere God!
Zijn daar ook getuigen van geweest?
Ja, de engelen en de discipelen van den Zaligmaker. Hand. 1.
Was die ook nodig?
Ja: 1. Om als Koning te gaan heersen. 2. Om als Voorbidder te gaan bidden. 3. Om ook de Zijnen daar eens tot Zich te nemen.
Vanwaar is Christus opgevaren?
Van den Olijfberg, buiten Jeruzalem.
Waar naar toe is Christus opgevaren?
Naar den derden hemel. Ef. 4:10. Die nedergedaald is, is Dezelfde ook, Die opgevaren is verre boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou.
Op wat wijze is Hij opgevaren?
Waarlijk, zichtbaar en plaatselijk. Joh. 16:28. Ik ben van den Vader uitgegaan, en ben in de wereld gekomen; wederom verlaat Ik de wereld, en ga heen tot den Vader. Hand. 3:21. Welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door den mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw.
Is dan Zijn mensheid door Zijn hemelvaart niet overaltegenwoordig geworden?
Neen. Matth. 26:11. De armen hebt gij altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd.
Wie kunnen zich met Christus' hemelvaart troosten?
Die met Christus zijn opgewekt, enz. Kol. 3:1. Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods.
C. Zijn zitting ter rechterhand Gods
Was het ook voorzegd, dat Christus aan de rechterhand Gods zou zitten?
Ja. Ps. 110:1. De Heere heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten.
Is dat ook in Jezus vervuld?
Ja, Stefanus zag Hem staande ter rechterhand Gods. Hand. 7:56.
Wat is Zijn zitting aan Gods rechterhand?
Dat Hij verhoogd is tot alle macht en heerlijkheid. Hebr. 1:3. Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechter hand der Majesteit in de hoogste hemelen.
Moet men dat dan niet eigenlijk verstaan?
Neen; want God, Die een Geest is, heeft eigenlijk geen rechterhand.
Welke nuttigheid is er in deze verheerlijking?
Ps. 68:19. Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o Heere God!
Hoofdstuk 13: Van de roeping
Waartoe is Christus zo verhoogd?
Om ons Zijn weldaden toe te passen.
Hoe kunnen Christus' weldaden onderscheiden worden?
In 1. Weldaden in dit leven. 2. Weldaden na dit leven.
Welke zijn die in dit leven?
De voornaamste zijn: de roeping, de rechtvaardigmaking en de heiligmaking.
Welke zijn die na dit leven?
De opstanding, het laatste oordeel en het eeuwige leven.
Hoe velerlei roeping is er?
Tweeërlei: een uitwendige en een inwendige roeping.
Waardoor geschiedt de uitwendige roeping?
Door Gods Woord. Spr. 9:3-6. Zij heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten der stad: Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij: Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van den wijn, dien Ik gemengd heb. Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.
Waardoor geschiedt de inwendige roeping?
Door Gods Geest. Jer. 31:33. Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israel maken zal, spreekt de Heere: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
Wie worden er uitwendig geroepen?
Allerlei soort van mensen, ook wel die niet uitverkoren zijn. Matth. 20:16. Alzo zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten; want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.
Is dan de uitwendige roeping algemeen?
Wel onder het Christendom, maar niet door de gehele wereld.
Is zij nochtans nu niet algemener dan onder het Oude Testament?
Ja: toen ging zij alleen over de Joden; nu ook over de Heidenen.
Is er geen zaligmakende roeping in de natuur?
Neen, de natuur weet van Christus niet, en buiten Hem is er geen zaligheid.
Is de uitwendige roeping alleen niet genoeg tot bekering?
Neen. 1 Kor. 3:7. Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt, maar God, Die den wasdom geeft.
Wat moet er dan nog bijkomen?
De inwendige roeping, gelijk in Lydia. Hand. 16:14. Welker hart de Heere heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd.
Wie worden dan inwendig geroepen?
Alleen de uitverkorenen. Rom. 8:30. Die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.
Wat is de inwendige roeping?
Een krachtdadige verandering van den mens.
Is er dan in den mens iets te veranderen?
Ja: verstand, wil, hartstochten en wandel.
Hoe zijn die van nature?
Het verstand is verduisterd, de wil is verkeerd, de hartstochten zijn ongeregeld, de wandel is zondig. Ef. 4:18. Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven Gods, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten. Rom. 8:7. Daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet. Jud. 12, 13. Dezen zijn vlekken in uw liefdemaaltijden, en als zij met u ter maaltijd zijn, weiden zij zichzelven zonder vreze; zij zijn waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden; zij zijn als bomen in het afgaan van den herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld; Wilde baren der zee, hun eigen schande opschuimende; dwalende sterren, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt. Tit. 3:3. Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde, en elkander hatende.
Hoe worden die dan door de inwendige roeping?
Het verstand wordt verlicht, om God te kennen in Zijn algenoegzaamheid, Jezus in Zijn dierbaarheid, en zichzelven in zijn vloekwaardigheid. 1 Kor. 2:12, 13. Doch wij hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn; Dewelke wij ook spreken, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende. De wil om God te dienen en te verheerlijken. Rom. 7:15. Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet; want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik. De hartstochten gezuiverd, om de zonde te haten, daarentegen God te beminnen als het hoogste goed, en een lust tot heiligheid, enz. Rom. 6:19. Want gelijk gij uw leden gesteld hebt, om dienstbaar te zijn der onreinigheid en der ongerechtigheid, tot ongerechtigheid, alzo stelt nu uw leden, om dienstbaar te zijn der gerechtigheid, tot heiligmaking. En de wandel geheiligd.
