Waarom zegt gij, dat gij alleen door het geloof rechtvaardig zijt?
Niet, dat ik vanwege de waardigheid mijns geloofs Gode aangenaam ben; maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is, en dat ik die niet ander dan alleen door het geloof aannemen en mij toeeigene kan.