Advertentie

Numeri 10:11-36

26 verzen · 26 kanttekeningen · Statenvertaling

Israëls vertrek uit de woestijn Sinaï

Vers 11 En het geschiedde in het tweede jaar, in de tweede maand, op den twintigsten van de maand, dat de wolk verheven werd van boven den tabernakel der getuigenis.15 tweede maand, Zie van deze maand boven, Num. 1:1.16 wolk verheven werd Van welke gesproken is boven, Num. 9:15.17 der getuigenis. Zie boven, Num. 1:50.Vers 12 En de kinderen Israëls togen op, naar hun tochten, uit de woestijn Sinaï; en de wolk bleef in de woestijn Paran.18 naar hun tochten, Dat is, in zulke orde, gelijk God hun te reizen bevolen en voorgeschreven had; boven, Num. 2.19 bleef in de woestijn Hebreeuws, woonde, dat is, rustte.20 Paran. Zie Gen. 14:6. Eer de kinderen Israëls ten volle in deze woestijn kwamen, hadden zij tevoren nog een legerplaats gehad, genaamd Tabera, onder, Num. 11:3. Daarna nog een andere, genaamd Kibroth-Taäva, onder, Num.11:34, en nog een derde, genaamd Hazeroth, onder, Num. 11:35. Vandaar zijn zij eindelijk gekomen in de woestijn Paran, onder Num. 12:16.Vers 13 Alzo togen zij vooreerst op, naar den mond des Heeren, door de hand van Mozes.21 mond Des HEEREN, Dat is, bevel. Zie Gen. 41:40.22 hand van Mozes. Dat is, dienst of beleid. Zie Exod. 4:13.Vers 14 Want vooreerst toog op de banier van het leger der kinderen van Juda, naar hun heiren; en over zijn heir was Nahesson, de zoon van Amminadab.23 vooreerst toog Dat is, naar de orde, die in het leger van Juda gesteld was, zijnde daarin oversten van duizenden en van honderden. Alzo in het volgende.Vers 15 En over het heir van den stam der kinderen van Issaschar was Nethaneël, den zoon van Zuar.Vers 16 En over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon.Vers 17 Toen werd de tabernakel afgenomen, en de zonen van Gerson, en de zonen van Merari togen op, dragende den tabernakel.24 togen op, Dezen vertrokken straks na de banier der kinderen van Juda, opdat zij ondertussen den tabernakel zouden oprichten, tegen dat de Kohathieten zouden komen, die het heiligdom of de heilige vaten met het lijf moesten dragen. Zie Num. 10:21.Vers 18 Daarna toog de banier van het leger van Ruben, naar hun heiren; en over zijn heir was Elizur, de zoon van Sedeür.Vers 19 En over het heir van den stam der kinderen van Simeon was Selumiël, de zoon van Zurisaddai.Vers 20 En over het heir van den stam der kinderen van Gad was Eljasaf, de zoon van Dehuël.Vers 21 Toen togen op de Kohathieten, dragende het heiligdom; en de anderen richtten den tabernakel op, tegen dat dezen kwamen.25 de anderen Namelijk, de Gersonieten en Merarieten, die voorgetogen waren met het leger van den stam van Juda, gelijk te zien is uit Num. 10:17.26 dezen kwamen. Namelijk, de Kohathieten.Vers 22 Daarna toog op de banier van het leger der kinderen van Efraïm, naar hun heiren; en over het heir was Elisama, de zoon van Ammihud.Vers 23 En over het heir van den stam der kinderen van Manasse was Gamaliël, de zoon van Pedazur.Vers 24 En over het heir van den stam der kinderen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni.Vers 25 Toen toog op de banier van het leger der kinderen van Dan, samensluitende al de legers, naar hun heiren; en over zijn heir was Ahiëzer de zoon van Ammisaddai.27 samensluitende al de legers, Hebreeuws, vergaderende al de legers. Dit werd aldus gesteld, omdat de stam Dan met de twee anderen hem bijgevoegd, den achtertocht maakten, en alzo al