Het beest, dat uit de zee opkomt
Vers 1 (12:18) En ik stond op het zand der zee. (13:1) En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijn hoofden was een naam van gods lastering.1 ik zag uit de zee Dit gezicht komt in vele delen overeen met het gezicht, dat Daniël gezien heeft, Dan. 7:2, enz., alwaar de vier monarchieën of opperste heerschappijen in de wereld, onder dergelijke gedaante aan den profeet worden getoond. De reden waarom die bij beesten worden vergeleken, en uit de zee opkomende, is omdat zij met groot gedruis uit de samenvloeiing van vele volken, [die bij wateren vergeleken worden, Openb. 17:15], worden opgericht, en dikwijls met veel wreedheid en geweld plegen vergezelschapt te zijn.2 een beest opkomen, Welke heerschappij hierdoor wordt verstaan, is verscheiden gevoelen. Sommige uitleggers verstaan daardoor de Romeinse monarchie, die onder heidense keizers was, toen Johannes deze openbaring heeft ontvangen, en kort na dien tijd onder keizer Trajanus in haar meeste kracht en luister is geweest. En gelijk zij de afgoden en vervolgens ook den draak dienden, zo zijn zij ook door hem bewogen om den christelijken godsdienst ten uiterste te bekrijgen. En hoewel na den tijd van omtrent 220 jaren daarna Constantijn, en beide Theodosiussen, Gratianus, en enige weinige goede en christelijke keizers de Kerk een tijdlang hebben voorgestaan, nochtans zijn ook tussenbeiden enige heidense en ketterse keizers en koningen geweest, die hun macht den draak hebben geleend, de Kerken van Christus en de rechtzinnige leraars hebben vervolgd, totdat eindelijk onder dit keizerrijk in het Westen, omtrent het jaar vier- en vijfhonderd na Christus' geboorte, dit beest ene doodwond heeft ontvangen, toen door de Noordse volken, de Longobarden, Gothen, Hunnen en Wandalen, de stad Rome tot vijf maal toe is ingenomen, en eindelijk verwoest; uit welker ondergang de antichrist eindelijk zijn rijk heeft voortgebracht, toen keizer Justinianus, omtrent het jaar 550, deze barbaarse natiën heeft verdreven en ten onder gebracht, en den bisschop van Rome opnieuw heeft verheven: en dat de wrede keizer Phocas, omtrent het jaar 606 hem tot algemeen bisschop heeft verklaard. Waardoor de wond van dit hoofd van het beest weder is genezen, en onder alle volken en tongen is aangebeden; waarvan in het vervolg van het hoofdstuk door de opkomst van het tweede beest, nader zal worden gesproken. Dit gevoelen is van vele voortreffelijke leraars, en past zeer wel op meest al de leden van de beschrijving der eigenschappen van dit eerste beest. Doch hier bestaan deze zwarigheden: eerst, dat dit Romeinse rijk lang tevoren in zijn kracht was geweest, waar dit beest in dit gezicht nog als opkomende wordt vertoond; ten andere, dat het bezwaarlijk is, dat men de tijden na Constantijns komst tot het keizerdom, en enige godzalige keizers, ook hieronder moet nemen; of dat de opkomst van het tweede beest, dat is van den antichrist, onder deze vrome keizers moet worden gesteld; en allermeest, dat de twee en veertig maanden, waarvan hier Openb. 13:5 wordt gesproken, merkelijk slaan op de twee en veertig maanden of duizend tweehonderd zestig dagen, waarvan Openb. 11:2,3, en op de duizend tweehonderd zestig dagen, waarvan Openb. 