Johannes de Doper
Vers 1 En in die dagen kwam Johannes de Doper, predikende in de woestijn van Judea,1 En in die dagen Namelijk in het vijftiende jaar van den keizer Tiberius, toen Christus omtrent dertig jaren oud was; Luk. 3:1,23.2 Johannes de Doper Van Johannes, van zijn ouders, geboorte en ambt, zie Luk. 1, en Joh. 1. Hij wordt genaamd Doper, omdat hij de eerste is geweest, die den doop heeft bediend uit Gods bevel in het Nieuwe Testament. Zie Matth. 21. 25; Joh. 1:33.3 de woestijn van Judea Niet zulk een wildernis waar geen mensen woonden, maar een woest land van bossen en gebergten waar Zacharias, de vader van Johannes, woonde, Luk. 1:39, waarin zes steden geteld worden, Joz. 15:61,62, die dan ook haar dorpen of gehuchten gehad hebben.Vers 2 En zeggende: Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.4 het koninkrijk der hemelen Dat is, de oprichting en verbreiding der gemeente Gods, door de predikatie van het Evangelie, ten tijde der komst van den Messias.Vers 3 Want deze is het, van denwelken gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!5 Bereidt den weg des Heeren, Een gelijkenis, genomen van een prins of koning, tegen wiens komst de wegen bereid en geëffend worden.Vers 4 En dezelve Johannes had zijn kleding van kemelshaar, en een lederen gordel om zijn lenden; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig.6 kleding van kemelshaar, Zodanige ruige klederen droegen eertijds de profeten in het Oude Testament. Zie Zach. 13:4; Hebr. 11:37, gelijk van Elia in het bijzonder betuigd wordt, 2 Kon. 1:8, in wiens geest en kracht Johannes de Doper gekomen was; Mal. 4:5; Luk. 1:17.7 sprinkhanen en wilde honing. De sprinkhanen zijn in die landen groot en veel, en worden aldaar onder de geringe lieden gegeten, gelijk zij ook onder de reine spijzen gesteld worden; Lev. 11:22.Vers 5 Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judea, en het gehele land rondom de Jordaan;Vers 6 En werden van hem gedoopt in de Jordaan, belijdende hun zonden.8 belijdende hun zonden. Deze belijdenis van de zonden is geen oorbiecht geweest, daar denzelve voor den doop, in het algemeen en in het openbaar geschiedde.Vers 7 Hij dan, ziende velen van de Farizeën en Sadduceën tot zijn doop komen, sprak tot hen: Gij adderengebroedsels! wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn?9 Farizeën en Sadduceën Farizeën en Sadduceën zijn geweest twee sekten onder de Joden, gelijk er nog een derde was der Esseën. Zie van denzelve den historieschrijver Josefus Antiq. l. 18,c. 2, de bello Iud.l.Vers 8 Brengt dan vruchten voort, der bekering waardig.10 waardig; Dat is, betamelijk, of met de ware bekering overeenkomende.Vers 9 En meent niet bij u zelven te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.Vers 10 En ook is alrede de bijl aan den wortel der bomen gelegd; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.11 de bijl aan de wortel der bomen gelegd; De straf Gods is nakende, niettegenstaande gij roemt afkomstig te zijn van Abraham, tenzij gij Abrahams werken doet; Joh. 8:39.Vers 11 Ik doop u wel met water tot bekering; maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waardig ben Hem na te dragen; Die zal u met den Heiligen Geest en met vuur dopen.12 met water tot bekering; Grieks: in het water.13 die na mij komt Of achter mij, Joh. 1:15,27.14 wiens schoenen ik niet waardig ben Hem na te dragen Dat is, den allerminsten of slechtsten dienst te doen.15 die zal u met den Heiligen Geest en met vuur dopen Johannes onderscheidt hier zijn uiterlijken doop van den inwendigen doop van Christus, waarmede Hij onze harten door zijnen Geest zuivert, gelijk het vuur de metalen van alle schuim en onreinheden. Zie dergelijke Joh. 3:5, en Hand. 1:5, en Hand. 2:4.Vers 12 Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden.16 wan in Zijn hand is Grieks: werpschup; waarmede men het graan omwerpt om van het kaf te zuiveren, hetwelk bij ons door den wan geschiedt.17 tarwe Of, koren, gelijk hierna dikwijls.18 schuur samenbrengen, Anders, korenzolder; of plaats waar iets weggelegd wordt om te bewaren.