Advertentie

Numeri 34

29 verzen · 25 kanttekeningen · Statenvertaling

De grenzen van Kanaän 

Vers 1 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende:Vers 2 Gebied den kinderen Israëls, en zeg tot hen: Wanneer gij in het land Kanaän ingaat, zo zal dit land zijn, dat u ter erfenis vallen zal, het land Kanaän, naar zijn landpalen.1 vallen zal, Door loting ten deel zal vallen, of uitgedeeld worden.2 landpalen. Die in het volgende beschreven worden; vergelijk hiermede Gen. 10:19, en Gen. 15:18; Exod. 23:31; Deut. 1:7, en Deut. 11:24; Joz. 1:4.Vers 3 De zuiderhoek nu zal u zijn van de woestijn Zin, aan de zijden van Edom; en de zuider landpale zal u zijn van het einde der Zoutzee tegen het oosten;3 aan de zijden van Edom; Dat is, langs de landpalen of grenzen der Edomieten. Zie Joz. 15:1.4 Zoutzee tegen het oosten; Anders genoemd de Dode zee. Zie Gen. 14:3.Vers 4 En deze landpale zal u omgaan van het zuiden naar den opgang van Akrabbim, en doorgaan naar Zin; en haar uitgangen zullen zijn, van het zuiden naar Kades-barnea; en zij zal uitgaan naar Hazar-addar, en doorgaan naar Azmon.5 Akrabbim, Dat is, der scorpioenen, waarvan deze plaats den naam kan hebben ontvangen; zie Deut. 8:15. Dit was aan de zuidelijke einde van de Zoutzee en het oostelijke einde van het gebergte van Edom.6 haar uitgangen zullen zijn, Dat is uitgangen dezer landpale.7 van het zuiden naar Kades-barnea; Anders, tegen.8 Hazar-addar, Deze twee plaatsen worden hier samengevoegd, als nabij elkander gelegen. Vergelijk Joz. 15:3, waar zij van elkander worden afgescheiden, en de eerste genoemd Hezron. De kaarten stellen haar beiden aan de noordelijke zijde van het gebergte van Edom, niet ver van Azmon.9 Azmon. Gelegen aan het westeinde van het gebergte van Edom, niet ver van Gerar.Vers 5 Voorts zal deze landpale omgaan van Azmon naar de rivier van Egypte, en haar uitgangen zullen zijn naar de zee.10 van Egypte, Die Egypte van het Joodse land afscheidt. Vergelijk Gen. 15:18. Anders, naar het dal, of, vallei van Egypte, want aldaar waren moerassige laagten.11 naar de zee. Dat is, naar het westen. Zie Gen. 12:8.Vers 6 Aangaande de landpale van het westen, daar zal u de grote zee de landpale zijn; dit zal uw landpale van het westen zijn.12 westen, Hebreeuws, zee; en zo in het volgende.13 grote zee de landpale zijn; Versta, de Middellandse zee, genoemd de Grote zee, in vergelijking der andere wateren en zeeën of meren, die omtrent het Joodse land zijn.Vers 7 Voorts zal u de landpale van het noorden deze zijn: van de grote zee af zult gij u den berg Hor aftekenen.14 Hor aftekenen. Dit is niet geweest de berg Hor, op welken Aäron gestorven is, boven, Num. 33:38, maar een andere, ook genoemd Hermon, aan het westeinde van het gebergte Libanon. Uit vergelijking van Joz. 13:5, met dit en Num. 34:8. Dat de berg Hermon verscheidene namen gehad heeft, blijkt uit Deut. 3:9, en Deut. 4:48. Sommigen nemen het voor een berg aan de zee gelegen, die als een hoofd, of kaap [gelijk wij nu spreken] uitstak.Vers 8 Van den berg Hor zult gij aftekenen tot daar men komt te Hamath; en de uitgangen dezer landpale zullen zijn naar Zedad.15 Hamath; Een vermaarde koninklijke stad, aan den voet van het gebergte Libanon. Zie Gen. 10:18; boven, Num. 13:21; Joz. 13:5; Richt. 3:3; 2 Sam. 8:9; 1 Kon. 8:65; 2 Kon. 14:25,28, en 2 Kon. 17:24,30, en 2 Kon. 23:33; Jer. 49:23; Ezech. 47:16,17, en Ezech. 48:1; Amos 6:2; Zach. 9:2.16 Zedad. Deze en de volgende plaatsen strekten langs het gebergte Libanon van Hamath af, voorts aan de westzijde van de Jordaan, waar die begint, tot aan de zee Cinnereth of Gennesareth.Vers 9 En deze landpale zal uitgaan naar Zifron, en haar uitgangen zullen zijn te Hazar-enan; dit zal u de noorder landpale zijn.Vers 10 Voorts zult gij u tot een landpale tegen het oosten aftekenen van Hazar-enan naar Sefam.17 Sefam. Ook, naar sommiger gevoelen, genoemd Sifamoth; 1 Sam. 30:28.Vers 11 En deze landpale zal afgaan van Sefam naar Ribla, tegen het oosten van Ain; daarna zal deze landpale afgaan en strekken langs den oever van de zee Cinnereth oostwaarts.18 oever van de zee Hebreeuws, schouder.19 Cinnereth Naderhand genoemd Gennesareth, bekend in de Evangelische historie. Zie ook Deut. 3:17.Vers 12 Voorts zal deze landpale afgaan langs de Jordaan, en haar uitgangen zullen zijn aan de Zoutzee. Dit zal u zijn het land naar zijn landpale rondom.20 langs de Jordaan, Hebreeuws, naar de Jordaan; te weten, daar en zo als deze rivier van de zee Cinnereth voortloopt en ten laatste valt in de Zoutzee.

