God zendt den Israëlieten een menigte kwakkelen
Vers 31 Toen voer een wind uit van den Heere, en raapte kwakkelen van de zee, en strooide ze bij het leger, omtrent een dagreize herwaarts, en omtrent een dagreize derwaarts, rondom het leger; en zij waren omtrent twee ellen boven de aarde.Vers 32 Toen maakte zich het volk op, dien gehelen dag, en dien gansen nacht, en den gansen anderen dag, en verzamelden de kwakkelen; die het minst had, had tien homers verzameld; en zij spreidden ze voor zich van elkander rondom het leger.45 homers verzameld; Van het woord homer, betekenende een maat, zie Lev. 27:16. Anders, hopen.46 spreidden ze voor zich Hebreeuws, spreidende spreidden zij.Vers 33 Dat vlees was nog tussen hun tanden, eer het gekauwd was, zo ontstak de toorn des Heeren tegen het volk, en de Heere sloeg het volk met een zeer grote plaag.47 eer het gekauwd was, Uit Num. 11:20 wordt afgenomen, dat dit geschied is ten einde van den maand. Zolang hebben zij hun lust geboet met vlees te eten.Vers 34 Daarom heet men den naam derzelver plaats Kibroth Thaava; want daar begroeven zij het volk, dat belust was geweest.48 Kibroth Thaäva; Dat is, lustgraven. Een legerplaats zo genaamd, omdat daar begraven waren degenen, die de walg hadden gehad van het man, en hun lusten met vlees verzadigd hadden, hetwelk de HEERE hun wel gegeven had, maar in zijn toorn.Vers 35 Van Kibroth Thaava verreisde het volk naar Hazeroth; en zij bleven in Hazeroth.49 Hazeroth; Een andere legerplaats der Israëlieten in de woestijn. Zie van deze ook Num. 33:17, en Deut. 1:1.50 bleven in Hazeroth. Hebreeuws, zij waren.