Kort begrip van de voornaamste dwalingen dergenen, die buiten de gereformeerde kerk zijn

In de druk van 1892 staat dit Kort begrip achter het vragenboek; het titelblad noemt het een toevoeging.

19 vragen

Vraag 1

Welke zijn de voornaamste partijen buiten de gereformeerde kerk?

Die zijn óf buiten óf onder het Christendom.

Vraag 2

Welke zijn die buiten het Christendom?

Heidenen, hedendaagse Joden en Mohamedanen.

Vraag 3

Wat zijn Heidenen?

De Heidenen zijn voornamelijk voortgesproten uit Cham en Jafet, die van het woord der belofte zijn afgeweken en zonder openbaring van God leven.

Vraag 4

Waarin bestaat hun godsdienst?

Die is, wat de wijze betreft, zeer verscheiden, doch bestaat daarin, dat zij het schepsel boven den Schepper eren en dienen, dewijl zij God en Christus niet kennen.

Vraag 5

Wat zijn Joden?

De Joden zijn de nakomelingen van Abraham, den negenden van Sem, en worden, sedert de Babylonische gevangenschap, naar Juda, den zoon van Jakob, Joden genaamd. Onder hen was, voor de komst van Christus, de ware kerk.

Vraag 6

Welke is hun hedendaags gevoelen?

Zij zeggen, dat Jezus de Nazarener niet de door God beloofde Messias is; daarom loochenen zij de Goddelijkheid en het gezag van de Schriften des N. Verbonds, wachtende nog de komst van den Messias, dien zij zich als een aards en machtig vorst voorstellen.

Vraag 7

Wat zijn Mohamedanen?

Navolgers van een zekeren Mohamed, een Arabier, die in het begin der zevende eeuw geleefd heeft.

Vraag 8

Waarin bestaat voornamelijk hun godsdienst?

In een vermenging van het Joden-, Heiden- en Christendom. Bij de leer: er is één God, erkennen zij Mohamed als zijn profeet, groter dan Mozes en Christus.

Vraag 9

Welke zijn de voornaamste hedendaagse partijen onder het Christendom?

Roomsgezinden, Luthersen, Socinianen, Mennonieten en Remonstranten.

Vraag 10

Van waar hebben de Roomsgezinden hun afkomst?

De Roomse kerk is haar oorsprong verschuldigd aan het steeds toenemend bederf, dat zich reeds vroeg in de Christelijke kerk openbaarde. In het begin van de zevende eeuw echter is door toedoen van den keizer Phocas de Bisschop van Rome, Bonifacius III, tot hoofd van de kerk verklaard, en sedert dien tijd zijn de dwalingen zeer toegenomen.

Vraag 11

Welke zijn hun voornaamste dwalingen?

1. Dat de paus van Rome, het zichtbare hoofd van de kerk hier op aarde, Christus' stedehouder, een onfeilbaar uitlegger van de geschillen des geloofs is, en aflaatbrieven tot vergeving der zonden kan verkopen.

2. Dat de overleveringen der kerk van gelijk gezag en even geloofwaardig zijn, als de H. Schriftuur zelve.

3. Dat de H. Schrift uit de Latijnse in andere talen niet mag overgezet, noch door het volk gelezen worden.

4. Dat de H. Schrift duister is en niet volmaakt bevat hetgeen ter zaligheid nodig is.

5. Dat de engelen en heiligen in den hemel middelaars en voorspraken zijn bij God, voor de gelovigen op aarde en daarom moeten aangeroepen worden.

6. Dat het geoorloofd is beelden te maken van de Goddelijke Drieëenheid, van Christus en de heiligen, om zich voor dezelve neder te buigen en God te vereren.

7. Dat de ongedoopte kinderen naar de hel gaan, doch na den doop, geen erfzonde meer hebben en dat men na den doop, en door vasten en kastijdingen voor de zonden voldoen, en door goede werken den hemel en de eeuwige zaligheid verdienen kan.

