Nehemia 7:5-69

Register van hen, die onder Zerubbábel terugkeerden

Vers 5 Zo gaf mijn God in mijn hart, dat ik de edelen, en de overheden, en het volk verzamelde, om de geslachten te rekenen; en ik vond het geslachtsregister dergenen, die in het eerst waren opgetogen, en vond daarin geschreven aldus:Vers 6 Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis der weggevoerden, die Nebukadnezar, koning van Babel, weggevoerd had, en die wedergekeerd zijn naar Jeruzalem en naar Juda, een iegelijk tot zijn stad;Vers 7 Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehum en Baena. Dit is het getal der mannen van het volk van Israel.Vers 8 De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;Vers 9 De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig;Vers 10 De kinderen van Arach, zeshonderd twee en vijftig;Vers 11 De kinderen van Pahath-moab, van de kinderen van Jesua en Joab, twee duizend, achthonderd en achttien;Vers 12 De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;Vers 13 De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig;Vers 14 De kinderen van Zakkai, zevenhonderd en zestig;Vers 15 De kinderen van Binnui, zeshonderd acht en veertig;Vers 16 De kinderen van Bebai, zeshonderd acht en twintig;Vers 17 De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig;Vers 18 De kinderen van Adonikam, zeshonderd zeven en zestig;Vers 19 De kinderen van Bigvai, twee duizend, zeven en zestig;Vers 20 De kinderen van Adin, zeshonderd vijf en vijftig;Vers 21 De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig;Vers 22 De kinderen van Hassum, driehonderd acht en twintig;Vers 23 De kinderen van Bezai, driehonderd vier en twintig;Vers 24 De kinderen van Harif, honderd en twaalf;Vers 25 De kinderen van Gibeon, vijf en negentig;Vers 26 De mannen van Bethlehem en Netofa, honderd acht en tachtig;Vers 27 De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig;Vers 28 De mannen van Beth-azmaveth, twee en veertig;Vers 29 De mannen van Kirjath-jearim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig;Vers 30 De mannen van Rama en Gaba, zeshonderd en twintig;Vers 31 De mannen van Michmas, honderd twee en twintig;Vers 32 De mannen van Beth-el en Ai, honderd drie en twintig;Vers 33 De mannen van het andere Nebo, twee en vijftig;Vers 34 De kinderen des anderen Elams, duizend, tweehonderd vier en vijftig;Vers 35 De kinderen van Harim, driehonderd en twintig;Vers 36 De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig;Vers 37 De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig;Vers 38 De kinderen van Senaa, drie duizend, negenhonderd en dertig;Vers 39 De priesters: de kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig;Vers 40 De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig;Vers 41 De kinderen van Pashur, duizend, tweehonderd zeven en veertig;Vers 42 De kinderen van Harim, duizend en zeventien;Vers 43 De Levieten: de kinderen van Jesua, van Kadmiel, van de kinderen van Hodeva, vier en zeventig;Vers 44 De zangers: de kinderen van Asaf, honderd acht en veertig;Vers 45 De poortiers: de kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai, honderd acht en dertig;Vers 46 De Nethinim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth;Vers 47 De kinderen van Keros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon;Vers 48 De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Salmai;Vers 49 De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar;Vers 50 De kinderen van Reaja, de kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda;Vers 51 De kinderen van Gazzam, de kinderen van Uzza, de kinderen van Paseah;Vers 52 De kinderen van Bezai, de kinderen van Meunim, de kinderen van Nefussim;Vers 53 De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;Vers 54 De kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa;Vers 55 De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah;Vers 56 De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa;Vers 57 De kinderen der knechten van Salomo; de kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Perida;Vers 58 De kinderen van Jaela, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel;Vers 59 De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon;Vers 60 Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.Vers 61 Ook togen dezen op van Thel-melah, Thel-harsa, Cherub, Addon en Immer; maar zij konden hunner vaderen huis, en hun zaad niet tonen, of zij uit Israel waren;Vers 62 De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.Vers 63 En van de priesteren, de kinderen van Habaja, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die een vrouw van de dochteren van Barzillai, den Gileadiet, genomen had, en naar hun naam genoemd was.Vers 64 Dezen zochten hun geschrift, willende hun geslacht rekenen, maar het werd niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het priesterdom geweerd.Vers 65 En Hattirsatha zeide tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een priester stond met urim en thummim.Vers 66 Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend, driehonderd en zestig;Vers 67 Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend, driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd vijf en veertig zangers en zangeressen.Vers 68 Hun paarden, zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig;Vers 69 Kemelen, vierhonderd vijf en dertig; ezelen, zes duizend, zevenhonderd en twintig.

Advertentie

Liever lezen zonder advertenties? Lees meer over Plus