Is die inwendige roeping krachtdadig?
Ja; die heeft een onweerstaanbare kracht. Ef. 1:19, 20. En welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht, Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechter hand in den hemel.
Geschiedt er dan meer dan alleen een uiterlijke aanrading?
Ja; een inwendige neiging van den wil. Fil. 2:13. Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.
Dwingt God dan den mens?
Neen; Hij maakt hem gewillig. Hoogl. 1:4. Trek mij, wij zullen U nalopen! De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren; wij zullen ons verheugen en in U verblijden; wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden, meer dan den wijn; de oprechten hebben U lief.
Hoe wordt die krachtdadigheid van de inwendige roeping in de H. Schrift wel uitgedrukt?
Het wordt genoemd een scheppen. Ef. 2:10. Wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken. Ook wel een trekken. Joh. 6:44. Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke.
Hoofdstuk 14: Van de kerk
Vergadert Christus door de roeping ook een kerk?
Ja.
Waar is de kerk?
Hier op aarde en in den hemel.
Hoe wordt de kerk op aarde genoemd?
De strijdende kerk, omdat zij hier gedurig te strijden heeft. Rom. 7:23. Maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijn leden is.
Met wie?
Met de wereld, den duivel en ons vlees.
Hoe wordt de kerk in den hemel genoemd?
De triomferende kerk, omdat zij daar alles overwonnen heeft. Openb. 7:9.
Zijn dat dan twee onderscheidene kerken?
Neen; het zijn maar twee verscheidene gedeelten van één en dezelfde kerk. Ef. 1:10. Om in de bedeling van de volheid der tijden, wederom alles tot een te vergaderen in Christus, beide dat in den hemel is, en dat op de aarde is.
Is er meer dan één kerk?
Neen. Hoogl. 6:9. Een enige is Mijn duive, Mijn volmaakte, de enige harer moeder, zij is de zuivere dergenen, die haar gebaard heeft. De kerk van alle tijden, en overal, is een en dezelfde kerk. Verg. Joh. 10:16.
Is er altijd een kerk?
Ja. Matth. 16:18. En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.
Is zij altijd even zichtbaar?
Neen; zij kan uiterlijk onder de vervolgingen wel onzichtbaar zijn.
Is zij er dan evenwel?
Ja; gelijk in de tijden van Elia, toen hij meende, dat hij alleen was overgebleven, en nochtans waren er wel zeven duizend, die hun knieën voor den Baal niet gebogen hadden. 1 Kon. 19:14-18.
Wie is het hoofd van de kerk?
Jezus Christus. Ef. 5:23. Want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd der Gemeente is; en Hij is de Behouder des lichaams.
Is dat de paus van Rome niet?
Neen; die is de antichrist.
Waarom?
Omdat alles in hem vervuld is, wat van den antichrist voorzegd is. 2 Thess. 2:1-11. En wij bidden u, broeders, door de toekomst van onzen Heere Jezus Christus, en onze toevergadering tot Hem, Dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief, als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaande ware. Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs; Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geeerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertonende, dat hij God is. Gedenkt gij niet, dat ik, nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb? En nu, wat hem wederhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd. Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk, Die hem nu wederhoudt, Die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden. En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heere verdoen zal door den Geest Zijns monds, en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst; Hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking des satans, in alle kracht, en tekenen, en wonderen der leugen; En in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden. En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven.
Wat zijn de kentekenen van de ware kerk?
De zuivere prediking van Gods Woord en de rechte bediening der sacramenten. Joh. 8:31. Jezus dan zeide tot de Joden, die in Hem geloofden: Indien gijlieden in Mijn woord blijft, zo zijt gij waarlijk Mijn discipelen. Hand. 2:42. En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden.
Is de oudheid niet een kenteken van de kerk?
Neen; want des satans rijk is ook oud.
Is veelheid van mensen niet een kenteken?
Neen; Christus' kerk is een klein kuddeke. Luk. 12:32.
Is voorspoed naar de wereld niet een kenteken?
Neen. Joh. 16:33. In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen.
Waarin bestaat de macht van de kerk?
In het gebruik van de sleutelen des hemelrijks.
Hoe vele zijn die?
Twee: de prediking des evangeliums en de christelijke ban. Matth. 28:19. Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. Matth. 18:18. Zeg Ik u: Al wat gij op de aarde binden zult, zal in den hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen.
Is het genoeg een uiterlijk lid der kerk te zijn?
Neen: men moet onderzoeken of men een levend lid daarvan zij.
Hoofdstuk 15: Van de rechtvaardigmaking
Die inwendig geroepen worden, worden die ook gerechtvaardigd?
Ja. Rom. 8:30. En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.
Wat is de rechtvaardigmaking?
