Wet van het nazireeërschap
Vers 1 En de Heere sprak tot Mozes, zeggende:Vers 2 Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Wanneer een man of een vrouw zich afgescheiden zal hebben, belovende de gelofte eens Nazireërs, om zich den Heere af te zonderen;1 Nazireërs, Het Hebreeuwse woord Nazir, geschreven met de letter zain, betekent een afgezonderde, te weten, van de wereld, om zich ganselijk tot de overdenking van goddelijke dingen en de waarneming van den heiligen godsdienst over te geven. De nazireërs waren een figuur, die in Christus niet letterlijk, maar geestelijk vervuld is. Zie ook van deze Richt. 13:5; Klaagl. 4:7; Amos 2:11. Zij zijn te onderscheiden van degenen, die met de letter Tsade geschreven worden, en genaamd Natsareën, van de stad Natsareth, alzo ook de Heere Christus een Nazarener genoemd wordt, Matth. 2:23, en de Christenen Nazareën, Hand. 24:5. De nazireërs nu waren tweeërlei: I. Die God daartoe expresselijk verkoos, gelijk Simson, Richt. 13:5, en [zoals enigen houden] Johannes de Doper, Luk. 1:15. II. Die door vrijwillige gelofte zodanige werden, van welken hier gesproken wordt.Vers 3 Van wijn en sterken drank zal hij zich afzonderen; wijnedik, en edik van sterken drank zal hij niet drinken, noch enige vochtigheid van druiven zal hij drinken, noch verse of gedroogde druiven eten.2 drank zal hij niet drinken, Zie Lev. 10:9.3 vochtigheid van druiven Of, sap.Vers 4 Al de dagen van zijn Nazireërschap zal hij niet eten van iets, dat van den wijnstok des wijns gemaakt is, van de kernen af tot de basten toe.4 wijnstok des wijns gemaakt is, Alzo Richt. 13:14; dat is, die wijndruiven draagt en wijn voortbrengt. Het tegendeel is een wijnstok, die dat niet doet; Hag. 2:20.5 basten toe. Of, pelletjes.Vers 5 Al de dagen der gelofte van zijn Nazireërschap zal het scheermes over zijn hoofd niet gaan; totdat die dagen vervuld zullen zijn, die hij zich den Heere zal afgezonderd hebben, zal hij heilig zijn, latende de lokken van het haar zijns hoofds wassen.6 heilig zijn, Dat is, den Heere geheiligd en toegeëigend.Vers 6 Al de dagen, die hij zich den Heere zal afgezonderd hebben, zal hij tot het lichaam eens doden niet gaan.7 lichaam eens doden niet gaan. Hebreeuws, ziel. Zie Lev. 19:28, en hieronder, Num. 6:11.Vers 7 Om zijn vader of om zijn moeder, om zijn broeder of om zijn zuster, om hen zal hij zich niet verontreinigen, als zij dood zijn; want het Nazireërschap zijns Gods is op zijn hoofd.8 het Nazireërschap zijns Gods Dat is, het teken zijns nazireërschaps of afzondering; te weten, het lange haar, hetwelk hij, zolang zijn belofte duurde, moest ongeschoren laten. Vergelijk onder, Num. 6:9,19.Vers 8 Al de dagen van zijn Nazireërschap is hij den Heere heilig.Vers 9 En zo de gestorvene bij hem onvoorziens haastelijk gestorven ware, dat hij het hoofd van zijn Nazireërschap zou verontreinigd hebben, zo zal hij op den dag zijner reiniging zijn hoofd bescheren; op den zevenden dag zal hij het bescheren.9 het hoofd van zijn Nazireërschap Zie boven, Num. 6:7.10 bescheren; Dat is, zijn haar tot de huid toe met een scheermes afnemen.11 den zevenden dag Zolang moest een mens, die een dode aangeroerd had, voor onrein gehouden worden. Zie Lev. 15:13. Vergelijk onder, Num. 12:14.Vers 10 En op den achtsten dag zal hij twee tortelduiven, of twee jonge duiven brengen tot den priester, tot de deur van de tent der samenkomst.12 jonge duiven Hebreeuws, zonen der duiven.Vers 11 De priester nu zal een bereiden ten zondoffer, en een ten brandoffer, en zal voor hem verzoening doen, van dat hij aan het dode lichaam gezondigd heeft; alzo zal hij zijn hoofd op dienzelfden dag heiligen.13 aan het Of, bij, omtrent.14 dode lichaam Hebreeuws, ziel.15 gezondigd heeft; Versta, deze zonde van de ceremoniëele onreinheid, welke hij verkregen had door aangeroerd te zijn van het dode lichaam of er bij geweest te zijn, hoewel tegen zijn weten en wil.16 heiligen. Zie Lev. 8:30.Vers 12 Daarna zal hij de dagen van zijn Nazireërschap den Heere afzonderen, en zal een lam, dat eenjarig is, brengen ten schuldoffer; en de vorige dagen zullen vallen, omdat zijn Nazireërschap verontreinigd was.17 afzonderen, Te weten, opnieuw zich onthoudende van de dingen, welke vermeld zijn boven, Num. 6:3,4,5,6,7, wederom aanvangende zijn nazireërschap, alsof hij tevoren niets gedaan had, om daarin zoveel dagen, als hij beloofd had, te volharden.18 een lam, Hebreeuws, een zoon zijns jaars.19 vallen, Dat is, voor niet en tevergeefs zijn en in geen rekening komen.Vers 13 En dit is de wet des Nazireërs: op den dag, als de dagen van zijn Nazireërschap zullen vervuld zijn, zal hij dit brengen tot de deur van de tent