Onderdanigheid aan de overheid
Vers 1 Vermaan hen, dat zij aan de overheden en machten onderdanig zijn, dat zij hun gehoorzaam zijn, dat zij tot alle goed werk bereid zijn;1 hen, dat zij Grieks, breng hen in gedachtenis.2 hen, dat zij Namelijk de Kretensen, uwe toehoorders.3 de overheden Namelijk hoedanig die ook zijn, niet alleen den gelovigen, gelijk zij toen meest allen nog waren.4 tot alle goed werk Namelijk, zowel wat hun van de overheden belast wordt en tegen Gods woord niet strijdt, als ook in het algemeen, gelijk de volgende vermaningen medebrengen.Vers 2 Dat zij niemand lasteren, geen vechters zijn, maar bescheiden zijn, alle zachtmoedigheid bewijzende jegens alle mensen.5 geen vechters zijn, Namelijk, met woorden of ook anderszins.Vers 3 Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde, en elkander hatende.6 eertijds onwijs, Namelijk voor onze bekering tot Christus, in geestelijke zaken de zaligheid aangaande; zie 1 Cor. 2:14; Ef. 4:17,18.Vers 4 Maar wanneer de goedertierenheid van God, onzen Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is,7 de goedertierenheid Namelijk die de eerste oorzaak is van onze zaligheid, waardoor God bewogen is om ons deze mede te delen. Zie Joh. 3:16; Rom. 5:8; 1 Joh. 4:9.8 verschenen is, Namelijk door de prediking des Evangelies, gelijk Tit. 2:11.Vers 5 Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes;9 uit de werken Namelijk als oorzaken die de zaligheid zouden verdienen of waardig zijn.10 der rechtvaardigheid, Grieks, die in de rechtvaardigheid zijn; dat is, die gedaan zijn naar de wet Gods, die de regel is van alle rechtvaardigheid; zodat hier klaar uitgesloten worden alle goede werken, gedaan niet alleen naar de wet der ceremoniën, maar ook naar de wet der zeden of de tien geboden.11 die wij gedaan hadden, Namelijk niet alleen voor onze bekering en rechtvaardigmaking, alsof wij ons door deze daartoe zouden bereid hebben, maar ook die na de bekering zijn gedaan, zodat tegen deze werken niet gesteld worden de werken na de bekering, maar de barmhartigheid Gods, die alle werken uitsluit; Rom. 9:16, en Rom. 11:6.12 door het bad Dat is, door de wedergeboorte en vernieuwing des Heilige Geestes, die als een waterbad is, waardoor de vuiligheden onzer zonden gewassen en gereinigd worden, Ezech. 36:25,26,27, waarvan het waterbad des doops een teken en zegel is. Zie dergelijke wijze van spreken Rom. 4:11.Vers 6 Denwelken Hij over ons rijkelijk heeft uitgegoten door Jezus Christus, onzen Zaligmaker;13 Denwelken Hij Namelijk Heilige Geest.14 uitgegoten Dat is, overvloedig medegedeeld. Hij blijft bij de gelijkenis van het water. Zie dergelijke Jes. 44:3; Ezech. 36:25 en Ezech. 39:19; Joël 2:28; Zach. 12:10; Hand. 2:17, en Hand. 10:45.Vers 7 Opdat wij, gerechtvaardigd zijnde door Zijn genade, erfgenamen zouden worden naar de hope des eeuwigen levens.15 gerechtvaardigd Dat is, vrijgesproken in het oordeel Gods, door toerekening der gerechtigheid van Christus en vergeving der zonden.16 naar de hope Dat is, des eeuwigen levens, waarop de gelovigen hopen, gelijk Tit. 1:2.Vers 8 Dit is een getrouw woord, en deze dingen wil ik, dat gij ernstelijk bevestigt, opdat degenen, die aan God geloven, zorg dragen, om goede werken voor te staan; deze dingen zijn het, die goed en nuttig zijn den mensen.17 een getrouw woord, Zie 1 Tim. 1:15; 2 Tim. 2:11.18 ernstelijk bevestigt, Dat is, met vaste en bondige redenen uit de Schrift den toehoorders in scherpe, dat zij zulks vast geloven en naarstig betrachten.19 om goede werken Dat is, om hen daarin vooral te oefenen, en met goede voorbeelden voor te gaan.20 nuttig zijn Namelijk daar God deze uit genade zal vergelden.Vers 9 Maar wedersta de dwaze vragen en geslachtsrekeningen, en twistingen, en strijdingen over de wet; want zij zijn onnut en ijdel.Vers 10 Verwerp een kettersen mens na de eerste en tweede vermaning;21 Verwerp Of, mijd, schuw; dat is, heb met hem niets gemeen, laat hem heengaan, zonder met hem meer te twisten, en het heilige voor zulke honden te werpen, Matth. 7:6; laat hem niet blijven in de uiterlijke gemeenschap der Kerk.22 kettersen mens Dat is, die valse leer hardnekkig drijft en voorstaat, tot verontrusting en scheuring der gemeente. Zie van dit woord Hand. 5:17, en Hand. 15:5; 1 Cor. 11:19.23 na de eerste Namelijk aan hem gedaan door de gemeente tot afstand van zijn dwalingen en scheurmakingen; zie Matth. 18:17.Vers 11 Wetende, dat de zodanige verkeerd is, en zondigt, zijnde bij zichzelf veroordeeld.24 verkeerd is, Namelijk gelijk een huis dat ten gronde toe afgebroken en omgekeerd is.25 zondigt, Namelijk moedwillig en zwaar.26 zijnde bij zichzelf Dat is, in zijn eigen gemoed overtuigd dat hij zich tegen de waarheid stelt.