Advertentie

Richteren 13

25 verzen · 31 kanttekeningen · Statenvertaling

Vers 1 En de kinderen Israëls voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen des Heeren; zo gaf de Heere hen in de hand der Filistijnen veertig jaren.Vers 2 En er was een man van Zora, uit het geslacht van een Daniet, wiens naam was Manoach; en zijn huisvrouw was onvruchtbaar en baarde niet.1 Zora, Gelegen aan de westelijke zijde van het gebergte, dat Juda en Dan van elkander scheidt; aan de oostelijke zijde woonde de stam Juda. Zie Joz. 15:33, en Joz. 19:40,41.2 Daniet, Dat is, van den stam Dan.Vers 3 En een Engel des Heeren verscheen aan deze vrouw, en Hij zeide tot haar: Zie nu, gij zijt onvruchtbaar, en hebt niet gebaard; maar gij zult zwanger worden, en een zoon baren.3 Engel des HEEREN Versta hier, den Zoon van God zelf, gelijk Richt. 6:11. Zie onder de aantekeningen Richt. 13:16.Vers 4 Zo wacht u toch nu, en drink geen wijn noch sterken drank, en eet niets onreins.4 drink geen wijn noch sterken drank, Zie Num. 6:3,4.5 onreins. Zie Lev. 11.Vers 5 Want zie, gij zult zwanger worden, en een zoon baren, op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat knechtje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af; en hij zal beginnen Israël te verlossen uit der Filistijnen hand.6 scheermes zal komen; Zie Num. 6:5.7 Nazireër Gods zijn, Dat is, afgezonderde. Zie hiervan Num. 6:2.8 [moeders] buik af; Het woord moeder, wordt hier en in Richt. 13:7 ingevoegd uit Richt. 16:17.9 beginnen Israël te verlossen Maar niet ganselijk verlossen, hetwelk naderhand geschied is, ten tijde van Samuël en David. Zie 1 Sam. 7:13,14; 2 Sam. 8:1, en 2 Sam. 21:15, enz., en 2 Sam. 23:12.Vers 6 Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een Man Gods tot mij, Wiens aangezicht was als het aangezicht van een Engel Gods, zeer vreselijk; en ik vraagde Hem niet, van waar Hij was, en Zijn naam gaf Hij mij niet te kennen.10 Man Gods tot mij, Alzo worden de profeten en leraars van Gods volk genoemd, omdat zij van God tot een heiligen en goddelijken dienst beroepen zijn, denwelken Hij, als zijnde zijn boden, zijn heiligen wil zeer gemeenzaam openbaart, om dien het volk aan te dienen, en omdat zij instrumenten zijns Heiligen Geestes zijn. Zie Joz. 14:6; 1 Sam. 2:27; 1 Kon. 13:1, en 1 Kon. 17:18,24; 2 Kon. 4, 2 Kon. 5, 2 Kon. 6, 2 Kon. 7, 2 Kon. 8; Ezra 3:2; Neh. 12:24,36, ook 1 Tim. 6:11; 2 Tim. 3:17; 2 Petr. 1:21.11 vreselijk; Dat is, aanzienlijk, eerwaardig, of ook verschrikkelijk.Vers 7 Maar Hij zeide tot mij: Zie, gij zult zwanger worden, en een zoon baren; zo drink nu geen wijn noch sterken drank, en eet niets onreins; want dat knechtje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af tot op den dag zijns doods.Vers 8 Toen aanbad Manoach den Heere vuriglijk, en zeide: Och, Heere! dat toch de Man Gods, Dien Gij gezonden hebt, weder tot ons kome, en ons lere, wat we dat knechtje doen zullen, dat geboren zal worden.12 aanbad Manoach den HEERE vuriglijk, Zie Gen. 25:21.Vers 9 En God verhoorde de stem van Manoach; en de Engel Gods kwam wederom tot de vrouw. Zij nu zat in het veld, doch haar man Manoach was niet bij haar.Vers 10 Zo haastte de vrouw, en liep, en gaf het haar man te kennen; en zij zeide tot hem: Zie, die Man is mij verschenen, Welke op dien dag tot mij kwam.Vers 11 Toen stond Manoach op, en ging zijn huisvrouw na; en hij kwam tot dien Man, en zeide tot Hem: Zijt gij die Man, Dewelke tot deze vrouw gesproken hebt? En Hij zeide: Ik ben het.Vers 12 Toen zeide Manoach: Nu, dat Uw woorden komen; maar wat zal des knechtjes wijze en zijn werk zijn?13 dat Uw woorden komen; Of, elk een van uw woorden; dat is, al uw woorden moeten uitkomen, of vervuld worden.14 wijze en zijn werk zijn? Dat is, hoe zullen wij met hem handelen, wat zullen wij in zijn opvoeding waarnemen?Vers 13 En de Engel des Heeren zeide tot Manoach: Van alles, wat Ik tot de vrouw gezegd heb, zal zij zich wachten.15 zal zij zich wachten. De engel antwoordt wel van den plicht der vrouw, maar dit alles zag voornamelijk op den staat en het ambt van den zoon, waartoe deze bevelen aan de moeder waren dienende.Vers 14 Zij zal niet eten van iets, dat van den wijnstok des wijns voortkomt; en wijn en sterken drank zal zij niet drinken, noch iets onreins eten; al wat Ik haar geboden heb, zal zij onderhouden.16 voortkomt; Wat eetbaar is, als: druiven, rozijnen, enz. Zie Num. 6:3,4.Vers 15 Toen zeide Manoach tot den Engel des Heeren: Laat ons U toch ophouden, en een geitenbokje voor Uw aangezicht bereiden.17 voor Uw aangezicht bereiden. Dat is, om u voor te zetten. Vergelijk boven, Richt. 