Advertentie

Openbaring 12:7-17

11 verzen · 22 kanttekeningen · Statenvertaling

De strijd van Michaël met den draak

Vers 7 En er werd krijg in den hemel: Michaël en zijn engelen krijgden tegen den draak, en de draak krijgde ook en zijn engelen.18 er werd krijg Dat hier, gelijk enigen menen, niet wordt gesproken van den eersten val des satans, en zijn wederspannigheid tegen den Zoon Gods, waarvan Christus spreekt Joh. 8:44, en Jud.:6,blijkt uit de reden meermalen verhaald, dat hier van toekomende dingen wordt gehandeld. Gelijk ook niet van den strijd, die Christus de ware Michaël, dat is, God even gelijk zijnde, Filipp. 2:6, tegen den satan heeft gevoerd, wanneer Hij de gedaante van een dienstknecht heeft aangenomen, en in het huis van den sterke is gekomen, om hem te binden en zijn vaten te ontroven, Matth. 12:29, en wanneer Hij hem door Zijn dood heeft teniet gedaan, en over hem aan het kruis gezegevierd, Col. 2:15; Hebr. 2:14. Want hoewel dit een eeuwigdurend fondament is van alle overwinning over den satan en zijn werktuigen, gelijk de inwoners des hemels hierna Openb. 12:10,11 zingen, zo is dit fondament ook al tevoren vast gelegd geweest, eer deze openbaring aan Johannes geschiedde. Derhalve moet deze krijg en overwinning hier verstaan worden van een bijzondere toeëigening van deze eerste overwinning van Christus, die nog over den satan zou volgen in de leden van Christus, waarvan Christus ook spreekt Matth. 16:18, en Paulus Rom. 16:20; namelijk in de tijden der vervolgingen en verleidingen, onder de heidense en Ariaanse keizers, en andere ketterse koningen, wanneer Christus in Zijn leden op het hoogste is bestreden, en vooral ook wanneer de antichrist in het Westen en de Mohammedanen in het Oosten de overhand hebben verkregen, en de Kerk van Christus door de gehele wereld is verdrukt geworden; hetwelk klaar bewezen wordt uit den tijd van twaalf honderd zestig dagen, die na dezen strijd de vlucht van de vrouw in de woestijn wordt toegeschreven, en uit het triomflied van de inwoners des hemels, Openb. 12:10,11, hetwelk van zulk een overwinning, en derhalve ook van zulk een strijd, hier duidelijk spreekt.19 Michaël en zijn Gelijk door dezen Michaël, dat is, wie is gelijk God, Christus zelf door meest al de uitleggers wordt verstaan, zo verstaan enigen door Zijn engelen de gelovigen, die door Christus, en met Christus, den draak en zijn engelen hebben overwonnen, gelijk hierna Openb. 12:11 wordt betuigd. Nochtans kan deze naam engelen van de engelen zelf ook wel verstaan worden, dewijl die van Christus, hun hoofd, tot troost en hulp der gelovigen in deze strijd ook dikwijls gezonden worden, gelijk te zien is Hebr. 1:14, en de voorbeelden van Elia, Elisa, van Daniël en zijn metgezellen, van Petrus en Paulus in hun gevangenschap, in de Schrift bewijzen; en gelijk de kerkelijke geschiedenis getuigt, dat de vrome martelaars, onder de heidense keizers en onder den antichrist, òf door de engelen uit hun handen zijn verlost, òf in hun pijnen verlicht, of vertroost en gesterkt. De vervolgers zijn ook door hen dikwijls door verscheidene plagen gestraft en gestuit, gelijk Herodes, Hand. 12:23, tot verlichting van de gemeente, door den Engel des Heeren is geslagen.Vers 8 En zij hebben niet vermocht, en hun plaats is niet meer gevonden in den hemel.20 en hun plaats Dergelijke wijze van spreken gebruikt Christus ook van Zijn overwinning over den satan, Luk. 10:18; en hier wordt ook duidelijk gezien op enige gezichten