Advertentie

Van God

Hoofdstuk 3 · 85 vragen

I. In het algemeen

Vraag 1

Wat is God?

Een volmaakte en oneindige Geest. Joh. 4:24. God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid. Matth. 5:48. Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.

Vraag 2

Hoe kan dat zijn, dewijl Hem ogen, oren, handen en andere lichaamsdelen worden toegeschreven in de H. Schrift?

Dat moet alles oneigenlijk verstaan worden van hoedanigheden in God, die met het gebruik der menselijke delen enige overeenkomst hebben.

Vraag 3

Waarin moet God al gekend worden?

1. In Zijn Wezen. 2. In Zijn Namen. 3. In Zijn Eigenschappen. 4. In Zijn Personen.

Vraag 4

Mag men God ook een Wezen toeschrijven?

Ja; doch niet in een lichamelijken zin. Spr. 8:14. Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.

Vraag 5

Hoeveel Goden zijn er?

Eén God. 1 Tim. 2:5. Want er is een God, er is ook een Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus.

Vraag 6

Nochtans spreekt God in het eerste gebod Zelf van andere goden. Ex. 20:3?

Niet die het inderdaad zijn, maar die er van mensen toe gemaakt en voor gehouden worden. 1 Kor. 8:5, 6. Want hoewel er ook zijn, die goden genaamd worden, hetzij in den hemel, hetzij op de aarde (gelijk er vele goden en vele heren zijn), Nochtans hebben wij maar een God, den Vader, uit Welken alle dingen zijn, en wij tot Hem; en maar een Heere, Jezus Christus, door Welken alle dingen zijn, en wij door Hem.

II. Van Gods namen

Vraag 1

Heeft God ook namen nodig, gelijk de mensen?

Neen; want Hij heeft niemand Hem gelijk. Gen. 32:29. En Jakob vraagde, en zeide: Geef toch Uw naam te kennen. En Hij zeide: Waarom is het, dat gij naar Mijn naam vraagt? En Hij zegende hem aldaar. Richt. 13:18. En de Engel des Heeren zeide tot hem: Waarom vraagt gij dus naar Mijn naam? Die is toch Wonderlijk.

Vraag 2

Waartoe dragen dan de mensen eigenlijk namen?

Om hen van anderen, die hun gelijk zijn, te onderscheiden.

Vraag 3

Waarom worden God dan namen toegeschreven?

1. Om Hem van de afgoden te onderscheiden. 2. Om daardoor ook iets van Hem aan ons bekend te maken.

Vraag 4

Hebben dan al de namen Gods enige beduidenis?

Ja.

Vraag 5

Welke zijn Zijn twee gewoonste namen?

De naam God en de naam Heere.

Vraag 6

Is de naam God niet maar een naam van een ambt of bediening?

Neen; maar een naam van het Wezen Gods Zelf. Hij is van nature God, in tegenstelling der afgoden. Gal. 4:8. Maar toen, als gij God niet kendet, diendet gij degenen, die van nature geen goden zijn.

Vraag 7

Nochtans wordt de naam van God ook aan engelen en overheden gegeven. Ps. 82:6. Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden; en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten?

Dan wordt die buiten zijn eigenlijke betekenis oneigenlijk overgebracht.

Vraag 8

Welke is Gods allergrootste naam?

De naam Jehovah of Heere.

Vraag 9

Kan die wel aan enig schepsel gegeven worden?

Neen. Jes. 42:8. Ik ben de Heere, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven, noch Mijn lof den gesneden beelden.

Vraag 10

Is die naam dan zo groot van betekenis?

Ja: hij betekent het zelf-zijn, de Onveranderlijkheid en Getrouwheid van God. Ex. 3:14. En God zeide tot Mozes: IK ZAL ZIJN, Die IK ZIJN ZAL! Ook zeide Hij: Alzo zult gij tot de kinderen Israels zeggen: IK ZAL ZIJN heeft mij tot ulieden gezonden! Ex. 6:2. En Ik ben aan Abraham, Izak, en Jakob verschenen, als God de Almachtige; doch met Mijn Naam Heere ben Ik hun niet bekend geweest.

Vraag 11

Mag men Christus wel Jehovah noemen?

Ja; omdat Hij ook waarachtig God is. Jer. 23:6. In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israel zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De Heere: ONZE GERECHTIGHEID.

III. Van Gods eigenschappen

Vraag 1

Zijn Gods eigenschappen iets van God onderscheiden?