12:6 is gesproken; welke is de tijd, dat de heilige stad van de heidenen is vertreden, en waarin de twee getuigen verwekt zijn, die de gemeente in de woestijn hebben gevoed, en waartegen dit beest krijg heeft gevoerd, gelijk daar is verklaard. Daarom wordt dit het best op de nieuwe Romeinse heerschappij geduid, die in deze stad, omtrent den tijd van de vertreding der heilige stad, en van de vlucht der Kerk van Christus in de woestijn is opgericht, en zich over de gehele christenheid vooral in het Westen heeft uitgestrekt. Welke heerschappij, daar zij tweeërlei is, namelijk een wereldse, die de antichrist boven alle koningen, prinsen en republieken direct of indirect, uitstrekt; en een geestelijke, die hij over al de bisschoppen, abten, prelaten en priesters in de Kerk aanneemt, zo worden beide deze gewelddadige machten, in dit gezicht, onder de gedaante van deze twee beesten, zeer klaar voorgesteld; gelijk hierna ook door de koninklijk opgesmukte hoer, die op dit beest zit, en door den valsen profeet, die haar vergezelt. Want dit is den apostel in dit geschrift eigen, dat de verschillende eigenschappen en werkingen van een persoon of opvolging van personen, door verschillende gezichten worden vertoond; gelijk hiervoor Openb. 11,de Kerk van Christus door den tempel en zijn voorhoven, en Openb. 12,door een vrouw met de zon bekleed, vertoond wordt. Ja, gelijk Christus zelf in deze openbaring soms als een lam, soms als een engel en priester de hemels, soms als een overwinnaar, zittende op een wit paard, werd ingevoerd. Dat nu de verklaring van al deze eigenschappen, die hier in Openb. 13volgen, op de beide heerschappijen zeer wel passen, zal in het vervolg blijken.3 zeven hoofden Deze zeven hoofden worden Openb. 17:9 door den engel zelf verklaard te zijn de zeven bergen, waarop die grote stad, op welke de vrouw zit, die de heerschappij heeft over de koningen der aarde, gebouwd is; mitsgaders van de zeven koningen, of vorm van regering, waaraan zij onderworpen was, waarvan in hetzelfde hoofdstuk nadere verklaring zal volgen.4 tien hoornen; Deze woorden hierna, Openb. 17:12, verklaard te zijn tien koningen, die het koninkrijk nog niet hadden ontvangen, maar zouden hun macht op één uur met het beest ontvangen; waaraan zij hun macht voor een tijd zouden overgeven, totdat zij die weder tot zich zouden nemen; waarvan zie ook aldaar nadere verklaring.5 koninklijke hoeden, Grieks diademata, welke een soort van gekroonde hoeden waren, den koningen ook toekomende, die zij bekwamelijk van hun hoofden zouden kunnen doen, om voor den troon des draaks en des beests te komen afnemen, en aan zijn voeten te leggen, gelijk de 24 ouderlingen en de 4 dieren hun kronen werpen voor den troon Gods en des Lams, Openb. 4:10.6 een naam van Anders, namen, namelijk, als daar is de God op aarde, de stadhouder van Christus, het hoofd en de bruidegom der Kerk, en dergelijke meer, nevens de afgodendienst, die ook door den naam van lastering in Gods Woord verstaan wordt; gelijk te zien is Jes. 65:7; Ezech. 20:27. Zie hiervan ook 2 Thess. 2:4.40 stond op het zand der zee. Namelijk in een gezicht, of ook metterdaad, op het eiland Patmos, gelijk van Daniël, Dan. 10:4, dergelijke wordt betuigd, namelijk om te zien wat verder geschieden zou, of wat gezicht mij uit de zee zou getoond worden. Gelijk Openb. 13uitwijst, waaraan Openb. 12:18 schijnt te behoren, hetwelk daarom ook door sommigen bij Openb. 