8. Dat er, behalve de beide Sacramenten, den Doop en het Avondmaal, nog vijf andere zijn, namelijk: het huwelijk, de biecht, de priesterlijke ordening, het vormsel en het heilige oliesel.

9. Dat het brood en de wijn in het Avondmaal wezenlijk in Christus' lichaam en bloed veranderd worden.

Dit noemen zij Transsubstantiatie.

Aan de leken onthouden zij daarom in het Avondmaal den beker en zeggen, dat de priester in de mis een eigenlijke offerande brengt voor de zonden van levenden en doden.

10. Dat er, behalve de hel ook een vagevuur is, waarin de zielen der mensen, eer zij den hemel ingaan, door pijniging gelouterd worden, en dat men daarom voor de zielen der afgestorvenen moet bidden tot hun verlossing.

Vraag 12

Van wien zijn de Luthersen afkomstig?

Zij worden genaamd naar Luther, den groten hervormer der zestiende eeuw.

Vraag 13

Welke is hun hoofddwaling?

Dat Christus' lichaam bij de hemelvaart alomtegenwoordig is geworden, waaruit volgt, dat Christus ook lichamelijk in, met en onder het brood in het Avondmaal is, hetwelk zij Consubstantiatie noemen.

Vraag 14

Aan wien zijn de Mennonieten hun oorsprong verschuldigd?

Aan een Menno Simons, een Fries van geboorte, die vroeger een Rooms Priester was, en in 1536 de Roomse kerk heeft verlaten.

Vraag 15

Welke zijn hun voorname dwalingen?

Hun dwalingen zijn, door gebrek aan onderlinge overeenstemming, niet gemakkelijk te bepalen. De voornaamste echter, waarin allen overeenkomen, zijn:

1. De verwerping van den kinderdoop. 2. De ontkenning, dat het den Christen geoorloofd is bij den naam Gods een eed te zweren, het overheidsambt te bedienen en het zwaard tegen de boosdoeners te gebruiken.

Vraag 16

Wie waren de stichters der Sociniaanse leer?

Lelius Socinus en Faustus Socinus, die in het midden der zestiende eeuw hebben geleefd.

Vraag 17

Welke zijn hun voornaamste dwalingen?

1. Leren zij, dat er slechts één Goddelijk Persoon is, namelijk de Vader; dat Jezus Christus van eeuwigheid geen Goddelijk Persoon is met den Vader en dat de H. Geest geen Persoon, maar slechts een kracht Gods is.

2. Loochenen zij de voldoening en de toerekening van de volmaakte gerechtigheid van Jezus Christus en zoeken door hun eigene Evangelische gehoorzaamheid de zaligheid.

3. Ontkennen zij Gods voorwetenschap en eeuwig raadsbesluit omtrent de bijzondere gevallen en den geestelijken dood van alle mensen, omdat zij stellen, dat den mens een vrijen wil heeft.

Vraag 18

Van wien hebben de Arminianen of Remonstranten hun oorsprong?

Van Jacobus Arminius, Doctor in de Godgeleerdheid en Professor te Leiden, die in het begin der zeventiende eeuw leefde en wiens navolgers later Remonstranten zijn genoemd naar een smeekschrift, remonstrantie geheten, dat door hen bij de regering werd ingeleverd, en waarin zij zich verdedigden en vrijheid verzochten om hun Godsdienst uit te oefenen.

Vraag 19

Welke zijn hun dwalingen?

Zij leren:

1. Dat de verkiezing geschied is om een voorgezien geloof en goede werken.

2. Dat Christus voor alle mensen heeft voldaan.

3. Dat de wil der mensen vrij is, zowel om het goede als het kwade te kiezen.

4. Dat de Geest Gods niet onwederstandelijk werkt in de bekering.

5. Dat de gelovigen uit den staat der genade kunnen vallen.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.