Neen: zij zijn God Zelf: daarom wordt Hij genoemd het Licht. 1 Joh. 1:5. En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben, en wij u verkondigen, dat God een Licht is, en gans geen duisternis in Hem is. Het Leven, de Waarheid, de Liefde. 1 Joh. 4:8. Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend; want God is liefde. De Heiligheid zelve; zweren bij Zijn heiligheid, en zweren bij Zichzelven is één. Amos 4:2. De Heere Heere heeft gezworen bij Zijn heiligheid, dat er, ziet, dagen over ulieden zullen komen, dat men u zal optrekken met haken, en uw nakomelingen met visangelen. Vergeleken met Hebr. 6:13. Want als God aan Abraham de belofte deed, dewijl Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelven.

Vraag 2

Zijn Gods eigenschappen ook verscheiden, en onderscheiden van elkander?

Niet in God; want in Hem is alles maar één oneindige volmaaktheid; maar alleen naar onze manier van bevatten en naar de verscheidene uitlatingen van Gods volmaaktheid omtrent de schepselen.

Vraag 3

Hoe worden dus Gods eigenschappen gewoonlijk onderscheiden?

In onmededeelbare en mededeelbare eigenschappen. Gen. 1:26. En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis. 1 Joh. 3:2. Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. 2 Petr. 1:4. Door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid.

Vraag 4

Welke zijn de onmededeelbare?

De onafhankelijkheid, de eenvoudigheid, de eeuwigheid, de overaltegenwoordigheid en de onveranderlijkheid Gods.

Vraag 5

Waarom noemt gij die onmededeelbaar?

Omdat er geen de minste gelijkheid van is in enig schepsel.

Vraag 6

Wat is de onafhankelijkheid Gods?

Dat Hij is van Zichzelven; en bestaat door Zichzelven. Gen. 17:1. Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!

Vraag 7

Wat is de eenvoudigheid Gods?

Dat alles in God één is zonder samenstelling van verscheidene delen of zaken. Deut. 6:4. Hoor, Israel! de Heere, onze God, is een enig Heere!

Vraag 8

Wat is de eeuwigheid Gods?

1. Dat Hij is zonder enig begin. 2. Zonder enig vervolg of onderscheid van tijd. 3. Zonder einde. Ps. 90:2. Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.

Vraag 9

Behoort tot Gods eeuwigheid ook, dat er bij Hem geen vervolg van tijd is?

Ja; want één dag is bij den Heere als duizend jaren, en duizend jaren als één dag. 2 Petr. 3:8.

Vraag 10

Waar is God?

Overaltegenwoordig. Jer. 23:23, 24. Ben Ik een God van nabij, spreekt de Heere, en niet een God van verre? Zou zich iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt de Heere; vervul Ik niet den hemel en de aarde? spreekt de Heere.

Vraag 11

Moet men dat alleen van Zijn werkingen, of ook van Zijn Wezen verstaan?

Ook van Zijn Wezen, dat van Zijn werkingen niet kan worden afgescheiden, dewijl Hij werkt door Zijn Wezen. Hand. 17:27. Opdat zij den Heere zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten; hoewel Hij niet verre is van een iegelijk van ons.

Vraag 12

Waarom wordt God dan zo bijzonder gezegd in den hemel te zijn?

Omdat Hij daar Zijn heerlijkheid meer vertoont dan elders. Jes. 66:1. Alzo zegt de Heere: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen, en waar is de plaats Mijner rust?

Vraag 13

Is God veranderlijk of onveranderlijk?

Onveranderlijk. Mal. 3:6. Want Ik, de Heere, word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd.

Vraag 14

Nochtans wordt aan God berouw toegeschreven. Gen. 6:6. Toen berouwde het den Heere, dat Hij den mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart?

Dat berouw is in God maar een verandering in Zijn werk; niet in Zijn wil en Wezen zelf. Num. 23:19. God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken?

Vraag 15

Hem wordt ook verandering van plaats toegeschreven: dat Hij nederdaalt, ergens komt en weder weg gaat. Gen. 11:5. Toen kwam de Heere neder, om te bezien de stad en den toren, die de kinderen der mensen bouwden?

Dat is maar een verandering in de meerdere of mindere vertoning van Zijn tegenwoordigheid, niet in Zijn wezenlijke tegenwoordigheid zelve.

Vraag 16

Welke zijn de mededeelbare eigenschappen?