13gevoegd wordt.Vers 2 En het beest dat ik zag, was een pardel gelijk, en zijn voeten als eens beers voeten, en zijn mond als de mond eens leeuws; en de draak gaf hem zijn kracht, en zijn troon, en grote macht.7 pardel gelijk, Of luipaard. De eerste drie monarchieën worden Dan. 7:4, enz., bij deze drie wilde en verscheurende dieren vergeleken; welke drie tezamen hier dit beest alleen worden toegeëigend, omdat de eigenschappen van deze drie tezamen op dit beest passen; van welke eigenschappen, zie ook de verklaring Dan. 7.8 de draak gaf hem Welke kracht, en troon, en macht van den draak is, te zijn de overste dezer wereld, Joh. 12:31; de god dezer wereld, 2 Cor. 4:4, en de overste macht van de lucht, die krachtig werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid, Ef. 2:2; die ook zelf roemt dat hij deze koninkrijken kan geven wien hij wil, Luk. 4:6; en Paulus getuigt dat de komst van den antichrist zal zijn naar de werking van den satan met alle kracht; 2 Thess. 2:9.Vers 3 En ik zag een van zijn hoofden als tot den dood gewond, en zijn dodelijke wonde werd genezen; en de gehele aarde verwonderde zich achter het beest.9 gewond, en Grieks geslacht. Zie van deze wond en haar genezing de aantekeningen Openb. 13:1. Want uit het vervolg van den tekst, en de wijze van spreken die Johannes gebruikt, blijkt dat dit beest deze wond in zijn eerste opkomst heeft ontvangen, die door den keizer Justinianus en enige volgende wel enigszins is genezen, maar ten volle geheeld door Pepijn en Carolus Magnus, die omtrent het jaar zeven en acht honderd den bisschop van Rome in zijn volle bezitting heeft gesteld, als de tien koningen die met hem opgekomen zijn, hun macht hem hebben bijgevoegd; waarop de bewondering en onderwerping van alle volken in het christenrijk gevolgd is, gelijk de tekst verklaart.10 zijn dodelijke Grieks de slag of wond zijns doods.11 verwonderde zich Dat is, volgde het beest achterna met verwondering.Vers 4 En zij aanbaden den draak, die het beest macht gegeven had; en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is dit beest gelijk? wie kan krijg voeren tegen hetzelve?12 zij aanbaden den draak, Namelijk wel niet in zijn gedaante, gelijk het heidense Romeinse rijk in zijn afgoden had gedaan, maar in den nieuwen beeldendienst en andere afgodische manieren, waartoe zij in dit rijk vervielen, gelijk hiervoor Openb. 9:20 is betuigd, en de ervaring maar al te veel bewijst.Vers 5 En hetzelve werd een mond gegeven, om grote dingen en gods lasteringen te spreken; en hetzelve werd macht gegeven, om zulks te doen, twee en veertig maanden.13 om grote dingen en Zie dergelijke Dan. 7:8. Hetwelk van den kleinen hoorn, die tussen de andere opgroeide, wordt gezegd: hetwelk naar de letter verstaan wordt van den koning Antiochus, van wiens tirannie en afgoderij onder de Joden veel te lezen is 1Maccab. 1,2, en die vele uitleggers onder de christenen een beeld van den antichrist houden geweest te zijn, die dergelijke tirannie en afgoderij onder de Christenen zou aanrichten en gebruiken. Zie der verklaring van deze grote dingen hiervoor in de aantekeningen Openb. 13:1.14 om [zulks] te doen, Anders: om twee en veertig maanden krijg te voeren; dat is, duizend, twee honder en zestig dagen, waarvan zie de verklaring Openb. 13:1, en Openb. 12:6.Vers 6 En het opende zijn mond tot lastering tegen God, om Zijn Naam te lasteren, en Zijn tabernakel, en die in den hemel wonen.15 tot lastering tegen God, Namelijk daar het zichzelf de macht en namen van God inderdaad toeschrijft. Want hij zit in den tempel Gods, en verheft zichzelf boven al wat God genoemd wordt; 2 Thess. 