Advertentie

Toespraak aan den leerling

In de druk van 1892 staat deze toespraak vóór de vragen, zonder naam van de schrijver.

Geliefde leerling.

  1. Gelijk uw gehele Godsdienst geestelijk moet zijn, zo ook dit uw heilzaam werk van catechiseren, waarvan, omdat het van velen zeer geesteloos geschiedt, wij gewenst hebben, u, geliefde leerling, een kleine schets voor te schrijven, biddende dat de Heere u wil doen begrijpen, begeren en betrachten, hoe gij u Gode betamelijk hebt te gedragen vóór, ónder en ná de catechisatie.

  2. Vooraf dan, dient uw oogmerk zuiver te zijn, God te leren kennen, te gehoorzamen en te verheerlijken; uw evenmens te stichten, en uw eigene zaligheid, (die wij wensen, dat gij moogt te verwachten hebben) te bevorderen. Laat de gestalte uws harten nederig zijn, en zoek overtuigd te worden van uw eigene natuurlijke onkunde en onbekwaamheid in het geestelijke.

    Laat hierover een heilige schaamte en ware begeerte in u zijn, om daarvan verlost, en den beelde Gods in ware wijsheid gelijkvormig te worden.

    Onderwerp u tot dat einde aan dit middel van onderwijs, en aan het goedvinden van den Leraar, om u over te geven aan zijn orde en zijn bestuur, hetwelk de leerling hierin immer heeft te gehoorzamen, volgens Hebr. 13:17. Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig. En dat wilde Jezus Zelf dat geschieden zou omtrent de Farizeeën en Schriftgeleerden, Matth. 23:3. Daarom, al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het.

  3. Voorts hebt gij u op verscheidene wijzen te bereiden.

    Vooral wend u met den gebede tot God, en in uw gebed zullen dit de geschikste begeerten zijn: dat de Heere u geve, behalve de voorgemelde zaken, een opgehelderd verstand om de zaken te begrijpen, een geheiligd oordeel om die te waarderen, een sterk geheugen om die te onthouden, een onvermoeiden lust om uzelven te bevlijtigen en aan te houden in het oefenen, een onverdeelde aandacht om de vragen en antwoorden te kunnen verstaan, een vaardige tong met verdere bekwaamheid, om de zaken naar waarheid en waarde te kunnen uitdrukken: benevens de inleiding van des Heeren Geest, om die zaken in haar dierbaarheid en luister te begrijpen, en eindelijk dat de Heere naar den aard der zaken uw hart bewege en bewerke.

    Zoek dit kort, volledig onderwijsboekje als uw A B van buiten te leren, hetwelk u daarna zal kunnen dienen als het A B om verder te leren.

    Zoek ook de nodige bijbelplaatsen vast en vaardig van buiten te kennen. Gewen u in uw voorbereiding een onderscheidene bevatting in uw verstand en geheugen te hebben van die zaken, waarover gij nu antwoorden zult; en blijf tot dat einde bij iedere zaak wat staan. Maak het uw gewoonte die te overdenken, opdat, als gij in de catechisatie komt, gij moogt weten wat gij al, en wat gij niet verstaat, en waaromtrent gij ook bijzonder acht hebt te geven. Zo zult gij ook tonen, dat gij het niet als een papegaai hebt geleerd en opzegt.

    Die wat gevorderd is, leze een ander boek over die stof. Maar houd bij het lezen van andere boeken dezen regel, dat gij niet vele boeken, maar één Boek veelmalen leest.

    Dus bereid zijnde, ga uit met een afhankelijk hart en zoek tot dat einde uzelven gedurig levendig te herinneren, dat gij zonder des Heeren bijstand, niet zult kunnen tot enig werk of woord bekwaam zijn; maar dat gij door dezelve alle de vereiste hoedanigheden en vruchten zult genieten.

  4. Ga dus, wachtende op des Heeren heil, naar de plaats waar gij zult antwoorden, met een gemoed, dat begerig en volvaardig is, om in de tegenwoordigheid van God rekenschap en belijdenis te doen van de kennis, die de Heer in u gelegd heeft, ja, om daarin door dit middel toe te nemen en geheiligd te worden.

    Daar zittende, laten zedigheid en deftigheid zodanig in uw gehele gedrag vertoond worden, dat ieder zie, dat het gewicht van den Drieëenigen God en Zijn grote waarheden op uw ziel weegt.

    En bied dan uw ziel en uw lichaam den Heere aan, met begeerte en overtuiging, dat gij wenst, dat de Heere die nu zo gebruike, bewerke, vervulle en besture, als Hem meest heerlijk, en u zalig zijn kan.

  5. Wacht u den Leraar in de rede te vallen, hem tegen te spreken, of strikvragen voor te leggen; opdat gij niet toont hem te willen beschamen, of door uw waanwijsheid zijn persoon en zijn dienst in kleinachting te brengen.

    Maar zoek aandachtig op zijn vragen te letten, en die te verstaan. Als hij uitgevraagd heeft, antwoord dan. Maar zodra de Leraar weder begint, moet de leerling zwijgen, en niet met den Leraar voortspreken.