Een vrijspreking van schuld en straf, en een rechtgeven tot het eeuwige leven. Rom. 4:7. Zalig zijn zij, welker ongerechtigheden vergeven zijn, en welker zonden bedekt zijn. Rom. 5:19. Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien enen mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Enen velen tot rechtvaardigen gesteld worden.
Is er onderscheid tussen de rechtvaardigmaking en de heiligmaking?
Ja. 1. De rechtvaardigmaking geschiedt buiten den mens, de heiligmaking binnen ons. 2. De rechtvaardigmaking neemt de schuld weg, de heiligmaking de smet der zonde. 3. De rechtvaardigmaking geschiedt volmaakt, de heiligmaking hier in dit leven maar ten dele.
Wordt men dan door de rechtvaardigmaking niet inwendig veranderd?
Neen; dat geschiedt in de heiligmaking.
Is dan rechtvaardigmaking niet een inwendige rechtvaardigheid instorten?
Neen; het is maar een vonnissen of vrijspreken van den mens, gelijk de rechters in de vierschaar doen.
Wordt het ook zo gebruikt in de H. Schrift?
Ja; zo wordt het tegen verdoemen gesteld. Spr. 17:15. Wie den goddeloze rechtvaardigt, en den rechtvaardige verdoemt, zijn den Heere een gruwel, ja, die beiden.
Wordt het ook in het stuk van de rechtvaardigmaking zo gebruikt?
Ja. Rom. 8:33, 34. Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt. Wie is het, die verdoemt?
Wie is het dan, Die ons rechtvaardigt of vrijspreekt?
God de Vader, Die hier den persoon van Rechter vertoont. Jes. 43:25. Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet.
Hoe komt dan hier de Zoon voor?
Als Voorspraak en Middelaar, om Wiens wil wij gerechtvaardigd worden.
Hoe de H. Geest?
Als Verzegelaar, Die ons kennis geeft en verzegelt van de rechtvaardigmaking.
Kan men dan ook van zijn rechtvaardigmaking verzekerd worden?
Ja. Rom. 8:16. Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.
Waarvan wordt men gerechtvaardigd?
Van alle zonden, zonder onderscheid.
Om Wiens wil worden wij gerechtvaardigd?
Alleen om Christus' wil. Rom. 3:24. En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is.
Worden wij niet gerechtvaardigd om onze eigene werken?
Neen; Rom. 3:28. Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet.
Waarom kunnen wij niet om onze eigene werken gerechtvaardigd worden?
Omdat de beste van die onvolmaakt zijn, en daarom aan Gods gerechtigheid niet voldoen kunnen. Jak. 3:2. Want wij struikelen allen in vele. Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het gehele lichaam in den toom te houden. Jes. 64:6. Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind.
Maar als wij door Christus' verdiensten zullen gerechtvaardigd worden, moeten die dan ook niet de onze worden?
Gewisselijk ja. Jer. 23:6. In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israel zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De Heere: ONZE GERECHTIGHEID. 1 Kor. 1:30. Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing.
Hoe worden die de onze?
Door toerekening en aanneming.
Wie rekent ons dezelve toe?
God, door een genadige schenking. Rom. 3:24. En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is.
Waardoor nemen wij die aan?
Door het geloof. Fil. 3:9. En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof.
Worden wij dan gerechtvaardigd om het geloof?
Neen; de H. Schrift zegt wel uit het geloof, en door het geloof, maar nooit om het geloof.
Hoe komt dan hier het geloof te pas?
Als een hand of een instrument, waardoor men de verdienste van Christus aanneemt. Joh. 1:12. Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven.
Hoofdstuk 16: Van het geloof
Hoe velerlei geloof is er?
Vierderlei: een historisch geloof, een tijdgeloof, een geloof der wonderen en een waar zaligmakend geloof.
Wat is een historisch geloof?
Een blote toestemming aan een gekende waarheid.
Is dat geen goed geloof?
Ja; het is noodzakelijk, doch niet genoeg. Jak. 2:19. Gij gelooft, dat God een enig God is; gij doet wel; de duivelen geloven het ook, en zij sidderen.
Wat is het tijdgeloof?
Een toestemmen en belijden van de waarheid voor een tijd, met enig uiterlijk genoegen. Matth. 13:20, 21. Maar die in steenachtige plaatsen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort, en dat terstond met vreugde ontvangt; Doch hij heeft geen wortel in zichzelven, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt, om des Woords wil, zo wordt hij terstond geergerd.
Wat is het geloof der wonderen?
Die sterke vaststelling bij zichzelven, dat er of door ons, of aan ons enig wonder zal gedaan worden. 1 Kor. 13:2. En al ware het, dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets. Matth. 8:10. Jezus nu, dit horende, heeft Zich verwonderd, en zeide tot degenen, die Hem volgden: Voorwaar zeg Ik u, Ik heb zelfs in Israel zo groot een geloof niet gevonden.
Wanneer heeft dat plaats?
Als het doen van wonderen plaats heeft.
Is dat ook niet zaligmakend?
Neen. 1 Kor. 13:2. Dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets.
In hoeveel zaken bestaat het zaligmakend geloof?
In drie: in kennis, toestemmen en vertrouwen. Jes. 53:11. Door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen. Joh. 3:33. Die Zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld, dat God waarachtig is. Jes. 27:5. Of hij moest Mijn sterkte aangrijpen, hij zal vrede met Mij maken; vrede zal hij met Mij maken.