2:4.16 Zijn tabernakel, Hierdoor verstaan enigen de ware Kerk Gods, die hij voor ketters en verbannen verklaart en uitkrijt voor de gehele wereld. Anderen verstaan hierdoor het lichaam van Christus, hetwelk een tabernakel van zijn godheid genoemd wordt, Joh. 1:14; Hebr. 9:11,12, en hetwelk door de Mis lasterlijk mishandeld wordt. Beide is waarachtig.17 die in den hemel wonen. Dat is, de engelen en zalige zielen, die hij, zo veel in hem is, in afgoden verandert, en met welke hij geestelijke hoererij bedrijft; waarmee hij de koningen en volken der aarde dronken maakt, gelijk hierna Openb. 17, zal worden verklaard. Hetwelk de meeste kleinigheid is en lastering, die hij hun zou kunnen aandoen; gelijk Paulus en Barnabas, wanneer men hun goddelijke eer wilde aandoen, daarover hun klederen hebben gescheurd, Hand. 14:14, hetwelk in het horen van godslastering placht te geschieden, gelijk te zien is 2 Kon. 18:37, en Matth. 26:65.Vers 7 En hetzelve werd macht gegeven, om den heiligen krijg aan te doen, en om die te overwinnen; en hetzelve werd macht gegeven over alle geslacht, en taal, en volk.18 den heiligen krijg Dat is, de ware gelovigen en belijders van Christus' naam, gelijk van de twee getuigen hiervoor, Openb. 11:7, ook gezegd is.19 die te overwinnen; Namelijk door lichamelijke overwinning, zo tegen de bijzondere gelovigen, met hen te doden, als tegen hun vergaderingen, door deze te storen en te verwoesten; waarvan de boeken der martelaars vol zijn van voorbeelden. Hoewel de gelovigen altijd den draak en het beest hebben overwonnen naar den geest, gelijk de gelovige zielen roemen en lofzingen, hiervoor Openb. 12:11, en gelijk van hen getuigd wordt in Openb. 13:8.20 hetzelve werd macht Namelijk door een rechtvaardig oordeel Gods, die een kracht der dwaling gezonden heeft onder deze volken, opdat zij de leugen zouden geloven, en allen veroordeeld worden die de waarheid niet geloven; 2 Thess. 2:10,11.Vers 8 En allen, die op de aarde wonen, zullen hetzelve aanbidden, welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens, des Lams, Dat geslacht is, van de grondlegging der wereld.21 welker namen niet Dat is, welke door God in Christus niet zijn uitverkoren, gelijk Paulus spreekt Ef. 1:4. Zie dergelijke Luk. 10:20, en hierna Openb. 20:12.22 Dat geslacht is, Enigen voegen deze laatste woorden: van de grondlegging der wereld met de voorgaande woorden: welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens, gelijk Paulus van de verkiezing in Christus spreekt, Ef. 1:4; anderen, bij de laatste woorden: dat geslacht is. Want hoewel Christus inderdaad niet is geslacht, dan toen Hij voor ons aan het kruis geleden heeft, zo is nochtans deze Zijn dood en offerande van het begin der wereld krachtig geweest tot verlossing Zijner gelovigen; en Hij is van den beginne geslacht in Gods besluit, in Gods beloften en in het geloof der uitverkorenen, gelijk van Abraham gezegd wordt, Joh. 8:56, en van Mozes, Hebr. 11:26.Vers 9 Indien iemand oren heeft, die hore.Vers 10 Indien iemand in de gevangenis leidt, die gaat zelf in de gevangenis; indien iemand met het zwaard zal doden, die moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de lijdzaamheid en het geloof der heiligen.23 Indien iemand in Grieks indien iemand de gevangenis te zamen leidt; dat is, een menigte der gevangenen. Dit wordt hierbij gevoegd tot besluit en tot troost der gelovigen, namelijk dat die onrechtvaardige mensen, òf hier in deze wereld nog gelijke vergelding zullen ontvangen, gelijk menigmaal geschiedt; òf tenminste in de toekomende, wanneer zij met het beest en den valsen profeet zullen geworpen worden in den poel des vuurs, en door het geestelijk zwaard van Christus, dat uit Zijn mond komt, gedood worden met den eeuwigen dood, gelijk hierna Openb. 19:20, wordt gesproken.