Het gezicht der vier wagens
Vers 1 En ik hief mijn ogen weder op, en ik zag; en ziet, vier wagens gingen er uit van tussen twee bergen, en die bergen waren bergen van koper.1 ik hief mijn ogen weder op, Hebr. en ik keerde weder en hief mijne ogen op.2 vier wagens Betekenende de vier engelen, die uitgezonden waren om haastelijk het oordeel Gods te volvoeren in de vier hoeken der wereld; de paarden, Zach. 6:2,3, betekenen snelheid. Sommigen verstaan dat dit mede ziet op de vier monarchieën.3 van tussen twee bergen, Versta hier door bergen van koper den eeuwigen en onbewegelijken raad en het besluit der voorzienigheid Gods, die vóór alle eeuwigheden heeft bestemd en besloten wat er ten allen tijde geschieden zal.Vers 2 Aan den eersten wagen waren rode paarden; en aan den tweeden wagen waren zwarte paarden.4 rode paarden; De verscheidenheid dezer verven betekent, naar sommigen mening, de verscheidene werkingen der goddelijke voorzienigheid: zwart, droefheid; wit, blijdschap; rood, bloedvergieting; hagelvlekkig, onderscheidelijke werkingen.Vers 3 En aan den derden wagen witte paarden; en aan den vierden wagen hagelvlekkige paarden, die sterk waren.5 hagelvlekkige paarden, Zie Gen. 31:10.6 sterk waren. Of, asvervig, alzo in Zach. 6:4.Vers 4 En ik antwoordde, en zeide tot den Engel, Die met mij sprak: Wat zijn deze, mijn Heere?7 met mij sprak: Of, in mij.Vers 5 En de Engel antwoordde, en zeide tot mij: Deze zijn de vier winden des hemels, uitgaande van daar zij stonden voor den Heere der ganse aarde.8 de vier winden des hemels, Of, de vier geesten; dat is, de vier engelen die in al de vier winden of hoeken der wereld de oordelen Gods verrichten zouden.9 stonden voor Of, waar zij zich gesteld hadden. Zie 1 Kon. 22:19, en Job 1:6.10 den Heere der ganse aarde. Ene beschrijving van den waren God, gelijk elders meer.Vers 6 Aan welken wagen de zwarte paarden zijn, die paarden gaan uit naar het Noorderland; en de witte gaan uit, dezelve achterna; en de hagelvlekkige gaan uit naar het Zuiderland.11 Aan welken wagen de zwarte paarden zijn, Anders: die aan dezen [wagen] zijn, [en] de zwarte paarden gaan uit naar, enz., verstaande dat het eerste lid ziet op den eersten wagen met de rode paarden; maar anderen, die dit nemen op de vier monarchieën, menen dat de eerste wagen verzwegen wordt, omdat de eerste monarchie voorbij was.12 naar het Noorderland; Dat is, naar Babylonië, het land van Juda noordwaarts liggende.13 naar het Zuiderland. Dat is, naar het Joodse land, hetwelk Babylonië tegen het zuiden ligt.Vers 7 En die sterke paarden gingen uit, en zochten voort te gaan, om het land te doorwandelen; want Hij had gezegd: Gaat heen, doorwandelt het land. En zij doorwandelden het land.14 hij had gezegd: Te weten, de engel die met mij sprak, te weten, Christus.15 zij doorwandelden het land. Te weten, al die paarden.Vers 8 En Hij riep mij, en sprak tot mij, zeggende: Zie, deze, die uitgegaan zijn naar het Noorderland, hebben Mijn Geest doen rusten in het Noorderland.16 Hij riep mij, Of, hij deed mij roepen.17 naar het Noorderland, Uit welken hoek de Joden allermeest zijn gekweld geweest van de Babyloniërs.18 hebben Mijn Geest Dat is, hebben mij tevreden gesteld, namelijk doordien zij mijne gerichten tegen de Babyloniërs voltrokken en mijn volk ter dege wreken. Verg. Ezech. 5:13.