Is een blind geloof zonder kennis niet genoeg?
Neen. Joh. 17:3. En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.
Welke is de voornaamste en eigenlijke rechtvaardigmakende daad des geloofs?
Het is die daad der ziel, waardoor zij hartelijk wil en wenst, niet alleen dat de beloften des Evangeliums in zichzelven waar mogen zijn, maar waardoor zij ook met overgegevene genegenheid den Heere Jezus als de enige oorzaak van haar zaligheid, met verloochening van zichzelven en alle andere dingen of personen, begeert en dadelijk aangrijpt. Joh. 1:12. Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven.
Wat is het gevolg van de rechtvaardigmakende daad des geloofs?
De bijzondere en zekere toepassing van de beloften des Evangeliums en den Heere Jezus tot den eigen persoon van elk gelovige. Gal. 2:20. Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft. Welke geenszins altijd tegenwoordig is in alle gelovigen, door de aanvechtingen des satans, de beschuldigingen van de Wet, en de verleidingen des vleses; naar welke echter allen staan moeten, die Jezus oprecht aannemen.
Kunnen en moeten de gelovigen verzekerd zijn van de oprechtheid huns geloofs?
Zij kunnen. 2 Tim. 1:12. Want ik weet, Wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag. En moeten daarnaar staan. 2 Kor. 13:5. Onderzoekt uzelven, of gij in het geloof zijt, beproeft uzelven. Of kent gij uzelven niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat gij enigszins verwerpelijk zijt.
Wie werkt dat geloof in ons?
De H. Geest. 1 Kor. 12:3. Niemand kan zeggen, Jezus den Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest. vergel. Fil. 1:19, 29 en Gal. 5:22.
Waardoor werkt Die het geloof?
Door het Woord. Rom. 10:17. Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.
Kunnen wij dan uit onszelven niet geloven?
Neen. Ef. 2:8. Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave.
Hoofdstuk 17: Van de heiligmaking
Die gerechtvaardigd worden, worden die ook geheiligd?
Ja: beide gaan te zamen. 1 Kor. 1:30. Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing. Ps. 130:4.
Wat is de heiligmaking?
Een vernieuwing van den gehelen mens.
Is zij dan niet maar een verandering van de uiterlijke daden?
Neen; maar ook van den inwendigen mens. Rom. 12:2. En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij.
Vloeit daaruit ook een uitwendige verandering voort?
Ja: in den wandel. 1 Thess. 5:23. En de God des vredes Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus.
Wie werkt die heiligmaking in ons?
God, door Zijn Geest. Lev. 20:8. En onderhoudt Mijn inzettingen, en doet dezelve; Ik ben de Heere, die u heilige. 1 Kor. 6:11. En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den Naam van den Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods.
Is de heiligmaking noodzakelijk?
Ja. Hebr. 12:14. Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal.
Is de heiligmaking hier in dit leven volkomen?
Neen; maar ten dele en onvolmaakt. Fil. 3:12. Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.
Is zij in alle gelovigen even groot?
Neen; in den een meerder, in den ander minder; zij heeft haar verscheidene trappen. Ef. 4:13. Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus.
Is zij ook veranderlijk?
Ja; zij is haar aanwas en afnemen in een en denzelfden mens onderworpen.
Kan men ze dan wel weder geheel verliezen?
Neen; daar de genade Gods eens is, daar blijft zij.
Is er dan geen afval der heiligen?
Neen; wel vallen, maar geen afvallen. 1 Petr. 1:5. Die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in den laatsten tijd.
Hoe vordert Gods volk in heiligmaking?
Als men alle in- en uitwendige hinderpalen wegdoet door de genade des Geestes, en afhangende van Jezus' kracht, alle middelen ter voortgang in het werk stelt.
Van de goede werken
Wat zijn de vruchten van geloof en heiligmaking?
Goede werken. Jak. 2:18. Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt het geloof, en ik heb de werken. Toon mij uw geloof uit uw werken, en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen. Gal. 5:6. Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende.
Wat zijn goede werken?
Daden, die geschieden: 1. Uit het geloof. 2. Naar Gods wet. 3. Tot Gods eer.
Toon eens, dat zij moeten geschieden uit het geloof?
Hebr. 11:6. Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken.
Bewijs eens, dat zij moeten geschieden naar Gods wet?
Matth. 15:9. Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden van mensen zijn.
Bewijs eens, dat zij moeten geschieden tot Gods eer?
1 Kor. 10:31. Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods.
Moet men ook goede werken doen?
Ja. Matth. 5:16. Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.
Kunnen zulke goede werken den hemel wel verdienen?
Neen; Christus alleen heeft die voor ons verdiend.
Waarom niet?
Omdat zij onvolmaakt zijn. Jes. 64:6. Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind. Luk. 17:10. Wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten; want wij hebben maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren te doen.
Waartoe moeten wij dan nog goede werken doen?
1. Om er God door te verheerlijken. 2. Om er onze naasten door te stichten. 3. Om er ons van ons geloof door te verzekeren.
Hoofdstuk 18: Van de wet Gods
Hoe velerlei wetten gaf God aan Israël?
