Zondag 2
Vraag 3
Waaruit kent gij uw ellende?
Uit de wet Gods.
Vraag 4
Wat eist de wet Gods van ons?
Dat leert ons CHRISTUS in een hoofdsom, Matth.22:37‑40: Gij zult liefhebben den Heere uw God met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, enmet geheel uw verstand, en met geheel uw kracht. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten..
Vraag 5
Kunt gij dit alles volkomenlijk houden?
Neen ik ; want ik ben van nature geneigd, GOD en mijn naaste te haten.
Zondag 3
Vraag 6
Heeft dan God den mens alzo boos en verkeerd geschapen?
Neen Hij; maar God heeft den mens goed , en naar Zijn evenbeeld geschapen , dat is, in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God zijn Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebben, en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen.
Vraag 7
Vanwaar komt dan zulke verdorven aard des mensen?
Uit den val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouderen, Adam en Eva, in het Paradijs , waar onze natuur a; zo is verdorven geworden, dat wij allen in zonde ontvangen en geboren worden.
Vraag 8
Maar zijn wij alzo verdorven, dat wij ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad?
Ja wij ; tenzij dan dat wij door den Geest Gods wedergeboren worden.
Zondag 4
Vraag 9
Doet dan God den mens onrecht, dat Hij in zijn wet van hem eist, wat hij niet doen kan?
Neen Hij ; want God heeft den mens alzo geschapen, dat hij dat kon doen ; maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, door het ingeven des duivels , van deze gaven beroofd.
Vraag 10
Wil God zulke ongehoorzamheid en afval ongestraft laten?
Neen Hij, geenzins; maar Hij vertoornt zich schrikkelijk beide over de aangeborene en werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwiglijk ; gelijk Hij gesproken heeft: Vervloekt iseen iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.
Vraag 11
Is dan God ook niet barmhartig?
God is wel barmhartig , maar Hij is ook rechtvaardig : daarom zo eist zijn gerechtigheid, dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is, met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde.