Gezang 56

1
Natuur verrijst ten leven weer,
door stem bij stem geprezen,
en met de nu verrezen Heer
aarde thans herrezen.
't Heelal siert zich in 't hoogtijdskleed,
nu Hij herleeft, die 't worden deed,
en alles riep in 't wezen.

2
Hoe blinkt het licht in reine gloed,
de waterstromen vloeien,
de lentewind omruist ons zoet,
het dal vangt aan te bloeien.
Wat straks verdord was, groent nu weer,
en lief'lijk golven beek en meer,
ontslagen van hun boeien.

3
Het leven overwint de dood,
een nieuw, een heerlijk leven!
En wat voor ons de zonde sloot,
het Eden is hergeven.
Het zwaard des cherubs dreigt niet meer,
God zelf ontsloot de toegang weer
naar d' eeuw'ge vreugdedreven.

<- Gezang 55 | Gezang 56 | Gezang 57 ->

Toon nummering: naast | in tekst | niet