Drieërlei; 1. De wet der zeden. 2. De wet der politie of de burgerlijke wet. 3. De wet der ceremoniën. Lev. 18:5. Ja, Mijn inzettingen en Mijn rechten zult gij houden; welk mens dezelve zal doen, die zal door dezelve leven; Ik ben de Heere!
Welke van die drie duurt nu nog?
De wet der zeden, die een eeuwigdurende wet is. Matth. 5:17-19. Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen. Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen.
Wanneer zijn de anderen dan afgeschaft?
Met den tijd van het Nieuwe Testament. Hand. 15:10. Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen? Gal. 5:2, 3. Ziet, ik Paulus zeg u, zo gij u laat besnijden, dat Christus u niet nut zal zijn. En ik betuig wederom een iegelijk mens, die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de gehele wet te doen.
Hoeveel geboden zijn er in de wet der zeden?
Tien geboden.
Hoeveel tafelen?
Twee tafelen.
Wat eist de eerste tafel?
God lief te hebben boven alles.
Wat eist de tweede tafel?
Onze naasten lief te hebben als onszelven. Matth. 22:40. Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten.
Hoeveel geboden zijn er in de eerste tafel?
Vier.
Hoeveel in de tweede?
Zes.
Waar is die wet gegeven?
Op den berg Sinaï. Gal. 4:25. Want dit, namelijk Agar, is Sina, een berg in Arabie, en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is, en dienstbaar is met haar kinderen.
Wanneer?
Even na den uittocht der kinderen Israëls uit Egypte.
Is die Wet onder het Nieuwe Testament door Christus niet vermeerderd?
Neen; die is zo volmaakt, dat haar niets kan worden toegedaan.
Kan men de wet volmaakt onderhouden?
Neen; Jak. 3:2. Want wij struikelen allen in vele. Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het gehele lichaam in den toom te houden.
Hoe luidt die wet?
Ik ben de Heere uw God. enz. Zie Ex. 20:2.
Als men zijn onmacht uit de wet ziet, waartoe moet ons dat aanzetten?
Tot bidden. Ps. 119:4, 5. Heere! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal. Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
Hoofdstuk 19: Van het gebed
Is het gebed noodzakelijk?
Ja: het is een middel tot verkrijging van hetgeen God geboden heeft. Ps. 50:15. Roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.
Wien moet men aanbidden?
God alleen. Matth. 4:10. Den Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.
Mag men geen Engelen of heiligen aanbidden?
Neen; hun komt die eer niet toe, en zij weten van ons niet. Jes. 42:8. Ik ben de Heere, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven, noch Mijn lof den gesneden beelden. Kol. 2:18. Dat dan niemand u overheerse naar zijn wil in nederigheid en dienst der engelen, intredende in hetgeen hij niet gezien heeft, tevergeefs opgeblazen zijnde door het verstand zijns vleses.
Hoe moet men bidden?
Onder een heilige gestalte van het hart en zedige gebaren van het lichaam.
Waarom moet men bidden?
Om geestelijke en lichamelijke nooddruft. Matth. 6 en Spr. 30.
Heeft Christus ons daarvan een voorschrift gegeven?
Ja; in het gebed des Heeren. Matth. 6.
Hoe luidt dat gebed?
Onze Vader, Die in de hemelen zijt, enz.
Hoofdstuk 20: Van de sacramenten
Welke middelen heeft God verordineerd, om de heiligmaking gedurig voort te zetten?
Het Woord en de sacramenten.
Wat zijn sacramenten?
Tekenen en zegelen van Gods genade. Rom. 4:11. En hij heeft het teken der besnijdenis ontvangen tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs, die hem in de voorhuid was toegerekend: opdat hij zou zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde.
Welke waren de voornaamste sacramenten van het Oude Testament?
De besnijdenis en het pascha.
Op den hoeveelsten dag werden de kinderen besneden?
Op den achtsten dag.
In wiens tijd is de besnijdenis ingesteld?
In Abrahams tijd. Gen. 17.
In wiens tijd is het pascha ingesteld?
In Mozes' tijd, in den nacht, toen Israël uit Egypte trok. Ex. 12.
Wat at men in het pascha?
Een lam.
Op wien zag dat?
Op Christus. 1 Kor. 5:7. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.
Hoelang hebben die sacramenten geduurd?
Tot op den tijd van het Nieuwe Testament.
Hoeveel sacramenten zijn er onder het Nieuwe Testament?
Twee: De H. Doop en het H. Avondmaal.
Wie heeft die ingesteld?
Christus.
I. Van den H. Doop
Waarmede doopt men?
Met water.
Moet dat water niet ergens mede gemengd worden?
Neen; het moet maar enkel en eenvoudig water zijn.
Wat betekent dat water?
Het bloed en den Geest van Christus. Hebr. 12:24. En tot den Middelaar des nieuwen testaments, Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel. 1 Petr. 1:2. Den uitverkorenen naar de voorkennis van God den Vader, in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jezus Christus.
Wat doet men met dat water?
Men dompelt er in, of men besprengt er mede.
Wat betekent die indompeling of besprenging met water?
De afwassing der zonden door Christus' bloed en Geest. Ezech. 36:25. Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen.
Hoeveel weldaden worden er dan in den Doop verzegeld?
