De zesde engel
Vers 13 En de zesde engel heeft gebazuind, en ik hoorde een stem uit de vier hoornen des gouden altaars, dat voor God was,15 uit de vier hoornen des Dit ziet op het reukaltaar, dat vier hoornen had, en in het heilige voor het heilige der heiligen stond, op welk altaar de priesters alle dagen reukwerk offerden; maar op deze vier hoornen de hogepriester eens in het jaar; Exod. 30:10. Door welke hoornen de macht van Christus wordt verstaan, die hier het vonnis uitspreekt tot straf dergenen die Zijn Kerk tot nog toe hebben verdrukt. Zie hiervoor Openb. 6:9.Vers 14 Zeggende tot den zesden engel, die de bazuin had: Ontbind de vier engelen, die gebonden zijn bij de grote rivier, den Eufraat.16 Ontbind de vier engelen, Door deze vier engelen wordt meest door alle uitleggers verstaan de secte der Mohammedanen, die vooral in vier volken bestaan, die al de anderen onder zich hebben gebracht, namelijk de Arabieren, Saracenen, Tartaren en Turken, waarvan de Arabieren en Saracenen wel van het jaar 620 af veel geweld tegen de christenen, en inzonderheid tegen het Romeinse rijk in Oosten en Westen hebben gebruikt; maar zijn daarna wederom door de christenen tot over den Eufraat gedreven, totdat omtrent het jaar 1300, als het antichristendom op zijn hoogst was, en de rechtzinnige christenen het allermeest waren verdrukt, de Tartaren en de Turken uit de beide Armeniën, die tegen den Eufraat liggen, zijn doorgebroken, en geheel Azië en Afrika hebben overlopen en tenondergebracht, en het Griekse of het Oosterse rijk, waarvan Konstantinopel het hoofd was, teniet gedaan. In welke krijgen veel bloed vergoten is. En het schijnt dat door deze krijgen de koningen, die hun macht het beest hadden gegeven, zoveel werk hebben gekregen, dat de rechtzinnige leraars in verscheidene landen intussen nieuwe Kerken hebben opgericht, zonder dat zij door de vervolgingen van den antichrist hebben kunnen uitgeroeid worden, gelijk in Frankrijk, Engeland, Bohemen, Zwitserland en andere gewesten door Waldus, Wiclef, Johannes Hus, Hieronymus van Praag en meer anderen is geschied; waarvan in de volgende hoofdstukken breder zal geprofeteerd worden.17 die gebonden zijn bij de grote rivier, Namelijk door Gods voorzienigheid, totdat de mate der zonden van het christendom vervuld was, gelijk Openb. 9:20 zal betuigd worden; en dat dezen volken de vrije toom, om hun eergierigheid en roofgierigheid uit te voeren, door Gods rechtvaardig oordeel zal gegeven zijn; gelijk Jes. 10:5; Jer. 25:9.Vers 15 En de vier engelen zijn ontbonden geworden, welke bereid waren tegen de ure, en dag, en maand, en jaar, opdat zij het derde deel der mensen zouden doden.18 het derde deel der mensen Want er zijn door deze heirlegers menig honderdduizend christenen omgebracht, en vele anderen tot afval en daardoor tot den geestelijken dood gebracht, gelijk de geschiedenis van dien tijd en de ervaring getuigen.Vers 16 En het getal van de heirlegers der ruiterij was tweemaal tien duizenden der tien duizenden; en ik hoorde hun getal.19 der ruiterij was Dit wordt uitgedrukt, omdat hun heirlegers meest uit ruiterij bestonden, die uitnemend groot waren, en de heirlegers der christenen verre te boven gingen, waardoor zij ook hun meeste overwinningen hebben verkregen, gelijk in Openb. 9:17 wordt uitgedrukt.20 tweemaal tien duizenden der tien duizenden; Dat is, een overgrote menigte; gelijk door deze wijze van spreken ook elders wordt verstaan. Zie Ps. 68:18; Dan. 7:10; en dat deze Turken en Tartaren met enige honderduizenden te velde plegen te komen, is uit de historiën genoeg bekend.21 en ik hoorde hun getal. Namelijk noemen in dit gezicht.Vers 17 En ik zag alzo de paarden in dit gezicht, en die daarop zaten, hebbende vurige, en hemelsblauwe, en sulfervervige borstwapenen; en de hoofden der paarden waren als hoofden van leeuwen, en uit hun monden ging vuur, en rook, en sulfer,22 vurige, en hemelsblauwe, Daar deze natiën zeer weinig ijzeren wapens dragen, zo verstaan enigen hierdoor hun verscheidene klederen, die zij uit dergelijke kleuren plegen te dragen; anderen hun wrede gemoederen, die zij tegen de christenen betonen, en hun schrikkelijke lasteringen, die zij tegen hen plegen uit te blazen.23 hoofden van leeuwen, Dat is, die sterk, snel en wreed zijn, en niet alleen met