van het Oude Testament, waar dergelijke strijd en aanklacht des satans voor den troon van God, tegen de gelovigen, met een eindelijke overwinning over den satan gezien is; Job 1:11, en Job 2:5, en inzonderheid Zach. 3:1, hetwelk met dit gezicht vele dingen gemeen heeft, zo in de personen, als in de uitkomst daarvan. Of nu dit zo inderdaad zou mogen geschied zijn, of alleen figuurlijkerwijze uitgesproken wordt, daaraan is niet veel gelegen. Dit is genoeg en zeker, dat nadat Christus de verzoening onzer zonden heeft volbracht, en gezeten is ter rechterhand Zijns Vaders, en als onze voorspraak daar verschijnt, den satan en zijn engelen alle stof van aanklacht tegen de gelovigen, voor den troon Gods, ten enenmale is benomen, gelijk Paulus terecht noemt, Rom. 8:33, enz. en gelijk de hemelse heirscharen hierna zingen, Openb. 12:10,11, en dat Hij vandaar den satan, met al onze en Zijn vijanden, gedurig onder de voeten zal brengen, gelijk Paulus getuigt; 1 Cor. 15:25.Vers 9 En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen.21 de oude slang, Zo wordt de satan genoemd, omdat hij door een slang onze voorouders in het paradijs heeft verleid. Zie 2 Cor. 11:3.22 de gehele wereld verleidt, Dat is, de kinderen der ongehoorzaamheid in de gehele wereld, Ef. 2:2.Vers 10 En ik hoorde een grote stem, zeggende in den hemel: Nu is de zaligheid, en de kracht, en het koninkrijk geworden onzes Gods; en de macht van Zijn Christus; want de verklager onzer broederen, die hen verklaagde voor onzen God dag en nacht is nedergeworpen.23 de verklager onzer Zie hiervoor de aantekeningen Openb. 12:8.Vers 11 En zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams, en door het woord hunner getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe.24 het bloed des Lams, Zie hiervoor de aantekeningen Openb. 12:7.25 het woord hunner Dat is, het Evangelie, door hen door het geloof aangenomen en standvastig beleden. Want dit is het geestelijke zwaard en werktuig, waardoor de satan overwonnen wordt. Zie Ef. 6:17.26 hun leven niet liefgehad Dat is, zij hebben hun leven hier klein geacht voor Christus, en Zijn waarheid. Zie Luk. 14:26; Hand. 20:24.Vers 12 Hierom bedrijft vreugde, gij hemelen, en gij, die daarin woont! Wee dengenen, die de aarde en de zee bewonen, want de duivel is tot u afgekomen, en heeft groten toorn, wetende, dat hij een kleinen tijd heeft.27 die de aarde en de Dat is, wee den aardsen en wereldsen mensen, hetzij die het vasteland, of de eilanden in de zee bewonen; gelijk hiervoor Openb. 3:10, en elders meer.28 heeft groten toorn, Dat is, is zeer verbolgen, omdat hij tegen de kinderen Gods voor den troon van God niets vermag, gelijk Openb. 12:8 is gezegd.29 een kleinen tijd heeft. Namelijk gelijk de tijd tussen Christus' eerste en laatste komst de laatste ure genoemd wordt, 1 Joh. 2:18; zo wordt de tijd van de overige heerschappij van den satan een kleine tijd genoemd, daar hij in de voleinding der wereld in den poel des vuurs zal geworpen worden; en hij nu dagelijks ziet uit de tekenen, die Christus en zijn apostelen voorzegd hebben, dat deze tijd meer en meer nadert. Zie hierna Openb. 20:10, en Matth. 