Gezicht der martelaren in de heerlijkheid
Vers 9 Na dezen zag ik, en ziet, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor den troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte klederen, en palm takken waren in hun handen.12 Na dezen zag ik, en ziet, Gelijk de voorgaande tekening der honderd vier en veertig duizend is geschied op aarde, ten tijde van den antichrist, toen de Kerk van Christus nog onder Hem schuilde en vervolgd werd, alzo is dit ontelbaar getal uit alle volken in den hemel gezien, voor den troon Gods, waar zij uit alle gewesten en tijden zijn vergaderd. Anderen nemen dit ontelbaar getal voor degenen, die na het begin van den val van den antichrist in de openbare gemeenten door alle landen zijn vergaderd, en nog dagelijks vergaderd worden. Want deze tekening, pleegt in de verdrukte en schuilende, niet in de openbare en vrije Kerken te geschieden, gelijk de plaats Ezech. 9:4 ook medebrengt. Zie ook Openb. 14:1.13 talen, staande voor den troon, Grieks tongen.14 palm takken waren Namelijk tot een teken van overwinning.Vers 10 En zij riepen met grote stem, zeggende: De zaligheid zij onzen God, Die op den troon zit, en het Lam.15 zij onzen God, Die op Namelijk alleen toe te schrijven; dat is, wij hebben die verkregen niet door onze eigen kracht, werken of waardigheid, maar door enkel genade Gods en de verdiensten van Jezus Christus onze Zaligmaker. Zie Ef. 2:8,9,10; Openb. 19:1.Vers 11 En al de engelen stonden rondom den troon, en rondom de ouderlingen en de vier dieren; en vielen voor den troon neder op hun aangezicht, en aanbaden God,16 op hun aangezicht, en aanbaden God, Dat is, met een vernederd gemoed, en met eerbied voor Zijn majesteit. Want de engelen en geesten hebben noch aangezichten, noch vlees, noch benen, gelijk Christus spreekt Luk. 24:39.Vers 12 Zeggende: Amen. De lof, en de heerlijkheid, en de wijsheid, en de dankzegging, en de eer, en de kracht, en de sterkte zij onzen God in alle eeuwigheid. Amen.17 De lof, en de heerlijkheid, Grieks de zegening.18 zij onzen God Dat is, de lof over al deze eigenschappen wordt door allen verbreid en God toegeschreven.19 in alle eeuwigheid. Amen. Grieks in de eeuwigheden der eeuwigheden.Vers 13 En een uit de ouderlingen antwoordde, zeggende tot mij: Deze, die bekleed zijn met de lange witte klederen, wie zijn zij, en van waar zijn zij gekomen?20 Deze, die bekleed Hier schijnt de ouderling een deel van deze gehele schaar aan te wijzen, die enige bijzondere gedaante van kledingen hadden.Vers 14 En ik sprak tot hem: Heere, gij weet het. En hij zeide tot mij: Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams.21 Heer, gij weet het. En hij zeide tot mij: Zo noemt Johannes dezen ouderling uit eerbied.22 de grote verdrukking komen; Namelijk onder den antichrist. Want van de andere martelaars is in Openb. 6gesproken.23 wit gemaakt in het bloed des Lams. Dat is gereinigd. Want het bloed van Jezus Christus reinigt ons van al onze zonden; 1 Joh. 1:7.Vers 15 Daarom zijn zij voor den troon van God, en dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Die op den troon zit, zal hen overschaduwen.24 voor den troon van God, Dat is, in de tegenwoordigheid van Gods aanschijn.25 dienen Hem dag en nacht Namelijk met Hem te loven en danken.26 in Zijn tempel; Namelijk in het binnenste des hemels. Want het hemelse Jeruzalem heeft geen anderen tempel dan God en het Lam; Openb. 21:22.27 hen overschaduwen. Of bijwonen. Grieks ene hut, of tabernakel over hen zijn, of maken.Vers 16 Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte.28 hongeren, en zullen niet Dat is, hun zal geen leed of gebrek meer overkomen. Zie dergelijke Jes. 49:10.Vers 17 Want het Lam, Dat in het midden des troons is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.29 levende fonteinen der wateren; Dat is de volheid der gaven van den Heiligen Geest. Zie Joh. 4:14, en Joh. 7:38, en Openb. 22:1.30 afwissen. Een gelijkenis van een voedster of moeder, die haar kind dat schreit vertroost; en hier wordt zulk een afwissen verstaan, waar geen andere tranen meer op zullen volgen. Zie Jes. 25:8, en Openb. 21:4.