Wat verbiedt God in het achtste gebod?
God verbiedt niet alleen dat stelen en roven hetwelk de overheid straft; maar Hij noemt ook dieverij alle boze stukken en aanslagen waarmede wij onzes naasten goed denken aan ons te brengen, hetzij met geweld, of schijn des rechts, als met vals gewicht, el, maat, waar, munt, woeker, of door enig middel, van God verboden; daarenboven ook alle gierigheid, alle misbruik en verkwisting Zijner gaven.
Bewijsteksten
aDwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven. 1 Korintiërs 6:10
bDoch niet geheellijk met de hoereerders dezer wereld, of met de gierigaards, of met de rovers, of met de afgodendienaars; want anders zoudt gij moeten uit de wereld gaan. 1 Korintiërs 5:10
Wee u, gij verwoester, die niet verwoest zijt, en gij, die trouwelooslijk handelt, waar men niet trouwelooslijk tegen u gehandeld heeft! Als gij het verwoesten zult volbracht hebben, zult gij verwoest worden; als gij het trouweloos handelen zult voleind hebben, zal men trouwelooslijk tegen u handelen. Jesaja 33:1
cEn hem vraagden ook de krijgslieden, zeggende: En wij, wat zullen wij doen? En hij zeide tot hen: Doet niemand overlast, en ontvreemdt niemand het zijne met bedrog, en laat u vergenoegen met uw bezoldigingen. Lukas 3:14
Dat niemand zijn broeder vertrede, noch bedriege in zijn handeling; want de Heere is een wreker over dit alles, gelijk wij u ook te voren gezegd en betuigd hebben. 1 Tessalonicenzen 4:6
dEen bedriegelijke weegschaal is den Heere een gruwel; maar een volkomen weegsteen is Zijn welgevallen. Spreuken 11:1
Een rechte waag en weegschaal zijn des Heeren; alle weegstenen des zaks zijn Zijn werk. Spreuken 16:11
Alzo zegt de Heere Heere: Het is te veel voor u, gij vorsten Israëls! doet geweld en verstoring weg, en doet recht en gerechtigheid; neemt uw uitstotingen op van Mijn volk, spreekt de Heere Heere. Een rechte waag, en een rechte efa, en een rechte bath zult gijlieden hebben. Ezechiël 45:9-10
Gij zult geen tweeërlei weegstenen in uw zak hebben; een groten en een kleinen. Deuteronomium 25:13
eDie zijn geld niet geeft op woeker, en geen geschenk neemt tegen den onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid. Psalm 15:5
Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weder te hopen; en uw loon zal groot zijn, en gij zult kinderen des Allerhoogsten zijn; want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen. Lukas 6:35
fDoch die rijk willen worden, vallen in verzoeking, en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang. Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelven met vele smarten doorstoken. 1 Timotheüs 6:9-10
gIn des wijzen woning is een gewenste schat, en olie; maar een zot mens verslindt zulks. Spreuken 21:20