slaan, maar ook met bijten en scheuren plegen te woeden.24 vuur, en rook, en sulfer. Dit duiden sommigen op het geschut dat zij voeren, waarmede in het schieten vuur, rook zwavel uit hun monden schijnt voort te komen. Anderen verstaan hierdoor allerlei soorten van wreedheid, die zij door hun wapens bedrijven zouden.Vers 18 Door deze drie werd het derde deel der mensen gedood, namelijk door het vuur, en door den rook, en door het sulfer, dat uit hun monden uitging.Vers 19 Want hun macht is in hun mond, en in hun staarten; want hun staarten zijn aan de slangen gelijk, en hebben hoofden, en beschadigen met dezelve.25 in hun staarten; want hun Dit duiden sommigen daarop, dat zij niet alleen van voren in het volgen, maar ook van achteren in het vluchten eertijds met hun bogen, en nu met hun geschut, weten te schieten en te beschadigen.26 de slangen gelijk, Welker vergift in het hoofd en in den staart ligt, die ook met deze beide meest plegen te beschadigen, gelijk er ook zodanige slangen worden gevonden, die hoofden hebben aan hare staarten, en Amphisbene genoemd worden.Vers 20 En de overige mensen, die niet gedood zijn door deze plagen, hebben zich niet bekeerd van de werken hunner handen, dat zij niet zouden aanbidden de duivelen; en de gouden, en zilveren, en koperen, en stenen, en houten afgoden, die noch zien kunnen, noch horen, noch wandelen;27 door deze plagen, hebben zich Namelijk die God vanwege de afgoderij en andere zonden hun had toegezonden, hetwelk de volgende woorden vereisen. Waaruit blijkt, dat deze afgoderij, die de christenen in Griekenland en geheel het Oosten hadden opgericht, en met hunne tweede synode van Nicea, en andere meer, hadden bevestigd, de oorzaak is geweest, dat God door Zijn rechtvaardig oordeel deze straf over hen heeft gezonden; aan welker voorbeeld nochtans de Kerken van het Westen zich niet hebben gespiegeld, maar zijn in deze afgoderij gebleven.28 de werken hunner handen, Dat is, beeldendienst, want niet de duivelen, maar de beelden zijn werken der mensenhanden.29 aanbidden de duivelen; Hier wordt niet gesproken van de afgoderij der heidenen; want de Mohammedanen hebben eigenlijk geen oorlog gevoerd tegen de heidenen, die door de christelijke keizers in het Oosten en Westen lang tevoren meest waren uitgeroeid, noch van de oorlogen der Mohammedanen onder elkander, want die hebben geen beelden, noch eren ze, maar ze hebben oorlog gevoerd tegen de christenen. Degenen ook die van hen niet gedood maar overig gebleven zijn door geheel Europa, zijn geen heidenen maar christenen van belijdenis geweest. En hier wordt dan, door het aanbidden der duivelen, niet gezien op hetgeen deze overigen beleden te doen, maar op hetgeen zij metterdaad deden, daar degenen die van den rechten godsdienst afwijken, en een versierden godsdienst, van God verboden, oprichten, daarmee niet God maar den duivel dienen, wat zij ook roemen, gelijk te zien is 2 Kron. 11:15; Amos 5:25,26; 1 Tim. 4:1, leringen der duivelen noemt, die zij wel voor goddelijke leringen houden, maar omdat zij tegen Gods instelling strijden, voor leringen en diensten des duivels moeten gehouden worden.30 afgoden, Of beelden.31 die noch zien kunnen, Dit is genomen uit Ps. 115,hetwelk de apostel op de antichristische beelden toepast, omdat zij niet meer kracht hebben dan de beelden der heidenen of Joden in dezen dele.Vers 21 En hebben zich ook niet bekeerd van hun doodslagen, noch van hun venijngevingen, noch van hun hoererij, noch van hun dieverijen.32 doodslagen, noch van Hiervan zijn, benevens anderen, de martelaars, die zij zo menig duizend in vele eeuwen met vuur, zwaard, bast en anderszins hebben gedood, genoegzaam getuigen.33 venijngevingen, noch OF toverijen, gelijk dit woord beide betekent, en gelijk beide onder het rijk van den antichrist niet dan te veel in zwang is.34 hoererij, noch van hun Waarvan de openbare hoerenhuizen, die bij velen van hen openbaar toegelaten worden, en waar zij voordeel van trekken, en de ontuchtigheden der priesters, onder anderen een bewijs zijn.35 dieverijen. Onder welke de onttrekking der erfenissen van de recht erfgenamen tot hun kloosters, en het afkeren der goederen, de godsdienst toegeëigend, tot onderhoud van luie buiken en tot wereldse pracht onder velen, met recht gerekend mag worden.