Gezang 287

1
Reeds daalt met een omwolkt gezicht
de zon vroegtijdig neder,
en later toont haar zwakker licht
zich aan de hemel weder.
Het schoon seizoen is heengesneld,
en reeds wordt op het dorre veld
de ruwe storm vernomen.
Het laatste bloempje neigt ter aard
en d' adem van de herfst ontblaart
de schaduwrijkste bomen.

2
U, die ons steeds ten Vader zijt,
U blijven wij verwachten,
al nadert 's levens wintertijd,
al slijten onze krachten.
Ook in die herfst des levens zal
ons hart, bij smart of ongeval,
niet vruchtloos op U bouwen.
Gij blijft de ouderdom ten staf,
Gij blijft tot aan, tot over 't graf
in Christus ons vertrouwen.

<- Gezang 286 | Gezang 287 | Gezang 288 ->
Toon nummering: naast | in tekst | niet