Houdt dan nu God op van alle werk omtrent de schepselen?
Neen; daar is nog een gedurig werk der goddelijke voorzienigheid. Joh. 5:17. Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook.
In hoeveel daden bestaat Gods voorzienigheid?
In drie: in onderhouding, medewerking en regering.
Wat is de onderhouding?
Die almachtige kracht Gods, waardoor Hij alles doet blijven in zijn wezen. Hebr. 1:3. En alle dingen draagt door het woord Zijner kracht.
Wat is Gods medewerking?
Die almachtige kracht Gods, waardoor Hij medewerkende invloeit in alle bewegingen en werkingen der schepselen. 1 Kor. 12:6. En er is verscheidenheid der werkingen, doch het is dezelfde God, Die alles in allen werkt.
Wat is de regering Gods?
Die almachtige kracht Gods, waardoor Hij alles bestiert tot een zeker bepaald einde. Ps. 93:1. De Heere regeert, Hij is met hoogheid bekleed; de Heere is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord. Ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen.
Waarover gaat de voorzienigheid Gods?
Over alle dingen. Ef. 1:11. Wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil.
Ook over kleine dingen?
Ja. Matth. 10:30. En ook uw haren des hoofds zijn alle geteld.
Is dat niet tot oneer van God, Zich met zulke kleine dingen te bemoeien?
Neen; 1. dewijl het Hem geen oneer is, die te hebben geschapen, 2. omdat Hij er ook geen groter dingen om behoeft te verzuimen, 3. en Hij er ook dikwijls grote zaken door uitvoert.
Gaat Gods voorzienigheid ook over dingen, die bij geval gebeuren?
Ja; het lot wordt in den schoot geworpen, maar het gehele beleid daarvan is van den Heere. Spr. 16:33.
Geschiedt er ook iets bij geval?
Niet ten opzichte van God, maar wel ten opzichte van ons.
Gaat Gods voorzienigheid ook omtrent onzen dood en ons leven?
Ja; de tijd daarvan is ook bij God bepaald. Job 14:5. Dewijl zijn dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden bij U is, en Gij zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal.
Kan dan een mens zijn leven niet verlengen of verkorten?
Niet ten opzichte van God, maar wel naar den mens.
Is dan het gebruik van alle middelen om te leven niet onnut?
Neen; die heeft God mede besloten als middelen tot dat einde, en Hij geeft ook den mens den wil om ze te gebruiken.
Gaat Gods voorzienigheid ook over de allervrijste dingen?
Ja, zelfs over de gedachten. Spr. 21:1. Des konings hart is in de hand des Heeren als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.
Neemt dat des mensen vrijheid niet weg?
Neen; die bestiering is geen dwang, maar een gewillige neiging.
Gaat Gods voorzienigheid ook omtrent de zonde?
Ja; Hij laat ze toe, bepaalt en bestiert ze tot een zeker einde. Gen. 50:20. Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden.
Werkt God de zonde zelve niet?
Neen; een heilig God kan geen oorzaak zijn van iets zondigs. Hij haat en straft de zonde.
Werkt God dan het goede?
Ja. 2 Kor. 3:5. Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God.
Geeft God daartoe maar eens en voor al krachten, of moet Hij invloeien tot elke bijzondere daad?
Hij moet invloeien tot elke bijzondere daad, daartoe opwekkende en medewerkende. Fil. 2:13. Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.
Waartoe is de leer der voorzienigheid nuttig?
Zij leert Gods volk in tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar, en voor het toekomende vertrouwend te zijn. Job 1:21, 22. Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen; de Naam des Heeren zij geloofd! In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe. Gen. 32:10. Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt; want ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden! Job 13:15. Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.