Wetten over ontvreemding
Vers 5 Verder sprak de Heere tot Mozes, zeggende:Vers 6 Spreek tot de kinderen Israëls: Wanneer een man of een vrouw iets van enige menselijke zonden gedaan zullen hebben, overtreden hebbende door overtreding tegen den Heere, zo is diezelve ziel schuldig.8 menselijke zonden Hebreeuws, zonden des mensen. Versta, de zonde, die de mensen begaan uit menselijke zwakheid, voortkomende uit de aanklevende verdorvenheid der natuur. Vergelijk Lev. 5:2,3; en wordt dit vergrijp gesteld tegen de zonde, die uit moedwil geschiedt en met opgeheven hand, onder, Num. 15:30; of, versta, de zonde, die geschiedt naar de wijze der mensen, die van nature zeer tot de zonde genegen zijn. Anders, zonden des mensen; dat is, tegen enig mens of den naaste begaan.9 ziel schuldig. Dat is, persoon. Zie Gen. 12:5.Vers 7 En zij zullen hun zonde, welke zij gedaan hebben, belijden; daarna zal hij zijn schuld weder uitkeren, naar de hoofdsom daarvan, en derzelfder vijfde deel zal hij daarboven toedoen, en zal het dien geven, aan wien hij zich verschuldigd heeft.10 belijden; Te weten, voor den priester, als die de offerande doen moest en het goed van des Heeren wege mocht tot zich trekken, geen losser voorhanden zijnde, Num. 5:8, en vergelijk Lev. 5:5,6,10,11,12,13.11 hij Te weten, de schuldige.12 schuld weder uitkeren, Dat is, hetgeen hij zijn naaste ontvreemd heeft, waarmede hij zich schuldig heeft gemaakt.13 derzelfder vijfde deel Te weten, om daarmede te vergelden de schade, die de eigenaar geleden heeft, zijnde beroofd geweest van het gebruik van zijn goed.Vers 8 Maar zo die man geen losser zal hebben, om de schuld aan hem weder uit te keren, zal die schuld, welken den Heere weder uitgekeerd wordt, des priesters zijn; behalve den ram der verzoening, met welken hij voor hem verzoening doen zal.14 die man geen losser zal hebben, Te weten, aan welken het onrecht geschied is, zijnde dood, of geen bloedvriend, noch erfgenaam, noch iemand anders hebbende, die het goed zou mogen aanslaan, en wien men hetzelve zou wedergeven. In zulk een geval kwam het goed den Heere en in zijn plaats den priester toe.Vers 9 Desgelijks zal alle heffing van alle geheiligde dingen der kinderen Israëls, welke zij tot den priester brengen, zijne zijn.15 heffing van alle geheiligde dingen Dit woord is hier niet in het bijzonder genomen, gesteld zijnde tegen beweegoffer, gelijk Exod. 29:27, maar in het algemeen voor de dingen, die door iemand den priester gegeven en alzo Gode toegeheiligd worden, en daarna niet tot enig ander gebruik mogen besteed worden dan gelijk bevolen is. Alzo Exod. 25:2; Num. 15:19; Neh. 10:39.16 zijne zijn. Namelijk, van den priester; alzo in Num. 5:10. Zie Lev. 6:16.Vers 10 En een ieders geheiligde dingen zullen zijne zijn; wat iemand den priester zal gegeven hebben, zal zijne zijn.