6:18,19.Vers 16 Maar de Engel des Heeren zeide tot Manoach: Indien gij Mij zult ophouden, Ik zal van uw brood niet eten; en indien gij een brandoffer zult doen, dat zult gij den Heere offeren. Want Manoach wist niet, dat het een Engel des Heeren was.18 van uw brood niet eten; Dat is, van uw spijs. Alsof hij zeide: Dat bokje zou zijn òf tot spijs voor mij, òf tot een brandoffer. Nu heb ik geen spijs van doen, als zijnde geen mens maar een engel, ja Gods Zoon. Indien gij dan een brandoffer mij offert, dat zult gij Gode zelven opofferen, gevende daarmede te kennen dat hij waarachtig God was. Vergelijk Richt. 13:17,18,19, en Richt. 13:22,23.19 Want Manoach wist niet, Dit is de reden, waarom Manoach hem spijs had willen bereiden en voorzetten.Vers 17 En Manoach zeide tot den Engel des Heeren: Wat is Uw naam, opdat wij U vereren, wanneer Uw woord zal komen.20 vereren, Met enig geschenk, tot een teken van dankbaarheid. Vergelijk 1 Sam. 9:7,8, en 1 Kon. 14:3.Vers 18 En de Engel des Heeren zeide tot hem: Waarom vraagt gij dus naar Mijn naam? Die is toch Wonderlijk.21 Wonderlijk. Hebreeuws, Peli; dat is, wonderlijk, of verborgen. Vergelijk Jes. 9:5. Anders, en hij was wonderlijk, te weten in zijn doen, gelijk in Richt. 13:19 gezegd wordt.Vers 19 Toen nam Manoach een geitenbokje, en het spijsoffer, en offerde het op den rotssteen, den Heere. En Hij handelde wonderlijk in Zijn doen; en Manoach en zijn huisvrouw zagen toe.22 offerde het op den rotssteen, Vergelijk Richt. 6:26.23 den HEERE. Naar de woorden des engels, Richt. 13:16.24 Hij handelde wonderlijk in Zijn doen; Te weten, deze engel.Vers 20 En het geschiedde, als de vlam van het altaar opvoer naar den hemel, zo voer de Engel des Heeren op in de vlam des altaars. Als Manoach en zijn huisvrouw dat zagen, zo vielen zij op hun aangezichten ter aarde.Vers 21 En de Engel des Heeren verscheen niet meer aan Manoach, en aan zijn huisvrouw. Toen bekende Manoach, dat het een Engel des Heeren was.25 verscheen niet meer aan Manoach, Hebreeuws, deed niet meer toe, of, voer niet meer voort te verschijnen.Vers 22 En Manoach zeide tot zijn huisvrouw: Wij zullen zekerlijk sterven, omdat wij God gezien hebben.26 zekerlijk sterven, Hebreeuws, stervende sterven. Vergelijk boven, Richt. 6:22, en de aantekeningen aldaar.Vers 23 Maar zijn huisvrouw zeide tot hem: Zo de Heere lust had ons te doden, Hij had het brandoffer en spijsoffer van onze hand niet aangenomen, noch ons dit alles getoond, noch ons om dezen tijd laten horen, zulks als dit is.27 dit is. Zijnde geen teken van toorn, maar van bijzondere genade en gunst.Vers 24 Daarna baarde deze vrouw een zoon, en zij noemde zijn naam Simson; en dat knechtje werd groot, en de Heere zegende het.28 Simson; Hebreeuws, Schim-schon.Vers 25 En de Geest des Heeren begon hem bij wijlen te drijven in het leger van Dan, tussen Zora en tussen Esthaol.29 drijven Dat is hier, heimelijk op een extra-ordinaire of bijzondere wijze te porren en te bewegen, om in zijn roeping te ijveren, en gelegenheid te zoeken tot verlossing Israëls van de hand der Filistijnen. Het Hebreeuwse woord heeft verscheidene betekenissen, als van gang, voetstap, eenmaal, of meermalen, beurt, reis, en wordt ook genomen voor een aanbeeld, waarop men den enen slag voor, den anderen na, of bij beurten en wijlen slaat. Waarvan voorts komt de betekenis van slaan, drijven, aandrijven, alsof een smid op een aanbeeld sloeg. Vergelijk de manier van spreken gebruikt Matth. 4:1; Luk. 4:1; Rom. 8:14; 2 Petr. 1:21.30 leger van Dan, Hebreeuws, Machane-Dan; waarom deze plaats alzo genoemd is, zie onder, Richt. 18:11,12. Het kan zijn dat Simson hier iets met de Filistijnen heeft te doen gehad.31 Zora en tussen Esthaol. Zie boven, Richt. 13:2. Esthaol lag verder af in het westen, naar de zee toe, bij de beek Sorek. Zie onder, Richt. 16:4,31.

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.