Een stomme genezen
Vers 32 Als dezen nu uitgingen, ziet, zo brachten zij tot Hem een mens, die stom en van den duivel bezeten was.35 stom en van den duivel bezeten was. Wien de duivel, waarvan hij bezeten was, de spraak benomen had.Vers 33 En als de duivel uitgeworpen was, sprak de stomme. En de scharen verwonderden zich, zeggende: Er is nooit desgelijks in Israël gezien!36 desgelijks in Israël gezien. Grieks, alzo.Vers 34 Maar de Farizeën zeiden: Hij werpt de duivelen uit door den overste der duivelen.37 overste der duivelen. Deze wordt Matth. 10:25 en Matth. 12:27 Beëlzebul genaamd. Want ook onder de onreine geesten is er een, die over de anderen heerschappij heeft. Zie Matth. 25:41.Vers 35 En Jezus omging al de steden en vlekken, lerende in hun synagogen, en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk.38 alle ziekte en alle kwale onder het volk Dat is, allerlei. Zie Matth. 4:23.Vers 36 En Hij, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen, die geen herder hebben.39 innerlijk met ontferming bewogen over hen, Grieks, werd in zijne ingewanden beroerd.40 vermoeid en verstrooid waren, Grieks, los en ontbonden.Vers 37 Toen zeide Hij tot Zijn discipelen: De oogst is wel groot; maar de arbeiders zijn weinige;41 groot, Grieks, veel.Vers 38 Bidt dan den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote.42 uitstote. Grieks, uitwerpe, dat is uitzende, hun door de kracht zijns Geestes gewillig en bekwaam gemaakt hebbende.