    Wat aangaat de manier van spreken, daarin hebt gij u te wachten voor gemaaktheid en mompelen binnensmonds, en voor los en ras heenrabbelen, maar integendeel te zorgen, dat men spreke met een verhevene, klare stem, zodat niet alleen de spreker en de Leraar, maar de gehele gemeente verstaan kan; ieder zoals het hem natuurlijk is, doch eerbiedig, langzaam en deftig, naar den aard en het gewicht der zaken.

  6. Dit zo in het gemeen zijnde, hebben wij nader aan te merken hoe gij uzelven in verscheidene gevallen hebt te gedragen; en daarin, als gij zelf gevraagd wordt en God u geeft te antwoorden, erken dan, dat het van den Heere is, dank Hem daarvoor met nederigheid. Maar als gij niet wel antwoordt, wordt dan niet moedeloos; en neem niet voor, op te houden van meer te catechiseren. Maar denk dat gij daar zit, niet als een, die alles weet, maar als een leerling, die alles wenst te leren. Zwijg dan ook niet stil, want dat neemt den tijd weg, het maakt den Leraar verlegen, en het schijnt de vragen enigszins te minachten. Maar zeg dan, of dat gij 't niet weet, of hetgeen ge meent te weten, en toon uw begeerte om het van den Leraar te horen.

    Omtrent God, erken uw onkunde, en verplichting om het te moeten weten. Bid om vergeving van de zonde van onkunde, en vermeerdering van de ware wijsheid.

    Wek tot dat einde uw hart wederom op tot leerzaamheid: zoek te verstaan hetgeen de Leraar tot verklaring zegt, dank den Heere voor Zijn goedheid, dat Die u zulk een Leraar gezonden heeft, door wien Hij u belieft te leren, dat gij niet weet, en nochtans noodzakelijk moet weten, en zoek u in het toekomstige nader en beter te bereiden.

  7. Als anderen gevraagd wordt, houd u dan niet op met te denken, wat zal mij gevraagd worden; maar wat zou ik daarop antwoorden, en zoek te verstaan, wat tot verklaring daarvan gezegd wordt. Als anderen het weten, benijd hen niet, maar dank den Heere voor de gaven en de wijsheid in hen gelegd, en bid om hun gelijk te mogen zijn.

    Als zij het niet weten, zo veracht of bespot hen niet, en verblijd of verhef uzelven niet, opdat ook de Heere u niet verstomme of verdwaze als gij zult antwoorden.

    Maar bid voor hen, dat God hun meerder licht, lust, geheugen, vrijmoedigheid en bekwaamheid geve, en zoveel in u is, wek hen daartoe op, en moedig hen aan.

  8. Eindelijk de catechisatie gedaan zijnde, moet ook hier uw einde het werk kronen.

    Laten hoogmoed en ijdelheid van u geweerd zijn. Het is zo onbetamelijk, dat men, alsof men van een ijdele plaats kwam, aanstonds met lachen of schertsen zich ophoudt, en zo lachende en schertsende, zich verheffende, of anderen verachtende, herhaalt wat men zelf of wat anderen geweten of niet geweten hebben, en daarvan onbetamelijk spreekt: zodat men zijn eigene dwaasheid toont, en een ander zijn vrijmoedigheid beneemt. Maar laten integendeel deftigheid en zedigheid uw sieraden zijn.

    Ga alleen of met elkander naar uw huizen, overleg daar de verhandelde zaken, onderzoek als in de tegenwoordigheid Gods, welk voordeel gij daar behaald hebt, hoe het aan uw ziel geheiligd is, en hoe gij u onder het catechiseren gedragen hebt. Wees nooit tevreden, dat uw oren alleen gehoord hebben, maar sta er naar, de zaken in het hart te ondervinden.

    Dank God voor datgene, dat gij hebt mogen horen en spreken, zoek het in uw hart en uw geheugen, ja zelfs op het papier te bewaren, om daarvan gebruik te maken, als het nodig zal zijn.

    Bid daartoe God om Zijn bewarenden en indachtigmakenden Geest.

  9. En bovenal is uw plicht te tonen, dát die waarheden, die gij beleden hebt, niet bestaan in woorden, maar in kracht. En zulks door een heiligen wandel, dewijl het een leer is die tot Godzaligheid leidt.

    Spreek daar niet alleen van in de catechisatie, maar laat hart en mond vervuld zijn, om daarvan ook buiten dezelve bij allerlei gelegenheden te spreken, zoek anderen tot een voorbeeld te zijn in lering, bestraffing, bestiering, vertroosting en heiligmaking.

    Ziedaar, geliefde leerling! een klein stukje der zaken, die gij omtrent uw catechiseren hebt te betrachten. God wil u bekwaam maken om het dus te mogen betrachten, Gode tot heerlijkheid, Zijn gemeente tot sieraad, uw evenmens tot stichting, en uzelven tot zaligheid!

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.