De verzoeking van Jezus
Vers 1 Toen werd Jezus van den Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel.1 werd Jezus Terstond nadat Hij gedoopt was. Mark. 1:12.2 van den Geest weggeleid Dat is, door de drijving des Heiligen Geestes, die op Hem nedergedaald was. Zie Luk. 4:1. Of, van dien Geest.3 duivel Dit woord komt van het Griekse Diabolos, hetwelk een lasteraar en vals beschuldiger is te zeggen. Zie Openb. 12:9,10.Vers 2 En als Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, hongerde Hem ten laatste.4 gevast Dit is een wonderbaar vasten geweest zonder eten en drinken, gelijk ook geweest is het vasten van Mozes, Exod. 34:28, en van Elias, 1 Kon. 19:8, hetwelk daarom door ons, alsook de andere wonderen van Christus, niet kan nagevolgd worden.Vers 3 En de verzoeker, tot Hem gekomen zijnde, zeide: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg, dat deze stenen broden worden.5 verzoeker Zo wordt de duivel genaamd, omdat hij de mensen zoekt te brengen tot zonden en afval. Zie Gen. 3,6 Gods Zoon Namelijk gelijk de vorige stem in uwen doop betuigde.Vers 4 Doch Hij, antwoordende, zeide: Er is geschreven: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat.7 woord, dat door den mond Gods uitgaat. Dat is, van alle dingen, die God gelieft kracht te geven en te gebruiken tot voedsel en versterking der mensen.Vers 5 Toen nam Hem de duivel mede naar de heilige stad, en stelde Hem op de tinne des tempels;8 heilige stad, Dat is, Jeruzalem; zo wordt zij genaamd, omdat God aldaar zijn dienst en heiligdom geplant had.9 tinne des tempels, Grieks: vlerk, of vleugel. Zo wordt genaamd een opgaande kant, die als een leuning of balie rondom het platte dak des tempels gemaakt was, om te verhinderen dat iemand lichtelijk zou afvallen. Zie Deut. 22:8.Vers 6 En zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelven nederwaarts; want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, en dat zij U op de handen zullen nemen, opdat Gij niet te eniger tijd Uw voet aan een steen aanstoot.Vers 7 Jezus zeide tot hem: Er is wederom geschreven: Gij zult den Heere, uw God, niet verzoeken.Vers 8 Wederom nam Hem de duivel mede op een zeer hogen berg, en toonde Hem al de koninkrijken der wereld, en hun heerlijkheid;10 toonde Hem al de koninkrijken der wereld Namelijk òf in enig schijnsel, òf ook de gewesten derzelve aanwijzende, en met woorden hunne heerlijkheid verhalende.Vers 9 En zeide tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, nedervallende, mij zult aanbidden.Vers 10 Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: Den Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.11 satan, Dat is, tegenstrijder, wederpartij, of hater. Zo wordt de duivel genaamd omdat hij der mensen vijand is. Zie 1 Petr. 5:8.Vers 11 Toen liet de duivel van Hem af; en ziet, de engelen zijn toegekomen, en dienden Hem.12 engelen zijn toegekomen Dat is, zendboden. Zo worden de goede geesten genaamd, omdat zij van God uitgezonden worden om zijn bevelen uit te richten. Zie Ps. 103:20, en Hebr. 1:14.