Die worden gemeenlijk genoemd: Gods wetenschap, wil en macht, Zijn rechtvaardigheid, goedheid, genade, barmhartigheid en lankmoedigheid.

Vraag 17

Waarom worden die mededeelbaar genoemd?

Omdat er enige verre gelijkheid van is in de schepselen, hoewel ze ook, zoals zij in God zijn, oneindig en zo onmededeelbaar zijn.

Vraag 18

Wat is de wetenschap Gods?

Die volmaaktheid Gods, waardoor Hij op de volmaaktste wijze van eeuwigheid in Zich alles weet. Hand. 15:18. Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend.

Vraag 19

Waarover gaat Gods wetenschap?

Over alle dingen: en zo is Hij alwetend. 1 Joh. 3:20. Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart, en Hij kent alle dingen. Ps. 147:4. Hij telt het getal der sterren; Hij noemt ze allen bij namen.

Vraag 20

Weet God alle toekomende en gebeurlijke dingen?

Ja. Ps. 139:2. Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten.

Vraag 21

Voorweet God die uit kracht van een voorgaand besluit, of door een zogenaamde middelkennis?

Uit kracht van Zijn besluit, en onder een zekerheid van haar toekomendheid.

Vraag 22

Hoe wordt Gods wil onderscheiden?

In een wil van Gods besluit en een wil des gebods, of anders een verborgen en geopenbaarden wil.

Vraag 23

Wat is de wil van Gods besluit?

Gods eeuwig voornemen, naar hetwelk Hij Zelf alles doet in den tijd. Ef. 1:11. In Hem, in Welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil.

Vraag 24

Wat is de wil van Gods gebod, of Zijn geopenbaarde wil?

Dien Hij ons tot een regel voorschrijft in Zijn Woord, en dien Hij van ons wil gedaan hebben. Rom. 12:2. En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij.

Vraag 25

Naar welke van die twee moeten wij ons gedragen?

Naar den wil des bevels; want de wil des besluits is ons onbekend. Deut. 29:29. De verborgene dingen zijn voor den Heere, onzen God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden dezer wet.

Vraag 26

Wat is Gods rechtvaardigheid?

Die volmaaktheid Gods, waardoor Hij alle zonden haat en straft. Ps. 5:5, 6, 7. Want Gij zijt geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren. De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid. Gij zult de leugensprekers verdoen; van den man des bloeds en des bedrogs heeft de Heere een gruwel.

Vraag 27

Moet God alle zonden noodzakelijk straffen?

Ja. Rom. 1:32. Dewelken, daar zij het recht Gods weten, namelijk, dat degenen, die zulke dingen doen, des doods waardig zijn) niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen, die ze doen.

Vraag 28

Ligt dan God onder dwang?

Neen: dat moeten is in God een allergenegendst willen. Hab. 1:13. Gij zijt te rein van ogen, dan dat Gij het kwade zoudt zien, en de kwelling kunt Gij niet aanschouwen; waarom zoudt Gij aanschouwen die trouwelooslijk handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen, als de goddeloze dien verslindt, die rechtvaardiger is dan hij?

Vraag 29

Kan God van dat recht niet wat afstaan?

Neen; dan zou Hij Zichzelven verloochenen, want Zijn rechtvaardigheid is ook God Zelf. Ex. 34:6, 7. Als nu de Heere voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: Heere, Heere, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, en aan de kindskinderen, in het derde en vierde lid.

Vraag 30

Wel immers vergeeft God de schuld en straf der zonde aan de gelovigen?

Dan is Gods rechtvaardigheid al in Christus voldaan: Die heeft voor hen de straf gedragen. Ef. 1:7. In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade.

Vraag 31

Hoedanig is Gods macht?

Een almacht. Matth. 19:26. En Jezus, hen aanziende, zeide tot hen: Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.

Vraag 32

Kan God dan ook wel sterven, zondigen, enz.?

Neen, dat zou een onmacht zijn, en geen macht.

Vraag 33

Wat is Gods goedheid?

In het algemeen: Zijn beminnelijkheid omtrent Zijn schepselen. Ps. 4:7, 8. Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere! Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn. Bijzonder: de uitlatingen Zijner weldadigheid en liefde omtrent Zijn schepselen, de mensen, en bovenal aan Zijn gunstgenoten. Ps. 36:7. Heere! Gij behoudt mensen en beesten. Joh. 3:16. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

Vraag 34

Wat is Gods genade?

Die goedheid Gods, waardoor Hij zonder inzicht van des mensen waardigheid hem weldoet.