25:41.Vers 13 En toen de draak zag, dat hij op de aarde geworpen was, zo heeft hij de vrouw vervolgd, die het manneken gebaard had.30 En toen de draak zag, Dat is, toen de satan zag, dat hij Christus in Zijn leden, en de zaligheid Zijner leden, met zijn aanklachten in den hemel niet meer kon beschadigen, zo heeft hij zich weer tegen deze Kerk van Christus gekeerd, om haar ten minste in deze wereld te beledigen met beroving van hare goederen, met gevangenis, met lasteringen hunner personen, met ballingschap, vervolgingen en dergelijke kwellingen meer.Vers 14 En der vrouwe zijn gegeven twee vleugelen eens groten arends, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd, en tijden, en een halven tijd, buiten het gezicht der slang.31 twee vleugelen eens Namelijk door God, welke twee arendsvleugelen sommigen menen te zijn het geloof, waardoor zij in dit alles op Christus, hun hoofd, vast gegrond blijft, 1 Joh. 5:4, en de hoop der zaligheid, waardoor zij al de verdrukkingen overwint, wetende dat het lijden van den tegenwoordigen tijd niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die in ons zal geopenbaard worden. Hoewel ook allerlei krachtige bewaring Gods door arendsvleugelen verstaan wordt, gelijk te zien is Deut. 32:11.32 in haar plaats, Namelijk waarvan hiervoor Openb. 12:6 is gehandeld.33 alwaar zij gevoed wordt Anders: opdat zij aldaar zou gevoed worden; namelijk zo door God alleen door Zijn Geest en Woord, gelijk van de zeven duizend gezegd wordt, die God ten tijde van Elia zich behouden had, 1 Kon. 19:18; Rom. 11:4, en daarna ook door de twee getuigen, die God hun in hun woestijn langen tijd heeft verwekt, gelijk Openb. 11:3 is aangetekend.34 een tijd, en tijden, Sommigen nemen hier een tijd voor een jaar, de tijden voor twee jaren, en een halven tijd voor een half jaar, gelijk deze wijze van spreken schijnt genomen te worden Dan. 7:25, en Dan. 12:7, en houden dat de tijd van de heerschappij van den antichrist niet langer zal duren dan drie en een half jaar, voor de voleinding der wereld, gelijk de tirannie van Antiochus, die een voorbeeld van den antichrist was, onder de Joden, ten tijde der Maccabeën, niet langer heeft geduurd. Doch dit gevoelen is Openb. 11:3 wederlegd; en wordt bovendien krachtig wederlegd, omdat, indien dit juist ware, de dag des oordeels, ten tijde van den antichrist, reeds zou bekend zijn, tegen het getuigenis van Christus, Mark. 13:32. Gelijk ook niet mogelijk is, dat de antichrist in zo weinig tijds uit den stam van Dan [gelijk zij voorgeven] welke geen gebied in de wereld heeft, zou opkomen en zich zelf al de Joden, de gehele wereld door, tot aanhang maken, de stad Jeruzalem met het Joodse land innemen, en den tempel opbouwen, daarna zich door de gehele wereld zou doen aanbidden, de christenheid onderwerpen, de stad Rome verwoesten en dergelijke meer; daar de Schrift getuigt, dat deze verborgenheid der ongerechtigheid al ten tijde van Paulus begon te werken, 2 Thess. 2:7, en dat de Joden zelf voor de voleinding der wereld, zullen worden bekeerd, en tot de ware Kerk van Christus, vergaderd, Rom. 11:25; 2 Cor. 3:14, enz. Daarom moeten deze tijd, tijden, en halve tijden, genomen worden voor een tijd, die God wel bekend is en ons niet dan met den uitgang zal bekend worden. Of voor drie en een half jaar, die te zamen uitbrengen twee en veertig maanden, of duizend twee honderd en zestig dagen, elke dag genomen voor een jaar; waarvan hiervoor Openb. 11:3, en in Openb. 12:6, is gesproken, en hierna ook gesproken zal worden Openb. 13:5; want deze tijd zal de Kerk van Christus in de woestijn gevoed worden, waarin de voorhof des tempels ongemeten zal blijven, en de heilige stad door de heidenen zal vertreden worden, en de twee getuigen zullen profeteren, en het beest tegen de heiligen krijg zal voeren, waarvan in Openb. 