Jezus voor Pilatus
Vers 11 En Jezus stond voor den stadhouder; en de stadhouder vraagde Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Jezus zeide tot hem: Gij zegt het.12 de koning der Joden? Namelijk dien de Joden voor hun Messias en Verlosser verwachten.13 Gij zegt het. Zie hiervoren Matth. 26:25,64 en Joh. 18:37.Vers 12 En als Hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde Hij niets.Vers 13 Toen zeide Pilatus tot Hem: Hoort Gij niet, hoevele zaken zij tegen U getuigen?14 hoevele [zaken] Deze zaken staan uitgedrukt Luk. 23:2.Vers 14 Maar Hij antwoordde hem niet op een enig woord, alzo dat de stadhouder zich zeer verwonderde.15 niet op een enig woord, Eensdeels omdat de beschuldigingen openbare leugens waren, eensdeels omdat Hij voor ons onschuldig veroordeeld wilde worden. En zo is vervuld hetgeen tevoren van Hem gezegd was, Jes. 53:7.Vers 15 En op het feest was de stadhouder gewoon den volke een gevangene los te laten, welken zij wilden.16 feest was de stadhouder Namelijk van Pasen. Joh. 18:30.17 het volk enen gevangene los te laten, Grieks, der schare.Vers 16 En zij hadden toen een welbekenden gevangene, genaamd Bar-abbas.18 welbekenden gevangene, Dat is vermaarden en uitstekenden, wiens persoon en kwade feiten zeer bekend waren. Want Hij was om moord en oproer gevangen; Mark. 15:7; Luk. 23:19; Hand. 3:14; Joh. 18:40.Vers 17 Als zij dan vergaderd waren, zeide Pilatus tot hen: Welken wilt gij, dat ik u zal loslaten, Bar-abbas, of Jezus, Die genaamd wordt Christus?Vers 18 Want hij wist, dat zij Hem door nijdigheid overgeleverd hadden.Vers 19 En als hij op den rechterstoel zat, zo heeft zijn huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb toch niet te doen met dien Rechtvaardige; want ik heb heden veel geleden in den droom om Zijnentwil.Vers 20 Maar de overpriesters en de ouderlingen hebben den scharen aangeraden, dat zij zouden Bar-abbas begeren, en Jezus doden.19 aangeraden Of, met aanrading daartoe bewogen.Vers 21 En de stadhouder, antwoordende, zeide tot hen: Welken van deze twee wilt gij, dat ik u zal loslaten? En zij zeiden: Bar-abbas.Vers 22 Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat Hem gekruisigd worden.Vers 23 Doch de stadhouder zeide: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer, zeggende: Laat Hem gekruisigd worden!Vers 24 Als nu Pilatus zag, dat hij niet vorderde, maar veel meer dat er oproer werd, nam hij water en wies de handen voor de schare, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed dezes Rechtvaardigen; gijlieden moogt toezien.20 het bloed dezes Rechtvaardigen; Dat is, aan den dood. Waarvan hij nochtans niet geheel onschuldig was, alzo hij niet vermocht een onschuldige ten believe van anderen te doden, gelijk de stadhouder Festus zelf getuigt, Hand. 25:16.Vers 25 En al het volk, antwoordende, zeide: Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen.21 Zijn bloed kome Dat is, zo dit bloed onschuldig vergoten wordt, de straf of wraak van God daarvan kome op ons en onze nakomelingen. Hetwelk ook kort daarna door de Romeinen geschied is en nog geschiedt; Matth. 24:21. Dergelijks manier van spreken zie Lev. 20:9, en 2 Sam. 1:16.Vers 26 Toen liet hij hun Bar-abbas los, maar Jezus gegeseld hebbende, gaf hij Hem over om gekruisigd te worden.22 hebbende, De Romeinen hadden wel de gewoonte dat zij degenen, die tot den dood verwezen waren, eerst openlijk deden geselen, maar het blijkt uit Joh. 19:1 dat Pilatus dit gedaan heeft, omdat hij hoopte dat hij met die mindere straf den Joden zou voldoen en tot medelijden bewegen om Hem alzo los te laten.