de voorgaanden gelijk besloten heeft, opdat niemand zou achterblijven. Aldus werd ook van den achtertocht gesproken Joz. 6:13.Vers 26 En over het heir van den stam der kinderen van Aser was Pagiel, de zoon van Ochran.Vers 27 En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahira, de zoon van Enan.Vers 28 Dit waren de tochten der kinderen Israëls, naar hun heiren, als zij reisden.28 Dit waren de tochten der kinderen Israëls, Dat is, dit was de orde, die de Israëlieten hielden in het verreizen en voorttrekken.Vers 29 Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Rehuël, den Midianiet, den schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke de Heere gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de Heere heeft over Israël het goede gesproken.29 zeide Of, had gezegd; want sommigen menen dat dit geschied is toen hij eerst tot hem in de woestijn gekomen was; Exod. 18:27.30 Hobab, Men houdt dezen geweest te zijn dezelfde, die, Exod. 18:1, Jethro werd genaamd.31 Rehuël, Hebreeuws, Reüel, of Rehuël.32 het goede gesproken. Vergelijk Gen. 18:19.Vers 30 Doch hij zeide tot hem: Ik zal niet gaan; maar ik zal naar mijn land en naar mijn maagschap gaan.33 Ik zal niet gaan; Enigen menen dat hij dit absolutelijk weigert alleen voor dien tijd, en dat hij eerst wilde naar huis gaan, doch daarna zou wedergekeerd zijn tot de Israëlieten, omdat de Schrift vermeldt dat zijn nakomelingen onder hen gewoond hebben; Richt. 1:16, en Richt. 4:11,17; 1 Sam. 15:6; 2 Kron. 10:15; 1 Kron. 2:55; Jer. 35:2.Vers 31 En hij zeide: Verlaat ons toch niet; want dewijl gij weet, dat wij ons legeren in de woestijn, zo zult gij ons tot ogen zijn.34 ogen zijn. Hebreeuws, tot twee ogen; dat is, tot een bekwaam leidsman of wegwijzer, om ons door dezen ongebaanden, onbekenden en woesten weg, die u beter dan ons bekend is, ten beste te geleiden. Anders, en gij zijt onze ogen geweest.Vers 32 En het zal geschieden, als gij met ons zult gaan, en het goede geschieden zal, waarmede de Heere bij ons weldoen zal, dat wij u ook weldoen zullen.Vers 33 Zo togen zij drie dagreizen van den berg des Heeren; en de ark des verbonds des Heeren reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen een rustplaats uit te speuren.35 berg des HEEREN; Versta, het gebergte van Sinaï en Horeb, genaamd de berg des Heeren, omdat zich God daar geopenbaard en zijn wet gegeven had. Zie Exod. 3:1, en Exod. 33:6; Deut. 1:2; 1 Kon. 19:8.36 verbonds des HEEREN Zo genoemd, omdat in dezelve waren de twee stenen tafelen, die Mozes er in gelegd had toen de Heere een verbond maakte met de kinderen Israëls uit Egypte trekkende naar het land Kanaän, Exod. 25:16; 1 Kon. 8:9; 2 Kron. 5:10.37 reisde voor hun aangezicht Te weten, gedragen zijnde door de priesters; Deut. 31:9.Vers 34 En de wolk des Heeren was des daags over hen, als zij uit het leger verreisden.Vers 35 Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op, Heere! en laat Uw vijanden verstrooid worden, en Uw haters van Uw aangezicht vlieden!38 laat Uw vijanden verstrooid worden, Anders, uw vijanden zullen verstrooid worden, enz.Vers 36 En als zij rustte, zeide hij: Kom weder, Heere! tot de tien duizenden der duizenden van Israël!39 Kom weder, HEERE! Anders, rust Heere bij de tien, enz.40 tien duizenden der duizenden van Israël! Dat is, tot de zeer grote menigte der kinderen Israëls, die bijna ontallijk is.

Lees heel Numeri 10

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.