Twee: de rechtvaardigmaking door Christus' bloed, en de heiligmaking door Zijn Geest.
Kan het water zelf de zonde afwassen?
Neen. 1 Joh. 1:7. Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.
In Wiens naam wordt men dan gedoopt?
In den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. Matth. 28:19.
Mag elkeen dopen in tijd van nood?
Neen; alleen die gezonden zijn om te leren. Matth. 28:19. Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.
Mag men dan ook kinderen dopen?
Ja. Hand. 2:39. U komt de belofte toe, en uw kinderen.
Is de Doop noodzakelijk?
Ja: uit kracht van Christus' bevel.
Hangt er de zaligheid volstrekt van af?
Neen; God bindt nooit Zijn genade aan het sacrament.
Hoe menigmaal moet men gedoopt worden?
Maar eens, gelijk men maar eens geboren wordt; want de Doop is een sacrament van geboorte en inlijving in de kerk, die maar eens geschieden kan.
Wat hebben de gedoopten te betrachten?
Men moet onderzoeken, of men zich geheel aan God drieëenig heeft opgedragen.
II. Van het H. Avondmaal
Waarom gaat men dan dikwijls ten Avondmaal?
Omdat het een sacrament is van gedurige opvoeding in het geloof.
Waarom wordt het een Avondmaal of Nachtmaal genoemd?
Omdat Christus het in den avond of nacht heeft ingesteld.
Wanneer heeft Hij dat ingesteld?
In den nacht, toen Hij verraden werd. Matth. 26.
Wat zijn de uiterlijke tekenen in het Avondmaal?
Brood en wijn.
Wat voor brood?
Gewoon en voedzaam brood.
Mag men geen ouwels in het Avondmaal gebruiken?
Neen; die beelden niet genoeg de geestelijke voeding af.
Wat betekent het brood in het Avondmaal?
Christus' lichaam. 1 Kor. 11:24. En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.
Moet dat brood ook juist gebroken worden?
Ja; om af te beelden, dat Christus' lichaam voor ons gebroken is.
Wat voor wijn moet men in het Avondmaal gebruiken?
Dat is evenveel.
Moet die niet met water gemengd worden?
Neen: daarvan is nergens bevel.
Wat betekent de wijn?
Christus' bloed. 1 Kor. 11:25. Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker, na het eten des avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken, tot Mijn gedachtenis.
Wat beduidt het uitgieten van den wijn?
Dat Christus' bloed voor ons vergoten is.
Is het brood alleen niet genoeg in het avondmaal?
Neen; Christus zegt ook Matth. 26:27: Drinkt allen daaruit.
Is dat ook te verstaan van alle gemene gelovigen?
Ja. 1 Kor. 11:28. De mens beproeve zichzelven, en ete alzo van het brood, en drinke van den drinkbeker.
Is Christus ook lichamelijk onder de tekenen des Avondmaals tegenwoordig?
Neen; Zijn menselijke natuur is alleen in den hemel. Hand. 3:21. Welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door den mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw.
Verandert dan brood en wijn niet in Zijn vlees en bloed?
Neen; het blijft brood en wijn, ook nadat er de zegen over gesproken is.
Hoe kan dan Christus zeggen: dat is Mijn lichaam?
Dat is te zeggen: dat betekent Mijn lichaam.
Spreekt de H. Schrift wel meer zo?
Dikwijls. 1 Kor. 10:4. De steenrots was Christus. Dat is te zeggen: zij betekende Christus.
Kan men Christus Zelven daar dan niet eten of drinken?
Niet lichamelijk, maar geestelijk.
Wat is dat, Christus geestelijk te eten?
Hem door het geloof aan te nemen.
Voor wien is het Avondmaal ingesteld?
Alleen voor de gelovigen.
Niet voor kinderen?
Neen; omdat die zichzelven niet beproeven kunnen.
Waaromtrent moet men zich beproeven?
1. Of ons onze zonden van harte leed zijn. 2. Of wij in Christus geloven. 3. Of wij dat geloof uitdrukken in een heiligen wandel.
Hoofdstuk 21: Van des mensen uiterste
Zal de mens altijd leven?
Neen. Hebr. 9:27. Het den mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel.
Sterft dan al wat aan den mens is?
Neen; de ziel is onsterfelijk. Matth. 10:28. En vreest u niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel.
Hoeveel wegen zijn er voor de zielen na den dood?
Maar twee: hel of hemel. Matth. 7:13, 14. Wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan; Want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die denzelven vinden.
Gaan de zielen daar aanstonds heen na den dood?
Ja: gelijk blijkt in Lazarus en den rijken man. De rijke man hief zijn ogen op in de hel, en Lazarus werd gedragen in Abrahams schoot. Luk. 16:22, 23. En als hij in de hel zijn ogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lazarus in zijn schoot.
Is er geen vagevuur?
Neen. Openb. 14:13. En ik hoorde een stem uit den hemel, die tot mij zeide: Schrijf, zalig zijn de doden, die in den Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen. De moordenaar ging zonder vagevuur aanstonds naar den hemel. Luk. 23:43. En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.
I. Van de opstanding
Zal er een weder-opstanding zijn?
Ja. Hand. 24:15. Beiden der rechtvaardigen en der onrechtvaardigen.
Wanneer?