13zal geprofeteerd worden.35 buiten het gezicht der slang. Grieks van het aangezicht.Vers 15 En de slang wierp uit haar mond achter de vrouw water als een rivier, opdat hij haar door de rivier zou doen wegvoeren.36 En de slang wierp Hoewel enigen door deze wateren ook valse leringen verstaan, zo is nochtans bekend in Gods Woord, dat door wateren of rivieren, de vervolgingen of verdrukkingen verstaan worden, gelijk te zien is Ps. 42:8, en Ps. 124:5; Matth. 7:25. Dat hier ook van nieuwe vervolgingen en zwarigheden, die de satan de Kerk, nadat zij in de woestijn is gevlucht, zou aandoen, gesproken wordt, blijkt hier uit den tekst. Maar op welke vervolgingen hier gezien wordt is men van verschillend gevoelen. Enigen menen dat het de vervolgingen zijn, die de antichrist tegen de Griekse Kerken heeft verwekt, omdat zij den beeldendienst en de aanroeping der heiligen, en het eren van hare reliquieën, en zijn heerschappij niet wilden aannemen; welke door enige Griekse keizers lang zijn gestuit; anderen, dat het de vervolgingen zijn, die tegen de Hussieten in Boheme en andere plaatsen meer, verwekt zijn, die de Heere door zekeren Ziska met wonderbaarlijke verlossingen, alsof zij uit de aarde opgekomen waren, langen tijd heeft gestuit, mitsgaders van de samenspanning der keizers en koningen met den antichrist, ten tijde dat de Kerk na Luthers tijden het hoofd begon op te steken, waarvan enige nog duren. Eindelijk verstaan anderen dit van het laatste geweld, dat de antichrist nog doen zal, met al zijn aanhangers voor zijn val. Doch tot troost der gemeente is daarbij gevoegd, dat de Heere Zijn Kerk eindelijk nog wonderbaar zal verlossen, gelijk Mozes en Aäron van het geweld en de samenspanning van Korach, Dathan en Abiram zijn verlost, toen de aarde haar mond opende, en hunne vijanden verslond, Num. 16:31,32; welker gelijke wonderbare en onverwachte verlossingen wij in onze tijden, in alle delen der christenheid ook meermalen gezien hebben.37 door de rivier zou Grieks rivier-driftig maken.Vers 16 En de aarde kwam de vrouw te hulp, en de aarde opende haar mond, en verzwolg de rivier, welke de draak uit zijn mond had geworpen.Vers 17 En de draak vergrimde op de vrouw, en ging heen om krijg te voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren, en de getuigenis van Jezus Christus hebben.38 draak vergrimde op Namelijk omdat zij zich nu van zijn gezicht in sommige plaatsen en tijden hadden verstoken, gelijk in Openb. 12:14 wordt gezegd: en omdat zij daarna ook hulp van koningen en prinsen had verworven, die haar tegen het geweld en de aanvallen des antichrists met de zijnen beschermden.39 tegen de overigen van Namelijk die in zulke plaatsen nog waren verstrooid en verstoken, waar geen openbare Kerken waren, en waar de antichrist, en de koningen, die hem hun macht leenden, hun gebied nog hadden: van welke verstrooide christenen hier twee merktekenen worden gesteld, namelijk dat zij God dienden naar Zijn geboden, en niet naar menselijke inzettingen; en dat zij het getuigenis van Jezus hielden, dat is, hun zaligheid zochten alleen in de verdiensten van den enigen en volmaakten Zaligmaker Jezus, en niet in hun eigene, of van enig schepsel, volgens de leer en getuigenis van het heilige Evangelie: waarin het rechte onderscheid bestaat van een dienaar van den antichrist, en van een Evangelisch en gereformeerd christen.

Lees heel Openbaring 12

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.