Het boek met de zeven zegelen
Vers 1 En ik zag in de rechter hand Desgenen, Die op den troon zat, een boek, geschreven van binnen en van buiten, verzegeld met zeven zegelen.1 in de rechter hand Desgenen Het Griekse woord epi wordt ook overgezet aan de rechterhand; doch uit het Openb. 5:7 blijkt dat deze overzetting beter is.2 van binnen en van buiten, Of van binnen en van achteren. Hieruit blijkt dat dit boek een rol is geweest aan weerszijden beschreven, gelijk de ouden veel plachten te gebruiken. Zie een voorbeeld Ps. 40:8; Zach. 5:1.3 verzegeld met zeven zegelen. Sommigen verstaan dit van het boek des Ouden en Nieuwen Testaments; doch daar hier gesproken wordt van een openbaring der toekomende dingen, die God Jezus Christus gegeven heeft, om daarna Johannes te melden, welke in dit hoofdstuk wordt vertoond, zo wordt het beter verstaan van het boek der regering Gods over Zijn gemeente en van Zijn oordelen tegen haar vijanden, gelijk ook het opendoen der zeven zegelen het een na het ander, waarop deze openbaring volgt, het genoeg te kennen geeft.Vers 2 En ik zag een sterken engel, uitroepende met een grote stem: Wie is waardig het boek te openen, en zijn zegelen open te breken?4 sterken engel, Namelijk om door sterk roepen van een ieder door de gehele wereld gehoord te worden. En deze titel wordt allen engelen Gods gegeven; Ps. 103:20.5 Wie is waardig Dat is, met aanzien en macht daartoe gerechtigd en bekwaam.Vers 3 En niemand in den hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde, kon het boek openen, noch hetzelve in zien.6 in zien Namelijk om hetgeen daarin begrepen is Johannes, en door hem de gehele gemeente, tot haar troost en waarschuwing bericht te doen, volgens de belofte tevoren gedaan; Openb. 1:1.Vers 4 En ik weende zeer, dat niemand waardig gevonden was, om dat boek te openen, en te lezen, noch hetzelve in te zien.7 ik weende zeer, Namelijk omdat hij vreesde, dat hierdoor de belofte, aan hem tevoren geschied, zo haast geen voortgang mocht hebben; waar hij nochtans zeer naar verlangde.Vers 5 En een van de ouderlingen zeide tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw, Die uit den stam van Juda is, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegelen open te breken.8 een van de ouderlingen Namelijk die hem de naaste was.9 de Leeuw, Die uit den Zo wordt Christus genoemd uit de zegening van Juda in het testament van Jakob, Gen. 49:9, en dat vanwege zijn koninklijke en overwinnende kracht over den duivel, wereld, zonde en dood.10 de Wortel Davids, Gelijk ook hierna Openb. 22:16; en Christus wordt zo genoemd omdat Hij uit den zade Davids, als een wortel die uitspruit, voortgekomen is, en onder dezen naam ook beloofd wordt; Jes. 53:2.