Ten jongsten dage.
Wie zal ze opwekken?
God.
Zullen ook de goddelozen opstaan?
Ja. Joh. 5:28, 29. De ure komt, in dewelke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen; En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis.
Met welke lichamen zullen de mensen opstaan?
Met dezelfde lichamen; anders was het geen opstanding, maar een nieuwe schepping. Zo verwachtte Job ook. Job 19:25-27. Ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan; En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen; Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.
Is dat wel mogelijk?
Ja; bij God zijn alle dingen mogelijk; het scheen nog veel onmogelijker de wereld uit niet te scheppen.
Zullen de lichamen dan niet veranderd zijn?
Niet in hun wezen, maar alleen in hoedanigheden.
In welke hoedanigheden?
Dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. 1 Kor. 15:53.
II. Van het laatste oordeel
Wat zal er op de opstanding volgen?
Het laatste oordeel.
Zal er een laatste oordeel wezen?
Ja. Hand. 17:31. Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op welken Hij den aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen, door een Man, Dien Hij daartoe geordineerd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl Hij Hem uit de doden opgewekt heeft.
Wie zal daar rechter zijn?
Christus, onze Zaligmaker, Die daar zichtbaar in Zijn menselijke natuur verschijnen zal.
Waar zal dat oordeel wezen?
Op de wolken des hemels. Matth. 26:64. Doch Ik zeg ulieden: Van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende ter rechter hand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels.
Wanneer?
Van dien dag en die ure weet niemand, noch de engelen, die in den hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader. Mark. 13:32.
Wie zullen daar geoordeeld worden?
Alle mensen. 2 Kor. 5:10. Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.
In hoeveel hopen zullen daar de mensen worden afgedeeld?
In twee hopen, in goddelozen en rechtvaardigen.
Waar zal Christus die zetten?
De goddelozen aan Zijn linker- en de rechtvaardigen aan Zijn rechterhand.
Wat zal Hij tot de goddelozen zeggen?
Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is. Matth. 25:41.
Wat zal Hij tot de rechtvaardigen zeggen?
Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld. Matth. 25:34.
III. Van het eeuwige leven
Wat zal er op dat oordeel volgen?
Het eeuwige leven, of de eeuwige verdoemenis.
Waar zal de verdoemenis zijn?
In de hel. Luk. 16:23. En de rijke stierf ook, en werd begraven. En als hij in de hel zijn ogen ophief, zijnde in de pijn.
Hoe lang?
Eeuwig: en deze zullen gaan in de eeuwige pijn. Matth. 25:46.
Zal dan de verdoemenis niet maar een vernietiging zijn van den gehelen mens, of mettertijd eindigen?
Neen; het zal een straf zijn van gevoel en zonder einde. Mark. 9:44. Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.
Waar zal het eeuwige leven zijn?
In den hemel. Luk. 6:23. Verblijdt u in dien dag, en zijt vrolijk; want, ziet, uw loon is groot in den hemel.
Hoe lang?
Ook eeuwig: de rechtvaardigen gaan in het eeuwige leven. Matth. 25:46.
Waarin zal het bestaan?
In een eeuwig genieten van God met volmaaktheid en vreugde. Ps. 16:11. Gij zult mij het pad des levens bekend maken; verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk.
Kort begrip van de voornaamste dwalingen
Welke zijn de voornaamste partijen buiten de gereformeerde kerk?
Die zijn óf buiten óf onder het Christendom.
Welke zijn die buiten het Christendom?
Heidenen, hedendaagse Joden en Mohamedanen.
Wat zijn Heidenen?
De Heidenen zijn voornamelijk voortgesproten uit Cham en Jafet, die van het woord der belofte zijn afgeweken en zonder openbaring van God leven.
Waarin bestaat hun godsdienst?
Die is, wat de wijze betreft, zeer verscheiden, doch bestaat daarin, dat zij het schepsel boven den Schepper eren en dienen, dewijl zij God en Christus niet kennen.
Wat zijn Joden?
De Joden zijn de nakomelingen van Abraham, den negenden van Sem, en worden, sedert de Babylonische gevangenschap, naar Juda, den zoon van Jakob, Joden genaamd. Onder hen was, voor de komst van Christus, de ware kerk.
Welke is hun hedendaags gevoelen?
Zij zeggen, dat Jezus de Nazarener niet de door God beloofde Messias is; daarom loochenen zij de Goddelijkheid en het gezag van de Schriften des N. Verbonds, wachtende nog de komst van den Messias, dien zij zich als een aards en machtig vorst voorstellen.
Wat zijn Mohamedanen?
Navolgers van een zekeren Mohamed, een Arabier, die in het begin der zevende eeuw geleefd heeft.
Waarin bestaat voornamelijk hun godsdienst?
In een vermenging van het Joden-, Heiden- en Christendom. Bij de leer: er is één God, erkennen zij Mohamed als zijn profeet, groter dan Mozes en Christus.
Welke zijn de voornaamste hedendaagse partijen onder het Christendom?
Roomsgezinden, Luthersen, Socinianen, Mennonieten en Remonstranten.
Van waar hebben de Roomsgezinden hun afkomst?