Vraag 35

Hoe velerlei genade is er?

Zij is of algemeen omtrent allen. Matth. 5:45. Want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Of bijzonder en zaligmakend, omtrent de uitverkorenen alleen. Rom. 3:24. En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is. Matth. 11:25. Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde! dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard. Gen. 6:8. Maar Noach vond genade in de ogen des Heeren. Luk. 1:30. En de engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden. En die wederom voorkomende, inwerkende en achtervolgende genade.

Vraag 36

Wat is Gods barmhartigheid?

Die goedheid Gods omtrent den ellendigen, uitverkoren zondaar, waardoor Hij hem dagelijks wederom herstelt in den genadestaat, door den Middelaar Jezus. Ex. 34:6. Als nu de Heere voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: Heere, Heere, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Ef. 2:4. Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft.

Vraag 37

Wat is Gods lankmoedigheid?

Die goedheid Gods, waardoor Hij de welverdiende straf uitstelt, om de uitverkorenen tot bekering te brengen en de verworpenen te overtuigen. Rom. 2:4. Of veracht gij den rijkdom Zijner goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt?

Vraag 38

Wat is Gods hoogheid?

Gods oppergezag boven alle schepselen. Jer. 10:6, 7. Omdat niemand U gelijk is, o Heere! zo zijt Gij groot, en groot is Uw Naam in mogendheid. Wie zou U niet vrezen, Gij Koning der heidenen? Want het komt U toe; omdat toch onder alle wijzen der heidenen, en in hun ganse koninkrijk, niemand U gelijk is. En kap. 18:6. Zal Ik ulieden niet kunnen doen, gelijk deze pottenbakker, o huis Israels? spreekt de Heere; ziet, gelijk leem in de hand des pottenbakkers, alzo zijt gijlieden in Mijn hand, o huis Israels! Rom. 9:18, 20. Zo ontfermt Hij Zich dan, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij wil. Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzo gemaakt?

IV. Van de drie personen

Vraag 1

Hoeveel Personen zijn er in het goddelijk wezen?

Drie: de Vader, de Zoon en de H. Geest.

Vraag 2

Mag men het woord "Drieëenheid" wel gebruiken?

Ja; het is schriftuurlijk. 1 Joh. 5:7. Want Drie zijn er, Die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn Een.

Vraag 3

Mag men ook het woord "persoon" hier gebruiken?

Ja; dat is hier hetzelfde met het woord zelfstandigheid. Hebr. 1:3. Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en.

Vraag 4

Kan de heilige Drieëenheid wel bewezen worden uit de natuur?

Neen; maar alleen uit de Heilige Schrift, want zij is een verborgenheid, wel niet tegen, maar nochtans boven de natuur.

Vraag 5

Hoe bewijst men de Drieëenheid uit de Heilige Schrift?

1. Uit het Oude Testament. 2. Uit het Nieuwe Testament.

Vraag 6

Hoe uit het Oude Testament?

1. Uit teksten, waar God van Zichzelven in het meerder getal spreekt. Gen. 1:26. En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis. 2. Uit teksten, waar God en God, Heere en Heere worden onderscheiden. Ps. 45:8. Daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten. Ps. 110:1. De Heere heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten. 3. Uit teksten, waar de drie Personen uitdrukkelijk genoemd en onderscheiden worden. Ps. 33:6. Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir.

Vraag 7

Hoe bewijst gij de Drieëenheid uit het Nieuwe Testament?

1 Joh. 5:7. Drie zijn er, Die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn Een. Ook in onzen doop. Matth. 28:19. Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. Ook toen Christus gedoopt werd. Matth. 3. De zoon werd gedoopt, de Vader sprak uit den hemel, en de Geest Gods kwam nederdalen gelijk een duif.

Vraag 8

Waarin zijn de drie Personen één?

In wezen.

Vraag 9

Waarin zijn zij drie?

In personen.

Vraag 10

Zijn zij dan als Personen onderscheiden?

Ja, door hun personele eigenschappen of wijze van bestaan.

Vraag 11

Welke is de personele eigenschap van den Vader?

Dat Hij als Vader is van Zichzelven.

Vraag 12

Welke is de personele eigenschap van den Zoon?

Dat Hij gegenereerd is van den Vader. Ps. 2:7. Ik zal van het besluit verhalen: de Heere heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.

Vraag 13

Welke is de personele eigenschap van den H. Geest?