Verdeling van het land 

Vers 13 En Mozes gebood den kinderen Israëls, zeggende: Dit is het land, dat gij door het lot ten erve innemen zult, hetwelk de Heere aan de negen stammen en den halven stam van Manasse te geven geboden heeft.Vers 14 Want de stam van de kinderen der Rubenieten, naar het huis hunner vaderen, en de stam van de kinderen der Gadieten, naar het huis hunner vaderen, hebben ontvangen; mitsgaders de halve stam van Manasse heeft zijn erfenis ontvangen.21 heeft zijn erfenis ontvangen. Hebreeuws, hebben.Vers 15 Twee stammen en een halve stam hebben hun erfenis ontvangen aan deze zijde van de Jordaan, van Jericho oostwaarts tegen den opgang.22 opgang. Te weten, der zon.

Benoeming van hen, die het land verdelen zullen 

Vers 16 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende:Vers 17 Dit zijn de namen der mannen, die ulieden het land ten erve zullen uitdelen: Eleazar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun.Vers 18 Daartoe zult gij uit elken stam een overste nemen, om het land ten erve uit te delen.23 uit elken stam een overste nemen, Hebreeuws, een overste, of vorst, een overste uit een stam.Vers 19 En dit zijn de namen dezer mannen: van den stam van Juda, Kaleb, zoon van Jefunne;Vers 20 En van den stam der kinderen van Simeon, Semuël, zoon van Ammihud;Vers 21 Van den stam van Benjamin, Elidad, zoon van Chislon;Vers 22 En van den stam der kinderen van Dan, de overste Bukki, zoon van Jogli;24 van den stam der kinderen van Dan, Of, van den stam der kinderen Dans, een overste: [te weten], Bukki, enz. en alzo in het volgende.Vers 23 Van de kinderen van Jozef: van den stam der kinderen van Manasse, de overste Hanniel, zoon van Efod;Vers 24 En van den stam der kinderen van Efraïm, de overste Kemuël, zoon van Siftan;Vers 25 En van den stam der kinderen van Zebulon, de overste Elizafan, zoon van Parnach;Vers 26 En van den stam der kinderen van Issaschar, de overste Paltiel, zoon van Azzan;Vers 27 En van den stam der kinderen van Aser, de overste Achihud, zoon van Selomi;Vers 28 En van den stam der kinderen van Nafthali, de overste Pedael, zoon van Ammihud.Vers 29 Dit zijn ze, dien de Heere geboden heeft, den kinderen Israëls de erfenissen uit te delen, in het land Kanaän.25 geboden heeft, Of, gesteld, verordineerd heeft, om enz.; vergelijk 2 Sam. 6:21, en 2 Sam. 7:11, enz.

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.