Vers 1 Kom Christenschaar, komt, knielen wij
voor Jezus, onzen Koning!
’t Heelal erkent zijn heerschappij,
al is een stal zijn woning.
Vers 2 Zijn grootheid schittert niet door pracht,
Zijn kroon is niet bepereld.
Zijn koninkrijk, zo lang verwacht,
Is niet van deze wereld.
Vers 3 O Zoon van God, o eeuwig Woord,
Wiens ogen ’t al regeren,
Wiens stem de ganse schepping hoort,
Dien w’ als den Vader eren!
Vers 4 Gij, door uw liefd’ ondenkbaar groot,
Gij schuwt geen smaad, geen lijden,
Geen angst, geen kruis, geen vloek, geen dood,
Zo ’t zondaars kan bevrijden.
Vers 5 Gij, die als God de zonde haat,
Wilt U zo diep verzaken,
Dat G’ onbesmet U zelven laat
Voor ons tot zonde maken.
Vers 6 Uw liefd’ is groot, is groot als Gij,
Door d’eeuwen nooit volprezen,
Oneindig als uw heerschappij,
Onpeilbaar als uw wezen.