Dat Hij uitgaat van den Vader en van den Zoon. Joh. 15:26. Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, Dien Ik u zenden zal van den Vader, namelijk de Geest der waarheid, Die van den Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen.

Vraag 14

Waarom noemt gij dat personele eigenschappen en niet wezenlijke?

Omdat zij niet aan het gehele Wezen, maar elk alleen aan één persoon eigen zijn.

Vraag 15

Wanneer is de Zoon van den Vader gegenereerd?

Van eeuwigheid. Spr. 8:24. Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water.

Vraag 16

Hoe staat er dan Ps. 2:7: Heden heb Ik U gegenereerd?

In God is niet dan een eeuwig en onveranderlijk heden.

Vraag 17

Is dan de Zoon de eigen en natuurlijke Zoon van God?

Ja. Joh. 1:18. Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard.

Vraag 18

Waarom wordt de tweede Persoon dan eigenlijk Gods Zoon genaamd?

Omdat de Vader van eeuwigheid tot eeuwigheid hetzelfde goddelijk Wezen aan den Zoon mededeelt. Joh. 5:26. Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelven, alzo heeft Hij ook den Zoon gegeven, het leven te hebben in Zichzelven. Kol. 1:15. Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller kreaturen. Hebr. 1:3. Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechter hand der Majesteit in de hoogste hemelen. Kol. 2:9. Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.

Vraag 19

Is Hij dan niet eerst Gods Zoon geworden, door Zijn geboorte uit Maria of door Zijn Middelaarsambt?

Neen; Hij was al vooraf Gods Zoon. Gal. 4:4. Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet.

Vraag 20

Gaat de Heilige Geest alleen uit van den Vader?

Neen; maar ook van den Zoon; daarom wordt Hij ook genoemd, de Geest van Christus. Rom. 8:9. Doch gijlieden zijt niet in het vlees, maar in den Geest, zo anders de Geest Gods in u woont. Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe. Gal. 4:6. En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!

Vraag 21

Is de H. Geest niet maar een kracht of eigenschap Gods?

Neen; Hij is een dadelijk Persoon, hebbende verstand en wil. Want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. 1 Kor. 2:10 en 12:11. Doch deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil. Hij is ook verschenen in den doop van Christus. Matth. 3:16. En Jezus, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen, gelijk een duive, en op Hem komen.

Vraag 22

Is Hij ook een onderscheiden persoon?

Ja; Hij wordt uitdrukkelijk een ander genoemd. Joh. 14:16. En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid.

Vraag 23

Waaruit bewijst men, dat de Zoon en de H. Geest zowel God zijn als de Vader?

1. Uit hun goddelijke namen. 2. Uit hun goddelijke eigenschappen. 3. Uit hun goddelijke werken. 4. Uit hun goddelijke eer.

Vraag 24

Bewijs eens dat er Goddelijke namen gegeven worden aan den Zoon?

1. De naam Heere of Jehova. Jer. 23:6. In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israel zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De Heere: ONZE GERECHTIGHEID. 2. De naam God. 1 Joh. 5:20. Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven.

Vraag 25

Bewijs eens dat de naam van God gegeven wordt aan den H. Geest?

Hand. 5:3, 4. En Petrus zeide: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt, en onttrekken van den prijs des lands? Zo het gebleven ware, bleef het niet uw, en verkocht zijnde, was het niet in uw macht? Wat is het, dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen? Gij hebt den mensen niet gelogen, maar Gode.

Vraag 26

Bewijs een Goddelijke eigenschap van den Zoon?

De eeuwigheid, Micha 5:1. En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israel, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.

Vraag 27

Bewijs eens een Goddelijke eigenschap van den H. Geest?

De overaltegenwoordigheid. Ps. 139:7. Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?

Vraag 28

Welke goddelijke werken worden hun toegeschreven?

De schepping en onderhouding van alles. Ps. 33:6. Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir.

Vraag 29

Welke goddelijke eer komt hun toe?

In hun naam gedoopt te worden, in hen te geloven, en hen te aanbidden. 2 Kor. 13:13. De genade van den Heere Jezus Christus, en de liefde van God, en de gemeenschap des Heiligen Geestes, zij met u allen. Amen.

Vraag 30

Is deze leer nodig tot zaligheid?

Ja; omdat men daardoor God recht leert kennen en verzoening zoeken met den Vader als Rechter in de voldoening van den Zoon, door de werking van den H. Geest. Joh. 6:44. Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. 1 Joh. 1:3. Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus.

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.