Spreuken 1:20-33

Vermaning der opperste Wijsheid

Vers 20 De opperste Wijsheid roept overluid daarbuiten; Zij verheft Haar stem op de straten.Vers 21 Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad;Vers 22 Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten?Vers 23 Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.Vers 24 Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte;Vers 25 En gij al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt;Vers 26 Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt.Vers 27 Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt;Vers 28 Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden;Vers 29 Daarom, dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreze des Heeren niet hebben verkoren.Vers 30 Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad;Vers 31 Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen.Vers 32 Want de afkering der slechten zal hen doden, en de voorspoed der zotten zal hen verderven.Vers 33 Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreze des kwaads.

Advertentie

Liever lezen zonder advertenties? Lees meer over Plus