Zesde brief: aan Filadelfía
Vers 7 En schrijf aan den engel der Gemeente, die in Filadelfia is: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, Die den sleutel Davids heeft; Die opent, en niemand sluit, en Hij sluit, en niemand opent:18 Filadelfia is: Dit was een stad in Mysië, niet ver van Lydië; zo genoemd door zekeren Attalus Filadelfus, die deze stad eerst had laten bouwen; die wel niet zeer bloeide, omdat zij vele aardbevingen onderworpen was, maar evenwel een zeer schone en vrome gemeente had, gelijk uit den brief zelf blijkt.19 de Heilige, de Deze twee titels worden God doorgaans in het Oude Testament toegeschreven, gelijk te zien is Jes. 6:3; Ps. 145:17, welke Christus, als de ware Zoon Gods, Zichzelf hier ook geeft, daar Hij is degene die niet alleen in Zichzelf heilig is, maar ook ons heilig maakt, en die waarachtig is in al zijn beloften en dreigementen.20 den sleutel Davids Dat is, der gemeente van Christus, waarvan David en zijn huis een voorbeeld was. Hier wordt gezien op de plaats Jes. 22:22, waar aan Eljakim zulke belofte wordt gedaan, en daardoor wordt verstaan de opperste macht van inlaten in de gemeente, en uitsluitend uit deze, en vervolgens ook in en uit den hemel, gelijk Christus Zijn gemeente ook een geestelijke macht, doch onder Hem, beloofd heeft; Matth. 16:19; Matth. 18:18.Vers 8 Ik weet uw werken; zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten; want gij hebt kleine kracht, en gij hebt Mijn woord bewaard, en hebt Mijn Naam niet verloochend.21 een geopende deur voor u Dat is, een zekere en onverhinderde gelegenheid om het Evangelie met goeden voortgang te verbreiden, gelijk 1 Cor. 16:9; 2 Cor. 2:12.22 kleine kracht, Namelijk van uzelf of bij uzelf, om zo groot een werk te volbrengen. Dus [wil hij zeggen], wijl gij getrouw zijt in het bewaren van mijn Woord, zo zal Ik u de deur door mijn Geest openen, en niemand hoezeer hij daartegen woelt, zal zulks verhinderen. Want de kracht Gods wordt in onze zwakheid volbracht, 2 Cor. 12:9. Anderen zetten het over: Gij hebt nog een weinig kracht; dat is, daar is nog door mijn genade wat goeds bij u, namelijk dat Ik in u voorts zal zegenen.Vers 9 Zie, Ik geef u enigen uit de synagoge des satans, dergenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar liegen; zie, Ik zal maken, dat zij zullen komen, en aanbidden voor uw voeten, en bekennen, dat Ik u liefheb.23 Ik zal maken, dat Dat is, ik zal zelfs uit de Joden, die nu gezworen vijanden mijner gemeente zijn, enigen tot mij bekeren; gelijk namelijk in Paulus, en andere overblijfselen der genade, tevoren geschied is, en naar Christus' belofte in deze gemeente nog meer moet geschied zijn.24 aanbidden voor uwe Dat is, zichzelf u en mijn gemeente onderwerpen, en zich van hun vorigen wederstand bekeren; een gelijkenis, genomen uit de wijze van doen onder de volken van het Oosten, gebruikelijk bij hen die erkenden overwonnen te zijn. Zie Ps. 72:9.Vers 10 Omdat gij het woord Mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zo zal Ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen.25 het woord mijner lijdzaamheid Zo wordt het Evangelie genoemd, omdat het ons het lijden en de lijdzaamheid van Christus voor ogen stelt, en ons doorgaans tot lijden en lijdzaamheid vermaant.26 bewaren uit de ure Dat is, beletten dat de verzoeking tot u niet zal komen; of zo zij komt, dat zij u aan uw ziel niet zal beschadigen.27 der verzoeking, die Dat is, der