der samenkomst.20 des Nazireërs: Dat is, van het offer des nazireërs.21 dit brengen Te weten, dit offer, hetwelk gemeld wordt in Num. 6:14,15.Vers 14 Hij dan zal tot zijn offerande den Heere offeren een volkomen eenjarig lam ten brandoffer, en een volkomen eenjarig ooilam ten zondoffer, en een volkomen ram ten dankoffer.22 eenjarig lam Hebreeuws, een zoon zijns jaars.23 eenjarig ooilam Hebreeuws, een dochter van haar jaar.Vers 15 En een korf ongezuurde koeken, koeken van meelbloem, met olie gemengd, en ongezuurde vladen, met olie bestreken, mitsgaders hun spijsoffer, en hun drankofferen;24 hun spijsoffer, Spijsoffer en drankoffer worden zo onderscheiden, dat het eerste is geweest van droge, het andere van vochtige dingen. Zie van het spijsoffer Lev. 2:1, en van het drankoffer, lev. 23:37, en van beide onderscheidenlijk genoemd, gelijk hier; Joël. 1:9,13.Vers 16 En de priester zal het voor het aangezicht des Heeren brengen, en zal zijn zondoffer en zijn brandoffer bereiden.25 brengen, Of, offeren.Vers 17 Hij zal ook den ram ten dankoffer den Heere bereiden, met den korf der ongezuurde koeken; en de priester zal zijn spijsoffer en zijn drankoffer bereiden.26 zijn drankoffer bereiden. Vergelijk den aantekeningen op Gen. 35:14.Vers 18 Alsdan zal de Nazireër, aan de deur van de tent der samenkomst, het hoofd van zijn Nazireërschap bescheren; en hij zal het hoofdhaar van zijn Nazireërschap nemen, en hij zal het leggen op het vuur, dat onder het dankoffer is.27 het hoofd van zijn Nazireërschap Zie boven, Num. 6:9.Vers 19 Daarna zal de priester een gezoden schouder nemen van den ram, en een ongezuurden koek uit den korf, en een ongezuurde vlade; en hij zal ze op de handen des Nazireërs leggen, nadat hij zijn Nazireërschap afgeschoren heeft.28 Nazireërschap afgeschoren heeft. Dat is, het haar, hetwelk hem in zijn nazireërschap gewassen is.Vers 20 En de priester zal die bewegen ten beweegoffer, voor het aangezicht des Heeren; het is een heilig ding voor den priester, met de borst des beweegoffers, en met den schouder des hefoffers; en daarna zal die Nazireër wijn drinken.29 beweegoffer, Hoe het beweegoffer van het hefoffer te onderscheiden is, zie Lev. 7:30.30 schouder des hefoffers; Of, achterbout.Vers 21 Dit is de wet des Nazireërs, die zijn offerande den Heere voor zijn Nazireërschap zal beloofd hebben, behalve wat zijn hand bekomen zal; naar zijn gelofte, welke hij beloofd zal hebben, alzo zal hij doen, naar de wet van zijn Nazireërschap.31 behalve wat zijn hand bekomen zal; Dat is, uitgenomen hetgeen hij boven de voorgemelde offerande nog vrijwilliglijk, naar zijn vermogen, beloven en offeren wilde. Meer mocht hij wel doen, maar niet minder, zijnde de offerande, die in deze wet voorgeschreven wordt, zowel den armen als den rijken opgelegd.32 naar de wet van zijn Nazireërschap. Anders, boven, of behalve.
De priesterlijke zegen
Vers 22 En de Heere sprak tot Mozes, zeggende:Vers 23 Spreek tot Aäron en zijn zonen, zeggende: Alzo zult gijlieden de kinderen Israëls zegenen, zeggende tot hen:33 zegenen, Dat is, als priesters en dienaars Gods in de algemene bijeenkomst, alles goeds, welvaren en zaligheid aan de gemeente van God toewensen.Vers 24 De Heere zegene u, en behoede u!34 zegene u, en behoede u! Zie Gen. 12:2.Vers 25 De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig!35 doe Zijn aangezicht over u lichten, Het aangezicht Gods betekent zijn voorzienigheid en tegenwoordigheid, om te straffen of te zegenen. Van het aangezicht der straf, of wraak, zie Lev. 17:10; Ps. 34:17, en Ps. 51:11. Van het aangezicht der gunst en zegening is hier gesproken, als ook 2 Kron. 30:9; Ps. 13:2, enz. God wordt gezegd zijn aangezicht te doen lichten, als Hij zijn genade, zegen en weldadigheid dadelijk bewijst, Ps. 31:17, en Ps. 80:4,8,20, en Ps. 119:135, en Dan. 9:17.Vers 26 De Heere verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede!36 verheffe Zijn aangezicht over u, Dat is, hebbe geduriglijk de ogen zijner genadige voorzienigheid over u, om uw ingang en uitgang te bewaren, tot uw best, hetwelk God niet doet wanneer Hij gezegd wordt zijn aangezicht te verbergen, of af te keren; Deut. 32:20; Ezech. 7:22.37 geve u Hebreeuws, zette; dat is, voege u vrede toe of geve u vrede.38 vrede! Zie Gen. 37:14.Vers 27 Alzo zullen zij Mijn Naam op de kinderen Israëls leggen; en Ik zal hen zegenen.39 Mijn Naam op de kinderen Israëls leggen; Dit geschiedde eensdeels met aanroeping van den goddelijken naam, anderdeels met uitstrekking hunner handen over de gemeente, alsof zij den zegen des Heeren, om welken zij baden, het gehele volk, van Gods wege, dadelijk hadden willen toebrengen en overgeven.