De Roomse kerk is haar oorsprong verschuldigd aan het steeds toenemend bederf, dat zich reeds vroeg in de Christelijke kerk openbaarde. In het begin van de zevende eeuw echter is door toedoen van den keizer Phocas de Bisschop van Rome, Bonifacius III, tot hoofd van de kerk verklaard, en sedert dien tijd zijn de dwalingen zeer toegenomen.
Welke zijn hun voornaamste dwalingen?
1. Dat de paus van Rome, het zichtbare hoofd van de kerk hier op aarde, Christus' stedehouder, een onfeilbaar uitlegger van de geschillen des geloofs is, en aflaatbrieven tot vergeving der zonden kan verkopen.
2. Dat de overleveringen der kerk van gelijk gezag en even geloofwaardig zijn, als de H. Schriftuur zelve.
3. Dat de H. Schrift uit de Latijnse in andere talen niet mag overgezet, noch door het volk gelezen worden.
4. Dat de H. Schrift duister is en niet volmaakt bevat hetgeen ter zaligheid nodig is.
5. Dat de engelen en heiligen in den hemel middelaars en voorspraken zijn bij God, voor de gelovigen op aarde en daarom moeten aangeroepen worden.
6. Dat het geoorloofd is beelden te maken van de Goddelijke Drieëenheid, van Christus en de heiligen, om zich voor dezelve neder te buigen en God te vereren.
7. Dat de ongedoopte kinderen naar de hel gaan, doch na den doop, geen erfzonde meer hebben en dat men na den doop, en door vasten en kastijdingen voor de zonden voldoen, en door goede werken den hemel en de eeuwige zaligheid verdienen kan.
8. Dat er, behalve de beide Sacramenten, den Doop en het Avondmaal, nog vijf andere zijn, namelijk: het huwelijk, de biecht, de priesterlijke ordening, het vormsel en het heilige oliesel.
9. Dat het brood en de wijn in het Avondmaal wezenlijk in Christus' lichaam en bloed veranderd worden.
Dit noemen zij Transsubstantiatie.
Aan de leken onthouden zij daarom in het Avondmaal den beker en zeggen, dat de priester in de mis een eigenlijke offerande brengt voor de zonden van levenden en doden.
10. Dat er, behalve de hel ook een vagevuur is, waarin de zielen der mensen, eer zij den hemel ingaan, door pijniging gelouterd worden, en dat men daarom voor de zielen der afgestorvenen moet bidden tot hun verlossing.
Van wien zijn de Luthersen afkomstig?
Zij worden genaamd naar Luther, den groten hervormer der zestiende eeuw.
Welke is hun hoofddwaling?
Dat Christus' lichaam bij de hemelvaart alomtegenwoordig is geworden, waaruit volgt, dat Christus ook lichamelijk in, met en onder het brood in het Avondmaal is, hetwelk zij Consubstantiatie noemen.
Aan wien zijn de Mennonieten hun oorsprong verschuldigd?
Aan een Menno Simons, een Fries van geboorte, die vroeger een Rooms Priester was, en in 1536 de Roomse kerk heeft verlaten.
Welke zijn hun voorname dwalingen?
Hun dwalingen zijn, door gebrek aan onderlinge overeenstemming, niet gemakkelijk te bepalen. De voornaamste echter, waarin allen overeenkomen, zijn:
1. De verwerping van den kinderdoop. 2. De ontkenning, dat het den Christen geoorloofd is bij den naam Gods een eed te zweren, het overheidsambt te bedienen en het zwaard tegen de boosdoeners te gebruiken.
Wie waren de stichters der Sociniaanse leer?
Lelius Socinus en Faustus Socinus, die in het midden der zestiende eeuw hebben geleefd.
Welke zijn hun voornaamste dwalingen?
1. Leren zij, dat er slechts één Goddelijk Persoon is, namelijk de Vader; dat Jezus Christus van eeuwigheid geen Goddelijk Persoon is met den Vader en dat de H. Geest geen Persoon, maar slechts een kracht Gods is.
2. Loochenen zij de voldoening en de toerekening van de volmaakte gerechtigheid van Jezus Christus en zoeken door hun eigene Evangelische gehoorzaamheid de zaligheid.
3. Ontkennen zij Gods voorwetenschap en eeuwig raadsbesluit omtrent de bijzondere gevallen en den geestelijken dood van alle mensen, omdat zij stellen, dat den mens een vrijen wil heeft.
Van wien hebben de Arminianen of Remonstranten hun oorsprong?
Van Jacobus Arminius, Doctor in de Godgeleerdheid en Professor te Leiden, die in het begin der zeventiende eeuw leefde en wiens navolgers later Remonstranten zijn genoemd naar een smeekschrift, remonstrantie geheten, dat door hen bij de regering werd ingeleverd, en waarin zij zich verdedigden en vrijheid verzochten om hun Godsdienst uit te oefenen.
Welke zijn hun dwalingen?
Zij leren:
1. Dat de verkiezing geschied is om een voorgezien geloof en goede werken.
2. Dat Christus voor alle mensen heeft voldaan.
3. Dat de wil der mensen vrij is, zowel om het goede als het kwade te kiezen.
4. Dat de Geest Gods niet onwederstandelijk werkt in de bekering.
5. Dat de gelovigen uit den staat der genade kunnen vallen.