Eldad en Medad
Vers 26 Maar twee mannen waren in het leger overgebleven; des enen naam was Eldad, en des anderen naam Medad; en die Geest rustte op hen (want zij waren onder de aangeschrevenen, hoewel zij tot de tent niet uitgegaan waren), en zij profeteerden in het leger.41 aangeschrevenen, Dat is, uit het getal der zeventig, die Mozes tot zich samengeroepen had; gelijk te zien is boven, Num. 11:24,25.Vers 27 Toen liep een jongen heen, en boodschapte aan Mozes, en zeide: Eldad en Medad profeteren in het leger.Vers 28 En Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, een van zijn uitgelezen jongelingen, antwoordde en zeide: Mijn heer Mozes, verbied hun!42 van zijn uitgelezen jongelingen, Anders, van zijn jeugd op.Vers 29 Doch Mozes zeide tot hem: Zijt gij voor mij ijverende? Och, of al het volk des Heeren profeten waren, dat de Heere Zijn Geest over hen gave!43 Zijt gij voor mij ijverende? Dat is, zijt gij met nijdigheid bevangen of misgunt gij iemand, dat hij de gaven des Heiligen Geestes heeft gelijk ik? Vergelijk hiermede de jaloezie der discipelen van Johannes de Doper, Joh. 3:26.44 Och, of al het volk des HEEREN profeten waren, Hebreeuws, wie zal geven? een manier van wensen bij de Hebreën. Zie van dezelve Deut. 5:29.Vers 30 Daarna verzamelde zich Mozes tot het leger, hij en de oudsten van Israël.