Jezus voor Kajafas
Vers 57 Die nu Jezus gevangen hadden, leidden Hem heen tot Kajafas, den hogepriester, alwaar de Schriftgeleerden en ouderlingen vergaderd waren.56 tot Kajafas, Namelijk nadat zij Hem eerst tot Annas hadden gebracht, die Kajafas schoonvader was; Joh. 18:13.Vers 58 En Petrus volgde Hem van verre tot aan de zaal des hogepriesters, en binnengegaan zijnde, zat hij bij de dienaren, om het einde te zien.57 zaal des hogepriesters, Of, tot aan het paleis.Vers 59 En de overpriesters, en de ouderlingen, en de gehele grote raad zochten valse getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem doden mochten; en vonden niet.58 vonden niet. Namelijk wat met enigen schijn zou kunnen voortgebracht worden, om daarop Hem te veroordelen.Vers 60 En hoewel er vele valse getuigen gekomen waren, zo vonden zij toch niet.Vers 61 Maar ten laatste kwamen twee valse getuigen, en zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan den tempel Gods afbreken, en in drie dagen denzelven opbouwen.59 Deze heeft gezegd: Dit was een verdraaiing der woorden van Christus, Joh. 2:19, want Christus heeft aldaar niet gezegd: Ik kan den tempel afbreken. enz., maar: breekt gij den tempel af, enz., verstaande dat van den tempels zijns lichaams.Vers 62 En de hogepriester, opstaande, zeide tot Hem: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?Vers 63 Doch Jezus zweeg stil. En de hogepriester, antwoordende, zeide tot Hem: Ik bezweer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God?60 zweeg stil. Om daarmede te kennen te geven dat deze zaak zo ongegrond was, dat zij niet waardig was beantwoord te worden.Vers 64 Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg ulieden: Van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende ter rechter hand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels.61 Gij hebt het gezegd. Zie hier voor Matth. 26:25.62 zult gij zien den Zoon des mensen Dat is, gij zult alsdan metterdaad bevinden, dat Ik de Zoon Gods ben, inzonderheid als gij voor Mij zult moeten verschijnen om geoordeeld te worden.Vers 65 Toen verscheurde de hogepriester zijn klederen, zeggende: Hij heeft God gelasterd, wat hebben wij nog getuigen van node? Ziet, nu hebt gij Zijn gods lastering gehoord.63 verscheurde Dit plachten de Joden te doen als zij een uiterste droefheid of mishagen over zekere zaak wilden betonen als godslastering, enz. Zie 2 Kon. 19:1.Vers 66 Wat dunkt ulieden? En zij, antwoordende, zeiden: Hij is des doods schuldig.Vers 67 Toen spogen zij in Zijn aangezicht, en sloegen Hem met vuisten.Vers 68 En anderen gaven Hem kinnebakslagen, zeggende: Profeteer ons, Christus, wie is het, die U geslagen heeft?64 gaven Hem kinnebakslagen, Anders, sloegen Hem met stokjes, of roeden.