vervolging, gelijk meermalen is aangewezen; en hier schijnt Christus te spreken van de tienjarige vervolging, die Trajanus de gehele wereld door kort hierna tegen de Christenen heeft verwekt.Vers 11 Zie, Ik kom haastelijk; houd dat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme.28 houd dat gij hebt, Namelijk het geloof en een goed geweten; gelijk Paulus verklaart 1 Tim. 1:19.29 uw kroon neme. Sommigen verstaan dit van de kroon van het leerambt, waarin deze leraar zich tot dien tijd wel had gekweten; doch het kan ook verstaan worden van de kroon des eeuwigen levens, gelijk hiervoor Openb. 2:10, welke hier gedreigd wordt van iemand genomen te zullen worden, wanneer hij in zorgeloosheid van zijn ambt, of des levens zou komen te vervallen; en zulke waarschuwingen zijn middelen die dienen, dat de gelovigen in het goede volstandig zouden blijven. Want Christus belooft in Openb. 3:10, dat Hij hen zal bewaren uit de ure der verzoeking; en in Openb. 3:12, dat die een pilaar is in den Tempel Gods, waaruit hij niet meer zal gaan.Vers 12 Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in den tempel Mijns Gods, en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven den Naam Mijns Gods, en de naam der stad Mijns Gods, namelijk des nieuwen Jeruzalems, dat uit den hemel van Mijn God afdaalt, en ook Mijn nieuwen Naam.30 tot een pilaar in den tempel Dat is, in de gemeente der uitverkorenen van mijn God, die hier wordt opgetimmerd, en hiernamaals in den hemel zal verbouwd zijn; en hier ziet de apostel op de twee kolommen, die in den tempel van Salomo gesteld waren, waarvan te lezen is 1 Kon. 7:15, die een versiersel en vastigheid daarin waren, waarvan de ene door Salomo genoemd is Jachin, dat is, hij zal bevestigen, en de andere Boaz, dat is, in hem is sterkte. Zie ook Gal. 2:9.31 hij zal niet meer Namelijk, gelijk deze pilaren, die schaduwen waren in den tempel van het Oude Testament, van de Chaldeën daaruit zijn weggevoerd, gelijk te zien is Jer. 52:17. Want die een pilaar is in de gemeente der ware uitverkorenen, kan niet vervoerd worden, Matth. 24:24, en wordt nooit uitgeworpen; Joh. 6:37.32 ik zal op hem schrijven Namelijk gelijk men op de kolommen enige eretitels placht te schrijven, en gelijk de twee kolommen in den tempel van Salomo deze twee namen ook voerden, waarvan tevoren gesproken is.33 den naam mijns Gods, Namelijk tot een teken dat hij God als een eigendom toekomt, gelijk wij plegen dingen, die ons eigen zijn, met onzen naam te tekenen, en gelijk ook eertijds de soldaten met den naam hunner oversten, en de dienstknechten met den naam van hun heren plachten getekend te worden. Zie hierna Openb. 7:3. Want hoewel wij hier weten dat wij kinderen Gods zijn, zo is het nochtans inderdaad niet geopenbaard wat wij worden zullen; 1 Joh. 3:2.34 des nieuwen Jeruzalems, Dat is, de ware gemeente van Christus die hier gesteld wordt tegen het uiterlijk of oude Jeruzalem gelijk Gal. 4:26.35 dat uit den hemel Namelijk ten opzichte van de kracht waardoor zij op de aarde wordt vergaderd, en van de heerlijkheid, waarmede zij ten laatsten dage zal worden aangedaan. Zie Openb. 21:2, enz.36 ook mijn nieuwen naam. Namelijk tot een teken dat hij mijn dienaar is en mijn heerlijkheid zal deelachtig worden. Van welken nieuwen naam, dien Christus van den Vader na Zijn verhoging heeft verworven; zie Filipp. 2:9,10; Openb. 19:12,16.Vers 13 Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt.